ECLI:NL:RBMNE:2026:1190

ECLI:NL:RBMNE:2026:1190

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 27-03-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer UTR 24/4364
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Eiser heeft het college verzocht om handhavend op te treden vanwege het ontbreken van een constructief veilige ondersteuning van de scheefstaande, mandelige scheidingsmuur op de begane grond. De rechtbank stelt in deze uitspraak voorop dat het de eigen verantwoordelijkheid van een eigenaar van een bestaand bouwwerk is om ervoor zorg te dragen dat het bouwwerk in overeenstemming is en blijft met de daarover gestelde minimale eisen over technische bouwkwaliteit. Mocht een eigenaar er twijfels over hebben of de staat van zijn bouwwerk nog aan deze eisen voldoet, is het primair zijn eigen verantwoordelijkheid om daar passend onderzoek naar te (laten) verrichten. Voor mandelige bouwdelen is dat niet anders. Het kan naar het oordeel van de rechtbank niet de bedoeling zijn dat een eigenaar die twijfelt of zijn bouwwerk nog aan de minimaal te stellen eisen over de technische bouwkwaliteit voldoet, die eigen verantwoordelijkheid afschuift op het college en middels een verzoek om handhaving verlangt dat het college op kosten van de gemeenschap diepgaand onderzoek verricht naar de conformiteit van zijn bouwwerk met de bouwregelgeving. De rechtbank miskent hiermee niet de in de rechtspraak ontwikkelde beginselplicht tot handhaving en de taak van het met handhaving belaste bestuursorgaan om toezicht op de naleving te houden, maar benadrukt wel de eigen verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor de naleving en bij twijfel zo nodig zelf nader onderzoek te doen. In het licht van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het college zich in dit onderhavige geval voldoende heeft ingespannen om vast te stellen dat er geen aanleiding bestond voor verdergaand onderzoek en het terecht heeft afgezien van handhavend optreden. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. T.D. Rijs)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. H. van Gellekom)

Als derde-partij nemen aan deze zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2], uit [woonplaats] , belanghebbenden

Inleiding

Voorgeschiedenis

1. Eiser is eigenaar van het pand met een werfkelder aan de [adres 1] in [woonplaats] . Zijn pand grenst aan dat van zijn buren (derde-partij) op nummer [adres 2] . Eiser is in 2016 begonnen met de renovatie van zijn pand en heeft een aantal (sloop)werkzaamheden uitgevoerd of laten uitvoeren. Op 20 december 2017 hebben inspecteurs van de gemeente geconstateerd dat delen van de panden van eiser en derde-partij en de daaronder gelegen werfkelders in een slechte staat van onderhoud verkeren. Het college is daarop gestart met handhavingstrajecten vanwege overtredingen van de bouwregelgeving, eerst gericht tegen eiser, later ook richting derde-partij. Dit alles heeft geleid tot een serie van langdurige geschillen tussen eiser, het college en derde-partij over onder meer de bouwkundige situatie van beide panden en de daaronder gelegen werfkelders.

2. Deze zaak is begonnen met een verzoek van eiser van 26 juni 2020 aan het college om handhavend op te treden tegen het ontbreken van een constructief veilige ondersteuning van de scheefstaande, mandelige scheidingsmuur op de begane grond tussen [adres 1] en [adres 2] . Deze ondersteuning ontbreekt volgens eiser aan de zijde van de [adres 2] . Eiser heeft gesteld dat de mandelige scheidingsmuur voor ongeveer de helft uit het lood staat (circa 10-12 centimeter), hellend in de richting van de [adres 2] . Het college heeft het handhavingsverzoek van eiser met het besluit van 1 september 2020 buiten behandeling gesteld vanwege het ontbreken van de benodigde informatie. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Met de beslissing op bezwaar van 27 september 2022 heeft het college het besluit van 1 september 2020 herroepen en het handhavingsverzoek alsnog afgewezen. Eiser had op dat moment reeds beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift. Dat beroep heeft van rechtswege mede betrekking gekregen op de alsnog genomen beslissing op bezwaar.De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Deze procedure

3. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft het college op 4 april 2024 en 18 april 2024 nader onderzoek verricht naar de mandelige scheidingsmuur op de begane grond. Bij dit onderzoek is in beide panden gebruik gemaakt van 3D-scanapparatuur om de mandelige scheidingsmuur te onderzoeken.

Eiser heeft op 25 juni 2024 het college in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar en gelijktijdig beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar.

Het college heeft op 1 juli 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit).

Het beroep wegens het niet tijdig beslissen heeft mede betrekking op het alsnog genomen bestreden besluit. Eiser heeft zijn beroepschrift met het oog hierop aangevuld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college, vergezeld door [A] . Namens derde-partij heeft [derde-partij 1] deelgenomen.

Bij brief van 6 januari 2026 heeft het college nadere informatie ingediend en verzocht om het onderzoek in deze zaak te heropenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het verzoek tot heropening

4. De nadere informatie die door het college is gegeven bij het verzoek om heropening van het onderzoek in deze zaak brengt de rechtbank niet tot het oordeel dat het onderzoek onvolledig is geweest. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.

Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen

5. Eiser heeft een ingebrekestelling verstuurd aan het college en daarin verzocht binnen twee weken een beslissing op bezwaar te nemen. Het college heeft binnen die termijn, op 1 juli 2024, een beslissing op bezwaar genomen. De rechtbank stelt vast dat het college met het bestreden besluit alsnog (tijdig) heeft beslist op het bezwaar van eiser. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom niet-ontvankelijk.

Het beroep tegen het alsnog genomen besluit

Het beoordelingskader

6. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Woningwet gewijzigd. Omdat voor die datum het handhavingsverzoek is ingediend, is in deze zaak de Woningwet zoals die tot 1 januari 2024 gold met de onderliggende regelingen, waaronder het Bouwbesluit 2012, nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.

7. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in geval van de overtreding van een wettelijk voorschrift, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Van handhaving kan alleen worden afgezien als dat onevenredig is, met andere woorden: als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Zo’n bijzonder geval kan zich voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen aanleiding zijn om van handhaving af te zien, bijvoorbeeld bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

Is het beroep tegen het bestreden besluit ontvankelijk?

8. Het is de taak van de bestuursrechter om geschillen te beslechten. De bestuursrechter is daarom alleen gehouden om een beroep tegen een besluit van een bestuursorgaan inhoudelijk te beoordelen, als de indiener van het beroep daarbij een actueel en reëel belang heeft. Eiser moet het doel dat hij met zijn handhavingsverzoek nastreeft met zijn beroep kunnen bereiken. Als dat (proces)belang is vervallen, doet de bestuursrechter geen uitspraak alleen maar vanwege de principiële betekenis daarvan.

Het college stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van zijn handhavingsverzoek en dat de wijze van procederen van eiser de grenzen van misbruik van recht overschrijdt. Daaraan ligt ten grondslag dat eiser met zijn verzoek om handhaving een constructief veilige situatie wil bereiken, terwijl daarvan volgens het college al sprake is.

Om tot het oordeel ‘geen procesbelang’ te kunnen komen moeten partijen het er in ieder geval over eens zijn, en de rechtbank moet dat kunnen volgen, dat er nu sprake is van een constructief veilige mandelige scheidingsmuur zodat het doel van handhaving niet meer kan worden bereikt. In deze procedure is juist in geschil de vraag of het college zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een overtreding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee voldoende (proces)belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep en bestaat er naar het oordeel van de rechtbank nog procesbelang.

Bestreden besluit

9. In het bestreden besluit heeft het college zich na volledige heroverweging van het primaire besluit op het standpunt gesteld dat het handhavingsverzoek moet worden afgewezen. Daaraan ligt zijn standpunt ten grondslag dat er geen sprake is van een overtreding van het Bouwbesluit 2012. Het college heeft ter onderbouwing van dit standpunt het rapport van de uitgevoerde controles en de resultaten van de 3D-scan aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. De mandelige scheidingsmuur op de begane grond voldoet volgens het college aan de in het Bouwbesluit 2012 opgenomen eisen uit paragraaf 2.1.2 over de sterkte van de bouwconstructie.

Wat is het geschil?

10. Eiser stelt zich op het standpunt dat in het nieuwe onderzoeksrapport, dat het college aan de afwijzing van zijn handhavingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, het eerder ingebrachte bewijs voor het bestaan van een overtreding ten onrechte niet is betrokken. Eiser onderbouwt zijn standpunt dat er sprake is van een overtreding door te verwijzen naar (i) een rapport van ir. [B] van 24 augustus 2020 (hierna: rapport [B] ), waarin de conclusie wordt getrokken dat de zwaartelijn buiten de constructie valt, (ii) een doorsnede-tekening van LBA van 11 mei 2020 in opdracht van [adviesbureau] , waarop de scheefstand wordt bevestigd, (iii) een memorandum van het [expertisebureau] (hierna: [expertisebureau] ) van 15 juni 2020, waarin staat dat ter plaatse van de achtergevel sprake is van scheuren en een uitbollende muur op de begane grond, en (iv) de uitspraak van deze rechtbank van 16 mei 2023, waarin de rechtbank heeft vastgesteld dat de gedeelde keldermuur gedurende de restlevensduur niet voldoende bestand was tegen de daarop werkende krachten en dat een overtreding van artikel 2.6 van het Bouwbesluit 2012 daarmee vast is komen te staan. Eiser verbindt hieraan de conclusie dat het niet zo kan zijn dat de mandelige scheidingsmuur op de begane grond wel voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Verder voert eiser aan dat het bestreden besluit niet berust op een constructieberekening overeenkomstig NEN 8700 (en NEN 1996), maar uitsluitend op een 3D-scan en doorsnedetekeningen. Eiser meent dat ten onrechte waarde is gehecht aan het aangezicht van de mandelige scheidingsmuur. Dat de mandelige scheidingsmuur geen scheuren laat zien en visueel vlak is heeft geen waarde door het aanwezige stucwerk. Eiser verwijst ter onderbouwing naar het memorandum van [expertisebureau] van 15 juni 2020 waaruit volgt dat het onvoldoende veilig zijn van een constructie niet visueel kan worden vastgesteld. De visuele inspecties en scans zijn volgens eiser niet voldoende voor het dragen van de conclusie van het college dat geen sprake is van een overtreding.

Het college voert in zijn verweerschrift aan dat de stukken waarnaar eiser verwijst op geen enkele wijze onderbouwen dat de mandelige scheidingsmuur niet is bestand tegen de daarop werkende krachten. De aangehaalde onderzoeken zien ook niet op dat onderwerp. Het college stelt zich verder op het standpunt dat in het kader van een volledige heroverweging desgewenst een nieuw onderzoek mag worden uitgevoerd als reactie op een handhavingsverzoek, dat aan de beslissing op bezwaar ten grondslag kan worden gelegd. Het college stelt zich op het standpunt dat niet alleen de 3D-scan aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Er zijn voor beide panden meerdere constructieberekeningen uitgevoerd in verband met eerdere ingrepen. Daaruit volgt dat geen sprake (meer) is van een constructief onveilige situatie. Uit de 3D-scan blijkt dat ter plaatse van doorsnede 1 een scheefstand is gemeten van 86 mm over een wandhoogte van 3517 mm. De door eiser gestelde afwijking van 10-12 cm is niet gemeten. Eiser weerspreekt niet met een tegenrapport de uitkomsten van het onderzoek. Op de zitting heeft de gemachtigde van het college toegelicht dat aan de hand van de resultaten van de 3D-scan en de visuele inspectie geconcludeerd kon en mocht worden dat geen sprake is van dusdanige scheefstand waaruit volgt dat de muur niet bestand zou zijn tegen de daarop werkende krachten.

De rechtbank stelt voorop dat het de eigen verantwoordelijkheid is van een eigenaar van een bestaand bouwwerk om er voor zorg te dragen dat dit in overeenstemming is en blijft met de in het Besluit bouwwerken leefomgeving (voorheen in het Bouwbesluit 2012) daarover gestelde minimale eisen over technische bouwkwaliteit. De omstandigheid dat onderdelen van een bouwwerk mandelig zijn, zoals de scheidingsmuur tussen twee aaneengebouwde panden, maakt dat niet anders. Mocht een eigenaar er twijfels over hebben of de staat van zijn bouwwerk nog aan deze eisen voldoet, is het primair zijn eigen verantwoordelijkheid om daar passend onderzoek naar te (laten) verrichten. Voor mandelige bouwdelen is dat niet anders en is er sprake van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van beide eigenaren. Desnoods kan hiertoe met een gang naar de civiele rechter de medewerking van de andere eigenaar worden gevorderd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan het naar het oordeel van de rechtbank niet de bedoeling zijn dat een eigenaar die twijfelt of zijn bouwwerk nog aan de minimaal te stellen eisen over de technische bouwkwaliteit voldoet, die eigen verantwoordelijkheid afschuift op het college en middels een verzoek om handhaving verlangt dat het college op kosten van de gemeenschap diepgaand onderzoek verricht naar de conformiteit van zijn bouwwerk met de bouwregelgeving. De rechtbank miskent hiermee niet de in de rechtspraak ontwikkelde beginselplicht tot handhaving zoals beschreven onder nummer 7 en de taak van het met handhaving belaste bestuursorgaan om toezicht op de naleving te houden, maar benadrukt wel de eigen verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor de naleving en bij twijfel zo nodig zelf nader onderzoek te doen.

In het licht van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het college zich in dit geval voldoende heeft ingespannen om vast te stellen dat er geen aanleiding bestond voor verdergaand onderzoek en het terecht heeft afgezien van handhavend optreden. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het rapport [B] weliswaar volgt dat er sprake is van een scheefstand van de mandelige scheidingsmuur op de begane grond over de volledige lengte van het pand, maar er worden in dat rapport geen conclusies getrokken over eventuele gevolgen die dit zou opleveren voor de constructieve veiligheid. Scheefstand van de mandelige scheidingsmuur impliceert immers nog niet dat er sprake zou zijn van een overtreding van het Bouwbesluit 2012 omdat de mandelige scheidingsmuur niet bestand zou zijn tegen de daarop werkende krachten. In het rapport [B] wordt hierover wel nader onderzoek geadviseerd, maar zoals eerder overwogen ligt het primair op de weg van de eigenaar om dit onderzoek te (laten) verrichten. Met het nader onderzoek dat het college desalniettemin heeft uitgevoerd door middel van 3D-scanapparatuur, heeft het een meer gefundeerd standpunt kunnen innemen dat de mandelige scheidingsmuur in zijn actuele toestand weliswaar in een geringe mate scheef staat, maar dat dit niet betekent dat daardoor de stabiliteit in geding is en deze constructief onveilig is. Met behulp van de 3D-scanapparatuur heeft het college de precieze muurdikte en de hoek (stand) van de muur kunnen vaststellen en geconstateerd dat van uitbuiging van de muur geen sprake is. Het college kon hierbij mede betrekken dat uit een visuele inspectie geen scheuren of andere sporen zijn aangetroffen die met zich brengen dat getwijfeld moet worden aan het draagvermogen van de muur. Verder volgen er naar het oordeel van de rechtbank uit het memorandum van [expertisebureau] geen conclusies die op deze zaak toepasbaar zijn. De conclusies uit dit memorandum gaan uitsluitend en volledig over de achtergevel en daaruit kunnen geen conclusies worden afgeleid over de constructieve veiligheid van de mandelige scheidingsmuur die zich op de begane grond bevindt. De rechtbank volgt eiser dus niet in zijn standpunt dat een gebrek in de keldermuur of achtergevel per definitie ook leidt tot een constructief probleem in de mandelige scheidingsmuur. Dat staat overigens nog los van het feit dat gebreken aan de keldermuur inmiddels door toepassing van bestuursdwang zijn hersteld.

De rechtbank overweegt in dit verband nog dat de situatie die hier aan de orde is verschilt van de zaak waarin de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State naar aanleiding van een handhavingsverzoek het uitgangspunt heeft gehanteerd dat een college ook voor de vaststelling dat geen sprake is van een overtreding van de bouwregelgeving in beginsel de voorgeschreven bepalingsmethode moet toepassen. Anders dan in die zaak gaat het in de voorliggende zaak om een handhavingsverzoek van de degene die als eigenaar zelf verantwoordelijkheid draagt voor de naleving, zelf bij machte is onderzoek te (laten) verrichten en ook zelf in staat is om zo nodig herstelmaatregelen te (laten) treffen. Over de voorgeschreven bepalingsmethode uit NEN 8700 die eiser graag toegepast had zien worden, overweegt de rechtbank dat eiser deze desgewenst altijd zelf nog kan (laten) toepassen. In dat verband merkt de rechtbank nog op dat het bij NEN 8700 gaat om een technische rekenmethode die ook afhankelijk is van inputgegevens die in het geval van bestaande bouw berusten op aannames van de werkelijkheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in dit geval, door een actueel praktijkonderzoek te verrichten met 3D-scanapparatuur, voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen sprake is van een risico op het bezwijken van de mandelige scheidingsmuur. Mede met het oog op de veiligheid voor de omgeving en andere belanghebbenden, heeft het college op grond daarvan geen aanleiding hoeven zien om desgevraagd aan eiser zelf (gezamenlijk met derde-partij) een lastgeving onder dwangsom of bestuursdwang op te leggen.

Immateriële schadevergoeding

11. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank toetst de verzoeken aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het EVRM en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.

De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit. Voor de procedure in eerste aanleg is de redelijke termijn in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. Of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de procesgang, en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, van betekenis. Dergelijke omstandigheden kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Van omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen is bijvoorbeeld sprake als belanghebbende invloed uitoefent op de duur van het proces, bijvoorbeeld door het doen van herhaalde verzoeken om uitstel voor uitnodigingen of oproepingen.

Omdat de termijn op 13 oktober 2020 is aangevangen (de datum waarop het college het bezwaarschrift van eiser heeft ontvangen) en de rechtbank uitspraak doet op 27 maart 2026, is de termijn van de procedure in eerste aanleg vijf jaar en bijna zes maanden. Van omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen is naar het oordeel van de rechtbank sprake. De rechtbank heeft in eerste instantie een uitnodiging aan partijen gestuurd om het beroep op de zitting van 26 juni 2025 te behandelen. De toenmalige gemachtigde van eiser heeft verzocht om uitstel van de zitting in verband met een reeds geplande vakantie van eiser. Dat verzoek is toegekend en vervolgens is een nieuwe zitting gepland op 28 augustus 2025. Op 21 augustus 2025 heeft de toenmalige gemachtigde van eiser laten weten zich terug te trekken als gemachtigde van eiser. Naar aanleiding daarvan heeft eiser verzocht om opnieuw uitstel te verlenen, omdat hij zelf niet aanwezig kan zijn bij de zitting maar wel met of via een vertegenwoordiger gehoord wenst te worden. Het is gelet hierop dat de rechtbank van oordeel is dat de in eerste instantie geplande zitting van 26 juni 2025 doorgang had kunnen vinden, omdat niet is gebleken dat zijn toenmalige gemachtigde die datum verhinderd zou zijn. Dat betekent dat de redelijke termijn met vijf maanden verlengd wordt, te weten de periode tussen 26 juni 2025 en de datum van de daadwerkelijke zitting, 27 november 2025. De redelijke termijn is daarom overschreden met bijna drie jaar en een maand.

In dit geval heeft de rechtbank op 31 januari 2024 al uitspraak gedaan. De bezwaarfase heeft (gerekend van de ontvangst van het bezwaarschrift op 13 oktober 2020 tot het besluit op bezwaar van 27 september 2022) bijna twee jaar geduurd. Dat betekent dat de maximale termijn van een half jaar met bijna achttien maanden is overschreden. De beroepsfase heeft (gerekend van de ontvangst van het beroep niet tijdig beslissen op 30 augustus 2022 tot de uitspraak van 31 januari 2024) een jaar en zes maanden geduurd. Als een zaak na een eerdere vernietiging opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden. Van dat laatste is geen sprake.

Voor de vergoeding van de immateriële schade wordt uitgegaan van een tarief van € 500,- per half jaar. Het totaal van de overschrijding wordt daarbij naar boven afgerond. De rechtbank zal daarom het college, met toepassing van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.500,- aan eiser, als vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

13. Omdat de rechtbank de verzochte schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn toekent, is er aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken. De rechtbank volgt daarin het uitgangspunt van de Hoge Raad in het arrest van 10 november 2023 om voor het indienen van het verzoek 1 punt toe te kennen met wegingsfactor 0,25. In beroep heeft 1 punt een waarde van € 934,-. In totaal wordt er dus een bedrag van € 233,50 (0,25 x € 934,-) aan proceskosten toegekend.

14. Voor de vergoeding van het griffierecht sluit de rechtbank aan bij het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024. Nu het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan na de datum van dit arrest (op 15 augustus 2025), zal de rechtbank niet opdragen om het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

- veroordeelt het college tot betaling van € 3.500,- aan schadevergoeding aan eiser;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 233,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?