ECLI:NL:RBMNE:2026:1197

ECLI:NL:RBMNE:2026:1197

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer C/16/607625 / KG ZA 26-98
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Gedaagde weigert eisers nog langer als belangenbehartiger van slachtoffers van letselschade, omdat eisers volgens gedaagden onvoldoende betrouwbaar zijn. Gedaagde heeft eisers om deze reden geregistreerd in diverse registers en gemeld bij het Centrum voor Bestrijding Verzekeringscriminaliteit en het Nivre. Eisers vorderen in deze procedure opheffing van de jegens haar getroffen maatregelen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/607625 / KG ZA 26-98

Vonnis in kort geding van 24 maart 2026

in de zaak van

1. TRIAS LEGAL B.V.,

gevestigd in Rotterdam,2. FIDES LETSELSCHADE B.V.,

gevestigd in Breda,3. FIDES LEGAL B.V.,

gevestigd in Breda,4. [eisende partij sub 4],

wonend in [woonplaats] ,5. [eisende partij sub 5],

wonend in [woonplaats] ,

eisende partijen,

advocaat: mr. M.P. Dol,

tegen

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde partij,

advocaat: mr. P. Oskam

Eisende partijen 1, 2 en 3 worden hierna tezamen (in vrouwelijk enkelvoud) aangeduid als Trias c.s. Eisende partij 4 wordt hierna aangeduid als [eisende partij sub 4] . Eisende partij 5 wordt hierna aangeduid als [eisende partij sub 5] . Gedaagde partij zal hierna worden aangeduid als ASR.

1. De procedure

De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:

- de dagvaarding met productie 1 t/m 150,

- de conclusie van antwoord met productie 1 t/m 33,

Op 10 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Partijen hebben hun standpunten aan de hand van spreekaantekeningen toegelicht en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.

Tot slot is vonnis bepaald.

2. De kern van de zaak

ASR weigert Trias c.s. nog langer als belangenbehartiger van slachtoffers van letselschade, omdat Trias c.s. volgens ASR onvoldoende betrouwbaar is. ASR heeft Trias c.s. en [eisende partij sub 4] om deze reden geregistreerd in diverse registers en gemeld bij het Centrum voor Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (CBV) en het Nivre. Eisers vorderen in deze procedure opheffing van de jegens haar getroffen maatregelen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.

3. De achtergrond van het geschil

Trias c.s. houdt zich bezig met belangenbehartiging van slachtoffers van letselschade. [eisende partij sub 4] is de bestuurder van Trias Legal B.V. en Fides Letselschade B.V. [eisende partij sub 5] is de bestuurder van Fides Letselschade B.V. en Fides Legal B.V.

ASR heeft sinds 2022 in tientallen dossiers van Trias c.s. structurele tekortkomingen vastgesteld, waaronder het niet melden van opeenvolgende ongevallen, het achterhouden en ontbreken van voor de schadeafwikkeling essentiële (medische) informatie, het dubbel claimen van schadeposten, het onjuist of onvolledig informeren van benadeelden en het declareren van buitengerechtelijke kosten (bgk) zonder specificatie waardoor de kosten niet op redelijkheid beoordeeld kunnen worden en het gijzelen van dossiers als de bgk niet betaald wordt. Bij brief van 4 april 2025 heeft ASR de geconstateerde misstanden aan Trias c.s. voorgehouden en het voornemen kenbaar gemaakt om de samenwerking te beëindigen omdat Trias c.s. een werkwijze hanteert die niet bij past bij wat van een zorgvuldig belangenbehartiger mag worden verwacht. Alvorens hier definitief op besloten zou worden, werd Trias c.s. in de gelegenheid gesteld te reageren. In haar brief van 1 mei 2025 heeft Trias c.s. getracht opheldering en tegenwicht te geven aan hetgeen door ASR werd voorgehouden. Daarnaast sprak zij de wens uit tot het maken van gezamenlijke werkafspraken, met name ten aanzien van de bgk. Op 4 juli 2025 reageerde ASR dat de reactie van Trias c.s. ASR er niet van overtuigt dat de door Trias c.s. gehanteerde werkwijze voldoet aan de daaraan te stellen eisen en professionele standaarden. Trias c.s. is opnieuw in de gelegenheid te reageren waarna ASR een gesprek op haar kantoor voorstelt. Het gesprek vond plaats op 20 november 2025. Tijdens dit gesprek werd door eisers een proefperiode voorgesteld om beide partijen in de gelegenheid te stellen beterschap te tonen. In dat kader werd door ASR eerst om een verbeterplan verzocht aan de hand waarvan zij zich zou beraden over de vraag of een proefperiode aan de orde kon zijn. Het verbeterplan van Trias c.s. werd op 27 november 2025 aan ASR gezonden.

ASR reageerde op 29 januari 2026 dat zij onvoldoende vertrouwen heeft in de professionaliteit, integriteit en zorgvuldigheid van Trias c.s. Het verbeterplan bood volgens ASR onvoldoende waarborg voor een kwaliteitsverbetering. Het verbeterplan was onvoldoende concreet en ASR miste zelfinzicht en reflectie van Trias c.s. op het eigen handelen. Er werd door ASR geen intrinsieke motivatie bij Trias gezien voor de nodige veranderprocessen. Dit resulteerde bij ASR in een dermate groot gebrek aan vertrouwen in Trias c.s. dat ASR op 29 januari 2026 heeft besloten om Trias c.s. niet langer als belangenbehartiger van slachtoffers van letselschade te accepteren. Dit enerzijds ter bescherming van een integere schadeafwikkeling en anderzijds ter voorkoming van verdere benadeling van de slachtoffers. Volgens ASR was er sprake van opzettelijke misleiding vanwege het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie, en het indienen of in stand laten van onrechtmatige schadeclaims. Dit met het doel om ASR te bewegen uitkeringen te doen waar geen recht op bestaat. Deze onoorbare gedragingen vormen volgens ASR een bedreiging voor de financiële belangen van benadeelden en van financiële instellingen. In het kader hiervan zag ASR zich genoodzaakt Trias c.s., [eisende partij sub 4] en [eisende partij sub 5] voor de duur van acht jaren te registeren in haar Gebeurtenissenadministratie en het Intern Verwijzingsregister (IVR). Daarnaast heeft ASR Trias c.s. en [eisende partij sub 4] geregistreerd in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister (EVR) voor de duur van vijf jaren en heeft ASR hiervan een melding gedaan bij het CBV en het Nivre.

Sinds ASR heeft aangekondigd niet langer met Trias c.s. te willen samenwerken liggen de reeds lopende zaken stil. De registraties en de meldingen brengen voor Trias c.s. tevens met zich mee dat een groot deel van haar omzet is weggevallen, omdat ook andere verzekeraars geen zaken meer met Trias c.s. willen doen. Hierdoor komt het voortbestaan van Trias c.s. in gevaar. Een deel van haar personeel heeft het dienstverband inmiddels opgezegd omdat zij door de reputatieschade niet langer aan Trias c.s. verbonden willen zijn. Trias c.s. bestrijdt dat zij onbetrouwbaar is en vordert de opheffing van de getroffen maatregelen en meldingen en vordert daarnaast de plaatsing van een rectificatie op de digitale startpagina van ASR.

4. De beoordeling

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of eisers ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.

Eisers hebben een spoedeisend belang bij haar vorderingen

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang van Trias c.s. Trias c.s. heeft in dit verband aangevoerd dat zij sinds 29 januari 2026 op de rand van faillissement balanceert. ASR heeft het spoedeisend belang niet betwist. Tijdens de zitting is door Trias c.s. nader toegelicht dat de door ASR getroffen maatregelen vergaande gevolgen heeft voor het voortbestaan van Trias c.s. Daarmee is het spoedeisend belang voldoende gegeven.

Verwevenheid tussen de drie B.V.’s

De door ASR gestelde misstanden hebben betrekking op dossiers van Trias Legal B.V., Fides Letselschade B.V. en Fides Legal B.V.. Volgens ASR is er tussen de drie onderneming sprake van structurele en materiële verwevenheid. Dit is zichtbaar in de entiteitsoverschrijdende dossierbehandeling, gedeelde toegang tot vertrouwelijke informatie, identieke externe presentatie en gecentraliseerde aansturing. Vanwege de afwezigheid van onafhankelijkheid, transparantie en zorgvuldige bedrijfsvoering rekent ASR de misstanden van de ene B.V. ook toe aan de andere B.V.

Trias c.s. betwist dat zij feitelijk als één organisatie opereert. Het betreffen juridisch zelfstandige rechtspersonen met alle drie een eigen management, eigen werknemers, eigen klanten en eigen bankrekeningen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er tussen Trias Legal B.V., Fides Letselschade B.V. en Fides Legal B.V. sprake is van een dermate grote organisatorische verwevenheid dat deze ondernemingen in dit vonnis als één beoordeeld zullen worden. De verwevenheid blijkt onder andere uit het feit dat [eisende partij sub 4] en [eisende partij sub 5] beiden bestuurders zijn van Fides Letselschade B.V. en dat [eisende partij sub 4] betrokken is bij alle drie de B.V.’s. Daarnaast wordt er door zowel Fides Legal B.V. als Trias Legal B.V. inhoudelijk gecorrespondeerd in dezelfde dossiers. Ook blijkt uit de specificatie bij een bgk-nota dat verschillende medewerkers van de drie B.V.’s werkzaamheden in het dossier hebben verricht. Van een administratieve gescheidenheid – zoals door Trias c.s. wordt gesteld - is derhalve niet gebleken.

ASR hoeft de samenwerking met Trias c.s. niet voort te zetten

In de eerste plaats ligt de vraag voor of ASR de samenwerking met Trias c.s. mag beëindigen. De voorzieningenrechter oordeelt dat dit het geval is en licht dit oordeel hierna toe.

Uit het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2024 volgt dat een verzekeraar een belangenbehartiger mag weigeren indien daarvoor goede redenen bestaan. Daar zal met name sprake zijn als er gegronde redenen zijn om te vrezen dat het schaderegelingsproces met de benadeelde vanwege de belangenbehartiger niet goed zal verlopen of onnodige vertraging zal oplopen. Daarvan zal met name sprake zijn als de belangenbehartiger er blijk van heeft gegeven:

niet (voldoende) betrouwbaar te zijn, bijvoorbeeld door onjuiste informatie te verstrekken, en/of

klaarblijkelijk niet te beschikken over de kennis en ervaring die noodzakelijk is voor het adequaat begeleiden van de benadeelde in het schaderegelingsproces, en/of

onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten in rekening te brengen.

ASR heeft haar beslissing om niet langer met Trias c.s. samen te werken gebaseerd op de controle van een tiental dossiers sinds 2022. De bevindingen van ASR betreffen onder andere het volgende:

Dossier [nummer]

In dit dossier was de cliënt betrokken bij twee ongevallen. Op 24 mei 2022 vond het eerste ongeval plaats, waarvoor Unigarant aansprakelijk was. Op 14 juli 2022 vond het tweede ongeval plaats waarvoor ASR aansprakelijk was. In beide dossiers trad Trias Legal B.V. op als belangenbehartiger. Van het tweede ongeval werd geen melding gemaakt aan Unigarant, terwijl het eerste dossier nog liep en uiteindelijk op 28 juli 2022 werd afgewikkeld. Bij de regeling met Unigarant werd gesteld dat cliënt nog klachten had, terwijl bij aan ASR werd verklaard dat cliënt klachtenvrij was voor het ongeval.

Bij de regeling van het dossier met Unigarant heeft Trias c.s. zowel de cliënt als de verzekeraar onjuiste informatie verstrekt. Op 25 juli 2022 heeft Trias Legal B.V. aan cliënt weten dat Unigarant een slotbetaling van €1.000,- voorstelt. De cliënt heeft met dit voorstel ingestemd: Trias Legal B.V. heeft op 26 juli 2022 aan cliënt geschreven dat de verzekeraar is geïnformeerd dat hij akkoord gaat met de voorgestelde vergoeding. Vervolgens is richting Unigarant ten onrechte gecommuniceerd dat cliënt niet akkoord zou zijn met € 1.000,- en werd een tegenvoorstel van € 1.500,- gedaan. Unigarant heeft hiermee ingesteld en dit bedrag uitbetaald. Trias c.s. schrijft op 1 augustus 2022 aan cliënt dat het in de laatste onderhandelingen is gelukt de slotbetaling te verhogen tot € 1.500,-.

Dossier [nummer]

In dit dossier noteerde Trias c.s. op de schadestaat dat cliënt gedurende vier maanden wekelijks onder behandeling stond van een fysiotherapeut. Uit de later ontvangen informatie van de fysiotherapeut bleek dat cliënt in een periode van zeven weken vijf behandelingen heeft gehad, met name vanwege stijfheidsklachten die voor ongeval al aanwezig waren. Deze relevante medische voorgeschiedenis werd door Trias c.s. niet vooraf aan ASR gemeld en ook niet bij toezending van de informatie, terwijl deze wel bij Trias c.s. bekend was zo bleek later uit het formulier dat cliënt bij aanvang van de belangenbehartiging door Trias c.s. had ingevuld.

Dossier [nummer]

In dit dossier werd een bedrag van € 18.500,- aan studievertraging geclaimd omdat de cliënt wegens het ongeval zijn opleiding per 31 juli 2022 heeft moeten staken. Uit de bijgevoegde onderwijsovereenkomst bleek echter dat de uitschrijfdatum voor de opleiding bij aanvang al was bepaald op 31 juli 2022 en uit resultatenlijst bleek dat de cliënt de opleiding met goed gevolg heeft afgelegd.

In dit dossier ontving ASR tevens een veelvoud aan ongestructureerde onderbouwing waarin na controle veel dubbelen bleken te zitten. Zo ontving ASR 65 nota’s van de fysiotherapeut terwijl het uiteindelijk om maar negen unieke nota’s bleek te gaan.

Dossier [nummer]

Uit dit dossier blijkt dat Trias c.s. het volledige eigen risico aan zorgkosten op de schadestaat heeft genoteerd, terwijl uit het bij de schadestaat gevoegde overzicht van de zorgverzekeraar blijkt dat deze cliënt voor het ongeval al een deel van zijn eigen risico had opgesoupeerd.

Dit zijn slechts vier van de door ASR genoemde rond de dertig dossiers. Trias c.s. erkent dat er in bovengenoemde zaken sprake is van onoplettendheid en slordigheden maar stelt dat van opzet geen sprake is. De onjuiste onderbouwing werd uiteindelijk telkens gedeeld met ASR en zij heeft daardoor zelf kunnen achterhalen welke zaken niet klopten. Ook wijt Trias c.s. veel onregelmatigheden aan liegende of slecht bereikbare cliënten en aan het werk van eerdere belangenbehartigers. Trias c.s. voert aan te mogen vertrouwen op wat haar cliënten mededelen en hier in hoge mate afhankelijk van te zijn. De voorzieningenrechter gaat hier niet in mee. Het is juist de rol van de belangenbehartiger om relevante feiten bij cliënten goed uit te vragen, de feiten te controleren en de cliënten te vragen om een onderbouwing en bij nieuwe informatie dit door te geven en door te voeren in de claim. Dat zij hier niet toe in staat is gebleken maakt haar onbetrouwbaar en geeft er blijk van dat zij niet beschikken over de kennis en de ervaring die noodzakelijk is voor het adequaat begeleiden van benadeelden. Hiermee wil de voorzieningenrechter niet zeggen dat er bij de afhandeling van letselschadedossiers geen enkele slordigheid of menselijke fout kan plaatsvinden, maar de bedrijfsvoering moet zo ingericht zijn (en daadwerkelijk uitgevoerd worden) dat deze tot een minimum beperkt worden. Hiervan kan niet gesproken worden gelet op de omvang en de frequentie van de slordigheden en fouten. Temeer niet nu Trias c.s. zelf stelde met een ‘vierogen-principe’ te werken hetgeen in zou houden dat alle handelingen dubbel gecontroleerd worden en mogelijke foutjes er zo uit worden gefilterd. De voorzieningenrechter is het met ASR eens dat door Trias c.s. niet de werkwijze en zorgvuldigheid in acht is genomen die van een belangenbehartiger verwacht mag worden. Het verbeterplan is zo algemeen geformuleerd en bevat zodanige evidenties, zoals bijvoorbeeld het uitvragen van de medische voorgeschiedenis, zonder dat daaruit volgt welke concrete maatregelen in de organisaties worden doorgevoerd om herhaling te voorkomen, dat ASR daaraan begrijpelijkerwijs geen voldoende basis heeft gezien voor vertrouwen en toekomstige samenwerking.

Trias c.s. voert verder aan dat alle verwijten die in deze procedure naar voren worden gebracht slechts administratieve aspecten betreffen. Volgens Trias c.s. komt de meerwaarde van een belangenbehartiger niet zozeer tot uiting in het verzamelen van informatie, maar meer in het juristenwerk. Daar is de voorzieningenrechter het niet mee eens. Bij een concrete schadeafhandeling - zoals deze in de huidige letselschadepraktijk geldt - draait het voornamelijk om (de juistheid van) de feiten. Dat het niet uitmaakt of de gedeelde informatie vooraf correct is omdat dit later gecorrigeerd kan worden door middel van de juiste onderbouwing, gaat dan niet op. Het is juist de taak van de belangenbehartiger om te controleren of de informatie van de cliënt klopt zodat tijd en geld bespaard worden. Indien de informatie van de cliënt nog niet verifieerbaar is omdat de bijbehorende onderbouwing nog ontbreekt dan moet dit er expliciet bij vermeld worden, al dan niet door het noteren van een ‘pm’-post. Wanneer een belangenbehartiger dit niet doet dan vraagt de controle of correctie veel extra tijd en aandacht van de verzekeraar. Dit wringt des te meer omdat de verzekeraar dan de werkzaamheden moet verrichten waarvoor zij juist de belangenbehartiger een vergoeding betaalt conform artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek. Het is juist de bedoeling dat de inmenging van een belangenbehartiger de schadeafwikkeling efficiënter en effectiever maakt. Zoals door ASR terecht wordt opgemerkt is er steeds meer aandacht voor de bescherming van de benadeelden tegen ondeskundige belangenbehartigers, het belang van de maatschappij hierbij en de poortwachtersfunctie hierin van de verzekeraar.

De hierboven aangehaalde omissies leiden op zichzelf al tot het oordeel dat Trias c.s. onvoldoende betrouwbaar is en klaarblijkelijk niet beschikt over de kennis en ervaring die noodzakelijk is voor het adequaat begeleiden van de benadeelde in het schaderegelingsproces. ASR mag op grond hiervan de samenwerking beëindigen. Hierdoor behoeven de andere in deze procedure gestelde en weersproken misstanden geen verdere bespreking.

Omdat de samenwerking niet hervat zal worden heeft Trias c.s. geen belang meer bij haar vordering om ASR te verbieden om bij voortzetten van de samenwerking jegens de huidige werknemers van Trias c.s. te rekenen met maximumtarieven van € 50,00 en € 80,00 met een beroep op haar bgk-beleid en de jurisprudentie, en zich in verband met de het beleid jegens Trias rekenschap te geven van de meer gelijkende, recenter en hogere rechtspraak waarin het kwam tot tarieven van € 120,00 en € 150,00.

De registratie van Trias c.s. in de Gebeurtenissenadministratie en het IVR worden in stand gelaten

Het IVR is gekoppeld aan de Gebeurtenissenadministratie. Deze registers vormen het interne waarschuwingssysteem van een financiële instelling en de groep financiële ondernemingen waarvan zij deel uitmaakt. Anders financiële instellingen kunnen de registratie niet bekijken. Bij deze registraties gaat het om gebeurtenissen die aandacht behoeven vanwege een (mogelijk) effect op de veiligheid en integriteit van de bedrijfsvoering, werknemers, klanten, overige relaties en de verzekeringsbranche. Het gaat daarbij onder andere om (een vermoeden van) fraude of ander laakbaar of onrechtmatig gedrag (artikel 10 Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars).

De voorzieningenrechter overweegt dat de interne registraties gerechtvaardigd zijn nu uit randnummers 4.8 tot en met 4.10 volgt dat Trias c.s. onvoldoende betrouwbaar is. Dit heeft tot gevolg dat zij met haar laakbare handelswijze een risico vormt ten aanzien van de veiligheid en integriteit van ASR. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden voor registratie in het Gebeurtenissenadministratie en het IVR.

De registratie van Trias c.s. in het Incidentenregister en het EVR worden in stand gelaten

Het EVR is gekoppeld aan het Incidentenregister. Deze registers vormen het externe waarschuwingssysteem van financiële instellingen. Het Incidentenregister is raadpleegbaar voor medewerkers van de afdeling Veiligheidszaken van ASR en de gegevens kunnen gebruikt worden om te bepalen welk risico het met zich brengt als iemand die geregistreerd staat een product of dienst aanvraagt bij ASR of een van haar dochterondernemingen of als diegene bij ASR wil werken. De gegevens in het Incidentenregister kunnen onder voorwaarden ook gedeeld worden met de afdeling Veiligheidszaken van andere financiële instellingen of met de fraudeloketten van de branchevereniging ten behoeve van het beschermen van de veiligheid en integriteit van de financiële sector.

Een externe registratie moet worden getoetst aan het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (hierna: het PIFI). In artikel 5.2.1 van het PIFI staat:

“De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.

De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële Instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële Instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.

In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachte wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.

Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen.”

Uit de Annex bij het PIFI (pagina 44 en 45) is af te leiden dat onder a en b vermelde criteria niet alleen fraude of strafbare gedragingen betreffen, maar ook andere onoorbare gedragingen. Voorwaarde is wel dat de gedraging voldoende vast staat.

De voorzieningenrechter overweegt dat de onder randnummers 4.8 tot en met 4.10 beschreven onoorbare handelswijze van Trias c.s. voldoende vast is komen te staan door middel van de bijgevoegde producties. De onoorbare handelswijze vormt een bedreiging voor de financiële belangen van ASR, alsmede de integriteit en continuïteit van de financiële sector doordat Trias c.s. ten onrechte te hoge claims instelt, haar rol als belangenbehartiger onvoldoende inhoud geeft en de handelswijze daarmee kostenverhogend werkt. Ten aanzien van het proportionaliteitsbeginsel heeft ASR aangevoerd dat zij na een proportionaliteits- en belangenafweging heeft besloten de duur van de registratie in het EVR te matigen van acht naar vijf jaar. Volgens ASR is er sprake van opzettelijke misleiding door het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie en het indienen of laten voortbestaan van naar haar oordeel onrechtmatige claims. Een en ander raakt aan de kern van de professionele integriteit die van een belangenbehartiger mag worden verwacht. Deze gedragingen vertonen een structureel karakter. ASR heeft meegewogen dat haar eerdere waarschuwingen geen effect hadden, dat bij Trias c.s. een gebrek aan zelfreflectie en intrinsieke verbeterbereidheid bestaat en dat de verwevenheid tussen de drie betrokken rechtspersonen de ernst van de situatie versterkt. Daarnaast voert ASR in dit verband aan dat het financiële belang en de door haar gestelde risico’s voor letselschadeslachtoffers, verzekeraars en de integriteit van de branche zwaarder wegen dan de voor Trias c.s. nadelige consequenties van registratie. De voorzieningenrechter volgt ASR hierin grotendeels. Van opzettelijke misleiding is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken. Er is meer sprake van een opeenstapeling van ontoelaatbare slordigheden hetgeen eveneens tot de kern moet worden gerekend van de professionele integriteit die van een belangenbehartiger mag worden verwacht. Wel is de voorzieningenrechter het met ASR eens dat is gebleken dat eerder waarschuwingen geen effect hadden nu tijdens de zitting is gebleken dat na de brief van 4 april 2025 er in ieder geval in twee dossier nog misstanden geconstateerd zijn. In het ene dossier betrof het niet melden van een tweede ongeval en in het andere dossier ging het om het “gijzelen” van een dossier om de bgk betaald te krijgen. De voorzieningenrechter concludeert dat ook aan het proportionaliteitsbeginsel is voldaan waardoor de registratie van Trias c.s. in het Incidentenregister en in het EVR rechtmatig zijn. Uit productie 33 bij conclusie van antwoord blijkt sprake te zijn van een termijn van acht jaar. Voor zover dat nog niet is gebeurd moet dit worden teruggebracht naar een termijn van vijf jaar.

De meldingen bij het CBV en het Nivre worden niet ingetrokken

ASR heeft zich als lid van het Verbond van Verzekeraars gecommitteerd aan het Protocol Verzekeraars en Criminaliteit. In artikel 4.6 van dit protocol staat dat incident- en/of fraudeonderzoeken structureel gemeld worden aan het CVB. De melding vloeit daarmee voort uit het registeren van Trias c.s. – zoals door ASR ook wordt gesteld - en de voorzieningenrechter laat deze meldingen in stand.

Gelet op het voorgaande is onvoldoende duidelijk geworden waarom een melding bij het Nivre door ASR niet rechtmatig zou zijn. De voorzieningenrechter wijst deze vordering daarom af.

Geen rectificatie

Uit het voorgaande volgt logischerwijs het oordeel dat de gevorderde rectificatie op de startpagina van ASR wordt afgewezen.

Eisers moeten de proceskosten betalen

Eisers zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ASR worden begroot op:

- griffierecht

735,00

- salaris advocaat

1.228,00

(€ 614 x 2 punten)

Totaal

1.963,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen af,

veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten van ASR van € 1.963,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Trias c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.

5346

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?