ECLI:NL:RBMNE:2026:1297

ECLI:NL:RBMNE:2026:1297

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 01-04-2026
Datum publicatie 01-04-2026
Zaaknummer 16/076064-25; 16/193854-25 (t.t.z. gevoegd); 16-276678-25 (t.t.z. gevoegd); 16/354599-24 (vord. tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Vrijspraak van verkrachting, mishandeling en ophitsen van hond. Bewezenverklaring van vijftal misdrijven: drie diefstallen, een vernieling en niet voldoen aan een bevel. Tevens bewezenverklaring van overtreding: zijn hond niet terughouden, terwijl het een mens aanviel. Strafoplegging t.a.v. misdrijven: gevangenisstraf 5 maanden met aftrek. Strafoplegging t.a.v. overtreding: taakstraf 20 uren subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis. Benadeelde partij niet-ontvankelijk en tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straf.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16/076064-25; 16/193854-25 (t.t.z. gevoegd); 16-276678-25 (t.t.z. gevoegd); 16/354599-24 (vord. tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 1 april 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1989] in [geboorteplaats] ,

wonende op het adres [adres] in [woonplaats] ,

thans gedetineerd in de [verblijfplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 18 maart 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

onder parketnummer 16/076064-25

feit 1

op 10 en/of 11 maart 2025 in Almere meerdere seksuele handelingen heeft verricht met [aangeefster] , waaronder het seksueel binnendringen van haar lichaam, terwijl hij wist dat zij dit niet wilde, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging;

feit 2

op 10 en/of 11 maart 2025 in Almere een mobiele telefoon van [aangeefster] heeft gestolen;

onder parketnummer 16/193854-25

feit 1

op 19 juni 2025 in Almere [slachtoffer ] heeft mishandeld door hem op zijn hoofd te slaan en hem te laten bijten door zijn (verdachtes) hond;

feit 2

op 19 juni 2025 in Almere zijn hond/rottweiler niet heeft teruggehouden, terwijl het een mens aanviel;

feit 3

op 19 juni 2025 in Almere een ruit van Leger des Heils (locatie [adres] ) heeft vernield;

feit 4

op 19 juni 2025 in Almere opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel tot het meewerken aan de afgifte van wangslijm en/of ademlucht;

onder parketnummer 16/276678-25

feit 1

op 13 oktober 2025 in Almere een sixpack bier van Albert Heijn heeft gestolen;

feit 2

op 16 oktober 2025 in Almere een beeldje, schoenen en/of drinken van [benadeelde] heeft gestolen.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

Standpunt van de verdediging

De advocaat refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de twee diefstallen onder parketnummer 16/276678-25, de vernieling van de ruit onder parketnummer 16/193854-25 en het niet meewerken aan de afgifte van wangslijm en ademlucht onder parketnummer 16/193854-25.

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de overige feiten.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak t.a.v. 16/076064-25 feit 1

De rechtbank oordeelt dat feit 1, verkrachting, niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank overweegt dat aangeefster op verschillende punten wisselend heeft verklaard. Daarnaast heeft de verdachte een alternatief scenario geschetst dat, in het bijzonder gelet op uitslag van het DNA-onderzoek, niet kan worden uitgesloten. De rechtbank heeft op basis hiervan te veel twijfel om tot de overtuiging te komen dat sprake was van seksueel binnendringen.

Vrijspraak t.a.v. 16/193854-25 feit 1

De rechtbank oordeelt dat feit 1, de mishandeling op 19 juni 2025, niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank stelt vast dat de verklaring van aangever en die van getuige [getuige 1] elkaar tegenspreken ten aanzien van de ten laste gelegde geweldshandelingen door de verdachte en de plek op het lichaam van de aangever waar hij door de hond zou zijn gebeten. Op basis van de foto van de zichtbare verwonding op het been van de aangever is verder naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat dit letsel is ontstaan door een hondenbeet. De rechtbank concludeert op basis van al het voorgaande dat zij niet de overtuiging heeft dat de verdachte de aangever heeft mishandeld en evenmin dat hij zijn hond heeft opgehitst om de aangever te bijten.

Bewijsmiddelen t.a.v. 16/076064-25 feit 2

De rechtbank oordeelt dat feit 2, diefstal van een mobiele telefoon, is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de navolgende bewijsmiddelen.

In het proces-verbaal van bevindingen van 11 maart 2025, genummerd PL0900-2025076916-3, is onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, geverbaliseerd:

Op 11 maart 2025 kwamen wij ter plaatse bij [aangeefster] . Ik hoorde dat het slachtoffer het volgende tegen mij zei: "ik was gisterenavond onderweg naar huis”. Ik hoorde dat de vrouw zei dat zij de man meenam naar haar appartement. Ik hoorde dat de vrouw zei dat de man haar mobiele telefoon gestolen had. Ik hoorde dat de vrouw zei dat haar telefoonnummer [telefoonnummer] is. Ik hoorde dat het merk van de telefoon Samsung was.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 18 maart 2026 onder meer het volgende verklaard:

Het klopt dat ik op 10 maart 2025 bij aangeefster thuis ben geweest.

In het proces-verbaal van bevindingen van 13 maart 2025, genummerd MDRBC25017-38, is onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, geverbaliseerd:

Uit het tap-onderzoek komt naar voren dat telefoonnummer [telefoonnummer] gebruik maakt van

IMEInummer [IMEI nummer] . Wij bevonden ons bij [winkel] , [adres] te [plaats] . Door de medewerker werd aangegeven dat er op 11 maart 2025 te 16:01 uur een telefoon is gekocht van: [getuige 2] , geboren op [1995] . De telefoon betreft een groene Samsung A54, voorzien van IMEInummer [IMEI nummer] .

In het proces-verbaal van verhoor verdachte van 21 maart 2025, genummerd PL0900-2025087101-2, blijkt dat [getuige 2] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft verklaard:

A: Ik was bij Leger des Heils. [bijnaam verdachte] vroeg mij of ik een telefoon weg kon doen. Toen ben ik die telefoon gaan inleveren. Het was een Samsung. Ik weet alleen dat hij [bijnaam verdachte] heet. Ik weet dat hij een Rottweiler achtige hond heeft. Hij woont in Danswijk. V: Hoe oud is [bijnaam verdachte] ? A: Tussen de 30 en 40. V: Je noemt hem [bijnaam verdachte] , is hij lang? A: Ik ben 1.84, ik denk dat hij twee meter is. V: Je zei een Samsung A? A: Een Samsung A.

Getuige [getuige 2] heeft ter terechtzitting van 18 maart 2026 onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, verklaard:

Ik herken de hier aanwezige verdachte als iemand die op 11 maart 2025 deel uitmaakte van een groepje van vijf personen, waaruit één iemand mij de desbetreffende telefoon gaf.

In het proces-verbaal van bevindingen van 21 maart 2025, genummerd PL0900-2025087101-8, is onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, geverbaliseerd:

Ik ben wijkagent van het centrum van Almere. Vanuit mijn rol ben ik zeer bekend met [verdachte] . Het is mij ambtshalve bekend dat [verdachte] geregeld bij de hangplek achter het Leger des Heils komt en op straat de bijnaam [bijnaam verdachte] heeft. Ik weet dat mensen hem zo noemen omdat hij ruim boven de twee meter lang is. Het is mij ambtshalve bekend dat [verdachte] in de Danswijk woont en in het bezit is van een grote bruin zwarte Rottweiler hond.

Bewijsoverweging

De rechtbank overweegt dat de verdachte bij aangeefster thuis is geweest. Aangeefster stelt dat haar telefoon door de verdachte is meegenomen toen hij weer wegging. Uit het dossier blijkt dat de telefoon uiteindelijk door getuige [getuige 2] bij [winkel] is aangeboden. Deze getuige heeft verklaard dat hij de telefoon van iemand kreeg die [bijnaam verdachte] ’ heet, die een Rottweiler heeft en in Danswijk zou wonen. De getuige heeft de verdachte op zitting herkend als iemand die deel uitmaakte van de groep, waar tevens de persoon zich tussen bevond van wie hij de telefoon kreeg. Verder blijkt uit het dossier dat een wijkagent heeft bevestigd dat de verdachte op straat de bijnaam [bijnaam verdachte] draagt, hij inderdaad in Danswijk woont en een Rottweiler heeft.

De rechtbank concludeert dat het signalement dat de getuige heeft gegeven van de persoon, van wie hij de telefoon kreeg en die ‘ [bijnaam verdachte] ’ zou worden genoemd, overeenkomt met het signalement van de verdachte. Daarnaast heeft de wijkagent geverbaliseerd dat de bijnaam Lange voor de verdachte wordt gebruikt, dat hij inderdaad in Danswijk woont en een Rottweiler heeft.

Gelet op deze specifieke feiten en omstandigheden heeft de rechtbank de overtuiging dat de telefoon door verdachte is gestolen.

Bewijsmiddelen t.a.v. 16/193854-25 feit 2

In het proces-verbaal van aangifte van 19 juni 2025, genummerd 250619-637-990, heeft [slachtoffer ] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, verklaard:

Op 19 juni 2025 zat ik aan het Landvoogdpad te Almere. Aldaar zag ik dat een man kwam aanlopen en een zwarte Rottweiler bij zich had. Ik zag dat de hond niet aangelijnd was en de trap op kwam rennen. Uiteindelijk kom ik ten val en zag ik dat de hond mij probeerde aan te vallen. Ik keek naar de man en ik zag dat hij naar zijn hond keek en naar mij wees. Ik zag ook dat de man zijn mond bewoog. Ik zag dat de hond daardoor meerdere malen naar mij toekwam rennen. Hierdoor had ik het vermoeden dat de man tegen de hond had gezegd om mij te pakken.

In het proces-verbaal van verhoor getuige van 19 juni 2025, genummerd 250619-637-441, heeft [getuige 1] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, verklaard:

Op het Landvoogdpad ter hoogte van het Leger des Heils zag en hoorde ik dat er een woordenwisseling was tussen [slachtoffer ] en [verdachte] . Buddy is de naam van de hond van [verdachte] . Ik zag dat Buddy [slachtoffer ] greep. Ik zag dat [verdachte] niets deed om het te stoppen.

Bewijsoverweging

Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat er een woordenwisseling heeft plaatsgevonden tussen aangever [slachtoffer ] en de verdachte, waarna aangever werd aangevallen door de hond van de verdachte. Aangever heeft immers verklaard dat de hond achter hem aan kwam en hem probeerde aan te vallen. Dit wordt door getuige [getuige 1] bevestigd, die tevens heeft verklaard dat de verdachte vervolgens niets heeft gedaan om het te stoppen. Hieruit concludeert de rechtbank dat de verdachte zijn hond niet heeft teruggehouden, terwijl hij [slachtoffer ] aanviel. De rechtbank acht het feit daarom wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsmiddelen t.a.v. 16/193854-25 feit 3

De verdachte bekent dat hij de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 18 maart 2026;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 19 juni 2025, genummerd PL0900-2025203154-2, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, houdende een verklaring van [getuige 3] namens Leger des Heils (locatie [adres] te [plaats] ), pagina 38;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2025, genummerd 250619-637-728, opgemaakt door politie eenheid Midden-Nederland, pagina 15;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2025, genummerd 250619-637-893, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, pagina 21 en 22.

Bewijsmiddelen t.a.v. 16/193854-25 feit 4

De rechtbank oordeelt dat feit 4 is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:

In het proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2025, genummerd 250619-637-117, heeft verbalisant [verbalisant 1] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, geverbaliseerd:

Op 19 juni 2025 vroeg ik [verdachte] om mee te werken aan de ademtest en drugstest op basis van de wet middelengebruik. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat ik de test ergens mocht stoppen waar de zon niet schijnt. Ik hoorde dat brigadier en tevens senior gebiedsgebonden politie zei tegen [verdachte] dat hij de medewerking aan de ademtest en drugstest beveelde. Ik hoorde dat [verdachte] begon te schreeuwen.

In het proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2025, genummerd 250619-637-905, heeft verbalisant [verbalisant 2] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, geverbaliseerd:

Ik had op 19 juni 2025 de verdachte de vordering gedaan mee te werken aan een blaastest en afname van wangslijm in verband met artikel 8 Wet Middelengebruik. Ik hoorde verdachte [verdachte] zeggen dat hij daar niet aan meewerkt. Ik heb hem aangegeven dat dit een weigering oplevert.

Bewijsmiddelen 16-276678-25 feit 1 en 2

De verdachte bekent dat hij de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

feit 1

de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 18 maart 2026;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 16 oktober 2025, genummerd 251016-769-642, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, inhoudende de verklaring van [getuige 4] namens Albert Heijn (locatie [adres] te [plaats] ), pagina 8;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 16 oktober 2025, genummerd PL0900-2025352716-6, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, pagina 15 en 66 tot en met 73;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 16 oktober 2025, genummerd PL0900-2025352716-3, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, pagina 10;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 16 oktober 2025, genummerd PL0900-2025352716-5, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, pagina 12 en 13;

feit 2

de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 18 maart 2026;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 16 oktober 2025, genummerd PL0900-2025353035-2, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, inhoudende de verklaring van [benadeelde] , pagina 25, 26, 75 en 76;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 19 oktober 2025, genummerd PL0900-2025353035-10, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, pagina 38;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 18 oktober 2025, genummerd PL0900-2025353035-8, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, pagina 33;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 18 oktober 2025, genummerd PL0900-2025353035-9, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, pagina 35 en 36;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar van 16 oktober 2025, genummerd PL0900-2025353035-3, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, pagina 40;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar van 17 oktober 2025, genummerd PL0900-2025353035-4, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, pagina 43.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

in de zaak met parketnummer 16/076064-25

feit 2

op 11 maart 2025 te Almere een mobiele telefoon, die aan [aangeefster] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen;

in de zaak met parketnummer 16/193854-25

feit 2

op 19 juni 2025 te Almere een onder zijn hoede staand dier, te weten een hond/rottweiler, terwijl het een mens, te weten [slachtoffer ] , aanviel, niet heeft teruggehouden;

feit 3

op 19 juni 2025 te Almere opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, die aan Leger des Heils (locatie [adres] ) toebehoorde, heeft vernield;

feit 4

op 19 juni 2025 te Almere opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d lid 1 onder a en/of b Wetboek van Strafvordering, gedaan door ambtenaar [verbalisant 2] , belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd medewerking te verlenen aan afname van speeksel/wangslijm af te nemen en ademlucht, hieraan geen gevolg te geven;

in de zaak met parketnummer 16/276678-25

feit 1

op 13 oktober 2025 te Almere een sixpack bier, dat aan Albert Heijn toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 2

op 16 oktober 2025 te Almere een beeldje, schoenen en drinken, die aan [benadeelde] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

in de zaak met parketnummer 16/076064-25, feit 2 en in de zaak met parketnummer 16/276678-25, feit 1 en 2, telkens:

diefstal;

in de zaak met parketnummer 16/193854-25:

feit 2

een onder zijn hoede staand dier, dat een mens aanvalt, niet terughouden;

feit 3

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

feit 4

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte ten aanzien van de misdrijven wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Ten aanzien van de overtreding (parketnummer 16/193854-25 feit 2) eist de officier van justitie dat de verdachte wordt veroordeeld tot 1 week hechtenis.

Daarnaast eist de officier van justitie dat aan de verdachte een contact- en locatieverbod als vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd voor de duur van 2 jaar, waarbij 1 week hechtenis kan worden toegepast voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet.

Ten aanzien van het locatieverbod heeft de officier van justitie gevorderd om de verdachte te verbieden om zich binnen een straal van 50 meter rondom de woning van het slachtoffer te begeven.

Standpunt van de verdediging

De advocaat voert aan dat de verdachte al lang genoeg in voorlopige hechtenis heeft gezeten en geen hulp en bijstand meer van de reclassering wenst. De advocaat verzoekt daarom om de verdachte een straf op te leggen die gelijk is aan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de bewezen feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vijftal misdrijven, namelijk drie diefstallen, een vernieling en het niet voldoen aan een bevel. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een overtreding door zijn hond niet terug te houden, terwijl het een ander aanviel. Over het algemeen zijn dit feiten die veel overlast veroorzaken.

De verdachte heeft zich hierdoor onverschillig gedragen ten aanzien van de belangen van anderen. Hij heeft immers geen respect gehad voor de eigendommen van anderen, omdat hij het raam bij Leger des Heils uit het niets besloot te vernielen en hij zich zelfs tweemaal binnen het privédomein van anderen (in een huis en in een tuin) heeft begeven om de diefstallen te plegen. Kennelijk maakte het hem ook niet uit dat zijn hond een ander aanviel, omdat hij de hond zijn gang liet gaan. Tot slot had de verdachte simpelweg moeten meewerken aan de adem- en speekseltest, omdat politieagenten hun dagelijkse werkzaamheden moeten kunnen doen zonder enige tegenstribbeling. De rechtbank neemt de verdachte dit alles kwalijk.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel van de justitiële documentatie betreffende verdachte van 10 maart 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in het verleden al veelvuldig voor vermogensdelicten is veroordeeld.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies van Tactus Verslavingszorg van 20 februari 2026. Hieruit volgt dat er wel beschermende factoren in het leven van de verdachte zijn, zoals een eigen huisvesting, bewindvoering en steun van zijn familie. Toch zijn deze kennelijk niet voldoende om recidive te voorkomen. Als grootste risicofactoren worden het sociale netwerk, het middelengebruik en psychosociaal functioneren van de verdachte benoemd. De verdachte lijkt namelijk impulsief te handelen, hetgeen versterkt wordt zodra hij onder invloed is van middelen. De reclassering vond het noodzakelijk dat nadere diagnostiek plaatsvond middels een Pro-Justitia onderzoek, maar helaas heeft de verdachte dit geweigerd. De reclassering merkt dat de verdachte moeite heeft om zich aan afspraken, regels en voorwaarden te houden. De voorwaarden van zijn huidige toezicht zijn dan ook niet voldoende. Als de verdachte blijft recidiveren, lijkt het volgens de reclassering erop dat de verdachte zal eindigen met een ISD-maatregel. De reclassering constateerde bij de verdachte eerst vooral onmacht, maar inmiddels heeft hij ook de onwil tegenover reclasseringstoezicht uitgesproken. Gelet hierop ziet de reclassering geen mogelijkheden om met de verdachte te werken aan gedragsverandering. De reclassering adviseert daarom een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.

Strafkader

Gelet op de reeks van feiten en de ernst hiervan ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid dan het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank heeft bij de oplegging hiervan rekening gehouden met het feit dat de verdachte in een proeftijd liep en meermalen de fout in is gegaan. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat er sprake is van recidive ten aanzien van de diefstallen en dat verdachte zich bij de diefstallen uit de woning en uit de tuin zich binnen het privédomein van anderen heeft begeven.

De rechtbank weegt mee dat uit het reclasseringsadvies blijkt dat de interne motivatie van de verdachte voor een reclasseringstraject ontbreekt, waardoor een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden niet passend is. Ook houdt de rechtbank rekening met de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Alles overwegende zal de rechtbank de verdachte voor de bewezen verklaarde misdrijven veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het van groot belang is dat de verdachte zich gaat richten op nuttige dagbesteding om te voorkomen dat hij opnieuw recidiveert. Als de verdachte zijn gedrag namelijk op dezelfde voet voortzet, dreigt de oplegging van de ISD-maatregel. Voor de overtreding zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis.

6. In beslag genomen voorwerpen

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert om de in beslag genomen hond primair te onttrekken aan het verkeer, omdat de hond te gevaarlijk is om terug te laten keren in de maatschappij. Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd om de hond verbeurd te verklaren, omdat hij betrokken is geweest bij de onder parketnummer 16/193854-25 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen hond.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de in beslag genomen hond niet onttrekken aan het verkeer, omdat uit het dossier onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze dusdanig gevaarlijk is dat deze niet zou kunnen terugkeren in onze samenleving.

De rechtbank zal de hond ook niet verbeurd verklaren, omdat de rechtbank van oordeel is dat de beslissing tot verbeurdverklaring niet in verhouding staat met de aard en de ernst van de onder parketnummer 16/193854-25 onder 2 bewezenverklaarde overtreding.

De rechtbank zal daarom teruggave gelasten aan verdachte van de in beslag genomen hond.

7. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij

[aangeefster] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 14.062,50 ten aanzien van parketnummer 16/076064-25 onder feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

Verder verzoekt de benadeelde partij een contact- en locatieverbod aan de verdachte op te leggen, primair als vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht en subsidiair als bijzondere voorwaarden bij een eventuele voorwaardelijke straf.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert om de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen en deze te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel de benadeelde partij hierin niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem onder parketnummer 16/076064-25 onder feit 1 ten laste gelegde feit. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

8. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De politierechter in Utrecht heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/354599-24 op 7 februari 2025 een gevangenisstraf van 74 dagen voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen dan wel de proeftijd hiervan te verlengen of de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf, zodat de verdachte na zijn detentie gelijk iets nuttigs te doen heeft.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank concludeert dat de verdachte zich binnen de proeftijd meerdere keren schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte al genoeg kansen heeft gehad. De verdachte wist dat deze voorwaardelijke straf nog boven zijn hoofd hing en is toch meermalen de fout in gegaan. Om die reden zal deze straf alsnog ten uitvoer worden gelegd.

9. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- artikelen 9, 22c, 22d, 57, 184, 310, 350 en 425 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart het onder parketnummer 16/076064-25 onder 1 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart het onder parketnummer 16/193854-25 onder 1 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 16/076064-25 onder 2 tenlastegelegde heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

- verklaart bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 16/193854-25 onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

- verklaart bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 16/276678-25 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf t.a.v. parketnummer 16/076064-25 feit 2, parketnummer 16/193854-25 feiten 3 en 4, en parketnummer 16/276678-25 feiten 1 en 2

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

straf t.a.v. parketnummer 16/193854-25 feit 2

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 20 (twintig) uur;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis;

beslag t.a.v. parketnummer 16/193854-25 feit 2

- gelast de teruggave aan verdachte van het volgende voorwerp:

1 STK hond (omschrijving: PL0900-2025203024-3545920, Rottweiler, zwart, naam Buddy, voorwerpnummer: BZAM7991);

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangeefster] t.a.v. parketnummer 16/076064-25 onder 1

vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 16/354599-24

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank Utrecht bij vonnis van 7 februari 2025 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 74 (vierenzeventig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.F. Hammerle, voorzitter, mrs. P.C. Quak en

S.M. van Meer, in tegenwoordigheid van mr. R.R.V. Joerawan als griffier,

en is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.

De oudste rechter, de jongste rechter en griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 16/076064-25

1.

hij op 10 en/of 11 maart 2025 te Almere, althans in Nederland, met een persoon, te weten [aangeefster] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het brengen van zijn, verdachtes, penis tussen de billen van die [aangeefster] en/of het duwen van zijn, verdachtes, penis tegen de anus van die [aangeefster] en/of

- het brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis tussen de schaamlippen en/of in de vagina van die [aangeefster]

terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

- die [aangeefster] vast te pakken en/of op te tillen en/of mee te sleuren en/of

- ( vervolgens) die [aangeefster] op bed te gooien en/of duwen en/of

- ( vervolgens) de kleding van die [aangeefster] uit te trekken en/of

- ( vervolgens) die [aangeefster] vast te pakken bij de keel en/of (daarbij) de keel dicht te duwen en/of dicht te knijpen en/of

- ( vervolgens) die [aangeefster] te smoren door met zijn, verdachtes, hand(en) de mond van die [aangeefster] af te dekken / dicht te drukken en/of (vervolgens) een doek in de mond van die [aangeefster] te duwen en/of

- ( vervolgens) de beide polsen van die [aangeefster] vast te pakken en met zijn, verdachtes, benen de benen van die [aangeefster] uit elkaar te duwen,

terwijl hij, verdachte, geen acht sloeg op het herhaaldelijk schreeuwen om hulp door die [aangeefster] en/of de worstelende bewegingen van die [aangeefster] ;

2.

hij op of omstreeks 10 en/of 11 maart 2025 te Almere een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

in de zaak met parketnummer 16/193854-25

1.

hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Almere, althans in Nederland, [slachtoffer ] heeft mishandeld, door

- die [slachtoffer ] tegen het hoofd te slaan en/of

- die [slachtoffer ] te laten bijten door zijn, verdachtes, hond;

2.

hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Almere, althans in Nederland, een onder zijn hoede staand dier, te weten een hond/rottweiler, terwijl het een mens en/of een dier, te weten [slachtoffer ] aanviel niet heeft teruggehouden;

3.

hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Almere, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Leger des Heils (locatie [adres] ), toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

4.

hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Almere, althans in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d lid 1 onder a en/of b Wetboek van Strafvordering, gedaan door een of meer ambtena(a)r(en), te weten, [verbalisant 2] en/of [verbalisant 1] , belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd speeksel/wangslijm af te nemen en/of ademlucht af te nemen, hieraan geen gevolg te geven;

in de zaak met parketnummer 16/276678-25

1.

hij op of omstreeks 13 oktober 2025 te Almere een sixpack bier, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

hij op of omstreeks 16 oktober 2025 te Almere een beeldje, schoenen en/of drinken, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?