RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12102596 \ MV EXPL 26-22
Vonnis in kort geding van 18 maart 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. I. El Azzati,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 24 februari 2026;
de conclusie van antwoord.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. [eiser] is verschenen met haar gemachtigde. [gedaagde] is verschenen met een tolk. Beide partijen ( [eiser] aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen) hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
Ten slotte is vonnis nader bepaald op vandaag.
2. De kern van de zaak
[eiser] vordert in kort geding ontruiming van een kamer in haar appartement die door [gedaagde] wordt gehuurd. Volgens [eiser] gaat het om hospitaverhuur die rechtsgeldig is beëindigd. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft aangetoond dat zij haar hoofdverblijf heeft in het appartement. Van hospitaverhuur is daarom niet gebleken. Ook heeft [eiser] onvoldoende aangetoond dat sprake is van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd. De gevorderde ontruiming wordt afgewezen.
3. De beoordeling
Spoedeisend belang
In een kort geding moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang. De kantonrechter is van oordeel dat dit voldoende volgt uit de aard van de vordering omdat het gaat om de ontruiming van een kamer van een appartement waarin [gedaagde] – volgens [eiser] zonder recht of titel – verblijft.
Geen ontruiming in kort geding
[eiser] vordert ontruiming van de woonruimte. Toewijzing van de ontruiming in kort geding heeft het verstrekkende (en in de praktijk vaak onomkeerbare) gevolg dat de huurder zijn woonruimte verliest. Daarom is vereist dat het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat de bodemrechter zal oordelen dat de huurovereenkomst is geëindigd of de huurovereenkomst zal ontbinden en de ontruiming eveneens zal toewijzen in een bodemprocedure. De kantonrechter is van oordeel dat dit onvoldoende aannemelijk is geworden.
Geen hospitaverhuur
Beoordeeld moet worden of sprake is van hospitaverhuur, zoals door [eiser] wordt gesteld en door [gedaagde] wordt betwist. Artikel 7:232 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat bij hospitaverhuur een aantal huurbeschermingsbepalingen niet van toepassing zijn. Een voorwaarde van hospitaverhuur is dat de verhuurder zijn hoofdverblijf heeft in de woning.
Volgens [gedaagde] woont [eiser] feitelijk niet in het appartement: zij woont met haar gezin in een woning in [plaats 2] , lijkt het er op dat zij daar ook staat ingeschreven in de BRP en heeft zij haar belangencentrum dus elders. [gedaagde] heeft dit ook onderbouwd met stukken. Zo heeft hij een logboek overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat [eiser] slechts sporadisch in het appartement is.
Het had – zeker gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] – op de weg van [eiser] gelegen om aan te tonen dat zij haar hoofdverblijf in het appartement heeft. [eiser] heeft echter geen stukken overgelegd op grond waarvan dit kan worden vastgesteld.
Uit [eiser] ’s eigen verklaringen volgt juist dat zij grotendeels woont in de woning in [plaats 2] (waarvan zij 7/10 eigenaar is). Zij woont samen met haar gezin in [plaats 2] en haar kinderen gaan ook naar school in [plaats 2] . Dat [eiser] vanaf september 2025 bezig is met een echtscheiding, kan haar (daargelaten dat dit niet is onderbouwd) niet baten, omdat daarmee niet is aangetoond dat zij haar hoofdverblijf heeft in het appartement. Bovendien was de huurovereenkomst al gesloten op 20 mei 2025. Ook af en toe overnachten in het appartement in [plaats 1] is onvoldoende om aan te nemen dat [eiser] daar haar hoofdverblijf heeft.
In het kader van dit kort geding, waarin geen nadere bewijslevering is toegestaan, kan dus niet worden vastgesteld dat sprake is van hospitaverhuur.
Huurovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd
Verder stelt [eiser] dat sprake is van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd, maar ook in dit standpunt kan zij niet worden gevolgd. Weliswaar staat in de kop van de huurovereenkomst “lease for definite term,” maar in de rest van de huurovereenkomst staat dat de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is overeengekomen (zie bijvoorbeeld op pagina 1 onder c, d, e en pagina 2 onder 1.5 sub a). Ook de stelling van [eiser] dat uit 1.5 sub b volgt dat de huurovereenkomst loopt tot en met 30 november 2025, klopt niet. Daar staat namelijk enkel dat partijen vóór die datum de huurovereenkomst niet mogen beëindigen, maar dat maakt niet dat er sprake is van een overeenkomst voor bepaalde tijd. Dat alleen een beëindigingsverbod tot en met 30 november 2025 is overeengekomen staat ook expliciet op pagina 1 onder j en f (“the parties wish to agree a date before which neither party may terminate the lease). Er dient dan ook te worden uitgegaan van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Voor de opzegging van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd gelden wettelijke vereisten en regels die moeten worden gevolgd. [eiser] heeft in dit verband onvoldoende gesteld dat hieraan is voldaan.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat [eiser] onvoldoende heeft aangetoond dat [gedaagde] zonder recht of titel in het gehuurde verblijft. In dit kort geding kunnen de hiervoor genoemde omstandigheden niet nader worden onderzocht. De kantonrechter kan daarom niet met voldoende zekerheid op voorhand oordelen dat de bodemrechter een vordering tot ontruiming zal toewijzen. Bovendien is onvoldoende gebleken dat het van [eiser] niet kan worden gevergd om de uitkomst van de bodemprocedure af te wachten.
De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] met betrekking tot de ontruiming – in het kader van deze kortgedingprocedure – vooralsnog moeten worden afgewezen. Deze conclusie betekent ook dat de door haar gevorderde gebruiksvergoeding moet worden afgewezen.
Proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden ambtshalve begroot op een forfaitair bedrag van € 50,00 aan reis-, verblijf- en/of verletkosten (artikel 238 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), aangezien hij op de zitting is verschenen. De nakosten worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Verder heeft [gedaagde] zich niet laten bijstaan door een professioneel gemachtigde en is gesteld noch gebleken van andere kosten waarvoor de wet een vergoeding toekent.
4. De beslissing
De kantonrechter, rechtdoende in kort geding
wijst de vorderingen van [eiser] af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] ook de kosten van betekening betalen;
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
1298