ECLI:NL:RBMNE:2026:1302

ECLI:NL:RBMNE:2026:1302

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 01-04-2026
Zaaknummer 16/205188-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewezenverklaring: poging tot doodslag, dragen van een machete, bedreiging en stalking. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door met kracht met een machete uit te halen richting het hoofd, de hals en/of het bovenlichaam van het slachtoffer. Het slachtoffer kon de machete ternauwernood ontwijken. Vrijspraak poging tot moord: geen voorbedachten rade. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging en stalking van een ander slachtoffer. Strafoplegging: gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/205188-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 2 april 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1960] in [geboorteplaats] (Suriname),

ingeschreven op het adres: [adres] in [woonplaats] ,

momenteel gedetineerd in de [verblijfplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 19 maart 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

Feit 1

primair: op 5 juli 2025 in Zeist, al dan niet met voorbedachten rade, heeft geprobeerd om [slachtoffer 2] te doden door meermalen met een machete in de richting van zijn hoofd, hals en/of (boven)lichaam te steken, prikken en/of zwaaiende bewegingen te maken;

subsidiair: is dit tenlastegelegd als een poging tot zware mishandeling, al dan niet met voorbedachten rade;

Feit 2 : in de periode van 13 mei 2025 tot en met 1 juli 2025 in Zeist [slachtoffer 1] heeft bedreigd met de dood, zware mishandeling en/of verkrachting;

Feit 3: in de periode van 7 juni 2025 tot en met 5 juli 2025 in Zeist [slachtoffer 1] heeft gestalkt door (spraak)berichten te sturen, te bellen en voicemails in te spreken;

Feit 4: op 5 juli 2025 in Zeist een wapen, te weten een machete, bij zich heeft gedragen.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 primair, feit 2, feit 3 en feit 4 heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 1 primair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld en dat dus sprake is van poging tot moord.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 1 primair, feit 2 en feit 3. De advocaat voert verschillende (bewijs)verweren en deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken in paragraaf 3.3. Volgens de advocaat kan feit 1 subsidiair (poging tot zware mishandeling) wel bewezen worden.

De advocaat voert geen verweer over het bewijs van feit 4, het dragen van de machete.

Oordeel van de rechtbank

Verweer van de verdediging met betrekking tot de tenlastelegging

De advocaat stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten aanzien van feit 1 niet kan toekomen aan de beoordeling of sprake is van een ‘poging tot doodslag’. Daartoe is aangevoerd dat in de nadere omschrijving van de tenlastelegging in de zin van artikel 314a Wetboek van Strafvordering, het bij doodslag behorende wetsartikel, artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), niet is opgenomen, terwijl dit artikel wel op de oorspronkelijke tenlastelegging stond vermeld. Volgens de advocaat heeft de officier van justitie hiermee de kwalificatieruimte bewust beperkt, zodat uitsluitend een beoordeling van poging tot moord dan wel poging tot zware mishandeling mogelijk is.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Voor de beantwoording van de vraag welke strafbare feiten ter beoordeling voorliggen, is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad de feitelijke omschrijving van het verweten handelen in de tenlastelegging bepalend, en niet de vermelding hierbij van specifieke wetsartikelen. Beslissend is of uit de tenlastelegging voldoende duidelijk blijkt van welk feit de verdachte wordt beschuldigd en waartegen hij zich moet verdedigen. In deze zaak bevat zowel de oorspronkelijke tenlastelegging als de nadere omschrijving van de tenlastelegging een zodanig concrete en duidelijke beschrijving van het handelen, dat daarin ook de bestanddelen van poging tot doodslag kunnen worden gelezen. Dat het desbetreffende wetsartikel in de nadere omschrijving niet expliciet is opgenomen, doet hieraan niet af en vormt geen beperking van de beoordelingsruimte. De rechtbank zal dan ook, indien zij daaraan toekomt, beoordelen of de gedragingen onder feit 1 kunnen worden gekwalificeerd als poging tot doodslag.

Bewijsmiddelen feit 1 primair, feit 2, feit 3 en feit 4

De rechtbank oordeelt dat feit 1 primair (poging tot doodslag), feit 2 (bedreiging van [slachtoffer 1] ), feit 3 (belaging van [slachtoffer 1] ) en feit 4 (het dragen van een machete) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

De rechtbank zal hieronder uitleggen waarom zij tot dat oordeel komt en ingaan op de verweren van de verdediging, voor zover die niet al worden weerlegd door de bewijsmiddelen.

Bewijsoverwegingen

3.3.3.1. Ten aanzien van feit 1

Vastgestelde feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen en wat op zitting is besproken het volgende vast.

Op 5 juli 2025 heeft in Zeist een incident plaatsgevonden tussen de verdachte en [slachtoffer 2] (hierna: aangever). De verdachte loopt die dag van achteren op aangever af die op een bankje zat te praten met een andere man. Aangever staat op als hij ziet dat de verdachte hem nadert, draait zich om en komt daardoor tegenover de verdachte te staan. De verdachte trekt op dat moment een machete uit zijn trainingspak/trui en maakt direct met kracht een zwaaiende beweging met de machete in de richting van het hoofd, de hals en/of het bovenlichaam van aangever. Aangever deinst achteruit en kan daardoor nog net de machete ontwijken.

Dat het de verdachte is geweest die met een machete deze zwaaiende beweging heeft gemaakt, wordt niet betwist door de verdediging. De rechtbank moet de vraag beantwoorden hoe het handelen van de verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd.

Vrijspraak poging tot moord (geen voorbedachten rade)

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, wat vereist is voor een bewezenverklaring van de poging tot moord.

Voor een bewezenverklaring van 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat de verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De verdachte wist op de dag en het moment van het incident dat aangever op een bankje in de buurt zat en is daarom naar hem toegegaan terwijl hij een machete bij zich had. De verdachte heeft verklaard dat hij boos was op aangever, omdat aangever enkele weken daarvoor zonder toestemming zijn huis zou zijn binnengetreden. Hoewel in het doelgericht naar aangever toegaan en het meenemen van de machete aanwijzingen zouden kunnen worden gevonden voor enig vooropgezet plan om aangever te doden, vindt de rechtbank niet bewezen dat de verdachte voorafgaand aan het incident daadwerkelijk het plan of voornemen had om aangever van het leven te beroven met de machete. De rechtbank hecht daarbij geen doorslaggevende betekenis aan het feit dat de verdachte bij de politie eenmalig heeft gezegd dat hij aangever ‘wilde afmaken’. De verdachte heeft namelijk voor het overige zowel bij de politie als op zitting, telkens verklaard dat hij ‘een punt wilde maken’ of ‘een duidelijke streep wilde trekken’, maar hieruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat daarmee het doden van aangever wordt bedoeld. Bij de rechter commissaris zegt verdachte hier kort na het incident bijvoorbeeld over: “Ik wilde een punt maken, zodat hij, als hij het nog een keer doet, dit kan gebeuren.” Daarnaast weegt de rechtbank bij dit oordeel mee dat de verdachte meerdere malen heeft verklaard dat het ook niet zijn bedoeling was om aangever (dodelijk) te raken.

Uit het dossier en de verklaringen van de verdachte volgt dat er enige tijd heeft gezeten tussen het moment waarop hij kennis kreeg van de aanwezigheid van aangever op het bankje, en het moment waarop hij met zijn machete op aangever afliep. Het enkele tijdsverloop en de omstandigheid dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om na te denken, is echter op zichzelf onvoldoende om voorbedachten rade aan te nemen.

De rechtbank spreekt de verdachte daarom gedeeltelijk vrij van feit 1 primair, voor zover de tenlastelegging ziet op de voorbedachten rade, en dus de poging tot moord.

Bewezenverklaring poging tot doodslag

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of het handelen van de verdachte gekwalificeerd kan worden als een poging tot doodslag. Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te kunnen komen, is vereist dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] .

De rechtbank ziet geen aanwijzingen die erop duiden dat de verdachte de intentie had om aangever te doden. ‘Vol opzet’ kan dan ook niet worden bewezen.

Wel kan bewezen worden dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van aangever. Uit (de beschrijving van) de camerabeelden volgt dat de verdachte en aangever op enig moment tegenover elkaar staan, op een korte afstand van elkaar, met enkel het bankje tussen hen in. De verdachte heft de machete (van zo’n 70 centimeter lang) vervolgens in de lucht en maakt een snelle zijwaarts zwaaiende beweging in de richting van het hoofd, de hals en/of het bovenlichaam van aangever. Uit (de beschrijving van) de camerabeelden blijkt dat deze beweging ook met kracht wordt gemaakt. Enkel omdat aangever achteruit deinst, gaat de machete rakelings langs het bovenlichaam van aangever.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met dit handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij aangever zou raken met de machete en hem daarbij dodelijk zou kunnen verwonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd, de hals en het bovenlichaam kwetsbare lichaamsdelen zijn waarin zich vitale organen en slagaders bevinden. Als een van die delen met kracht geraakt wordt door een (zoals door de politie is vastgesteld) scherpe machete, levert dat een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel op. Het op korte afstand en met kracht een zijwaarts zwaaiende beweging maken met een scherpe machete, gericht op die lichaamsdelen, is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte deze aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever ook bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.3.3.2. Ten aanzien van feit 2 (bedreiging [slachtoffer 1] )

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte in de tenlastegelegde periode meermalen bedreigende berichten heeft gestuurd naar [slachtoffer 1] (hierna: aangeefster), zoals die in de tenlastelegging zijn omschreven. In deze berichten dreigt de verdachte expliciet aangeefster te vermoorden, ernstig te mishandelen en te verkrachten. De verdachte heeft op de zitting ook bekend dat hij deze berichten heeft gestuurd.

De rechtbank is van oordeel dat deze berichten, in samenhang bezien en onder de omstandigheden waaronder deze zijn verstuurd, naar hun aard geschikt zijn om bij aangeefster de redelijke vrees te doen ontstaan dat de verdachte zijn dreigementen daadwerkelijk zou uitvoeren.

Dat, zoals door de verdediging wordt gesteld, deze berichten een reactie waren op tegenberichten van aangeefster en dus in die context moeten worden bezien, is niet onderbouwd of aannemelijk geworden en vindt bovendien geen steun in het dossier. Daar komt bij dat, zelfs als sprake zou zijn geweest van tegenberichten, dit niet afdoet aan het bedreigende karakter van de berichten die de verdachte zelf heeft gestuurd. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde bedreiging.

3.3.3.3. Ten aanzien van feit 3 (stalking [slachtoffer 1] )

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, naast de in 3.3.3.2. genoemde (dreigende) berichten, ook spraakberichten en voicemails heeft gestuurd naar aangeefster. De politie heeft op 7 juni 2025 een stopgesprek gevoerd met de verdachte. Vanaf dat moment moest het voor de verdachte in ieder geval duidelijk zijn geweest dat aangeefster geen contact meer wilde en dat hij geen contact meer mocht opnemen met haar. De verdachte heeft echter in de periode daarna nog steeds contact opgenomen met aangeefster en veelvuldig (spraak)berichten en voicemails gestuurd. Hieruit volgt de wederrechtelijkheid en stelselmatigheid van zijn gedragingen. De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van deze gedragingen, de omstandigheden waaronder zij hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven van aangeefster - naar objectieve maatstaven bezien - zodanig zijn geweest dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. De verdachte heeft, door berichten met een dergelijke inhoud en in een dergelijke frequentie te sturen, het oogmerk gehad aangeefster te dwingen zijn berichten te dulden en haar vrees aan te jagen. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde belaging. Nu op basis van het dossier vastgesteld kan worden dat het laatste bericht van de verdachte van 1 juli 2025 is geweest, zal de rechtbank de belaging tot die datum bewezen verklaren.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

Feit 1, primair:

op 5 juli 2025 te Zeist, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met een machete, in de richting van het hoofd en/of de hals en/of het bovenlichaam van die [slachtoffer 2] een zwaaiende beweging met dat voorwerp heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2:

in de periode van 13 mei 2025 tot en met 1 juli 2025 in Nederland, (telkens) [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met opzetverkrachting, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen:

- “ik ga je vermoorden”,

- “een van deze dagen pak ik je en neuken we de hele dag zekere weten tot zo”,

- “ik wel dat mijn vrouw wordt anders is niemand veilig”,

- “ik vermoord jullie allemaal denk je dat ik bang ben voor jamla kanker hoer”,

- “ik vergeet je niet kanker slet en die kanker hond ook niet” en “als hier op die veld

ziet ga je wat mee maken kanker slet”,

- “ik vergeet je niet”,

- “je dag nadere” en “kanker slet”,

- “een van deze dagen ga ik naar Amersfoort en ga jij eraan” en “jij heb een flikker naar me gestuurd grote fout die je leven gaat kosten geloofd me onverwacht”,

- “kanker slet ie gaat er aan”,

- “zeg die kanker hond dat hij alsjeblieft nog aan mijn deur kom en jij onverwacht ben je aan de beurt”,

- “vuilnisbak ben niet klaar met je kan bij de buurman gaan zitten onverwacht echt of ik ga naar Amersfoort ik weet alles”, en

- “in je moeders buik was je al een slet kanker slet en je sterft als een slet”.

Feit 3:

in de periode van 7 juni 2025 tot en met 1 juli 2025 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door meermalen,

- (spraak)berichten te sturen naar die [slachtoffer 1] , en

- die [slachtoffer 1] te bellen en voicemails te sturen,

met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen;

Feit 4:

op 5 juli 2025 te Zeist een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een machete, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1, primair: poging tot doodslag;

Feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, met zware mishandeling en met verkrachting, meermalen gepleegd;

Feit 3: belaging;

Feit 4: handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf en maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

een gevangenisstraf van zes jaar, met aftrek van het voorarrest, ten aanzien van feit 1, 2 en 3.

een geldboete van € 200,- ten aanzien van feit 4.

Daarnaast eist de officier van justitie dat aan de verdachte wordt opgelegd:

een contactverbod met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] als vrijheidsbeperkende maatregel voor de maximale duur van vijf jaar, te vervangen door één week hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet;

de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z Sr (hierna: GVM).

De officier van justitie eist dat de maatregel, inhoudende het contactverbod, direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt om de verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur dat de verdachte in voorarrest heeft gezeten.

De advocaat voert daartoe aan dat rekening gehouden moet worden met de hoge leeftijd van de verdachte en zijn lichamelijke omstandigheden, die maken dat de kans op recidive lager wordt. De verdachte erkent daarnaast dat hij fout is geweest en kan bovendien zijn woning kwijtraken als hij nog langer vast moet blijven zitten.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn gepleegd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het dragen van een machete en een poging tot doodslag. De verdachte heeft op klaarlichte dag, terwijl hij bewapend was met een grote en scherpe machete, de confrontatie opgezocht met het slachtoffer [slachtoffer 2] . Aanleiding zou zijn gelegen in het feit dat de verdachte boos was op het slachtoffer, omdat hij enkele weken daarvoor zonder toestemming zijn woning was binnengetreden en tegen hem had gezegd dat hij [slachtoffer 1] met rust moest laten. De verdachte heeft met kracht met de machete uitgehaald richting het hoofd, de hals en/of het bovenlichaam van het slachtoffer. Het slachtoffer kon de machete ternauwernood ontwijken. Dat het slachtoffer niet geraakt werd en het niet erger is afgelopen, is een gelukkige omstandigheid die niet te danken is aan het handelen van de verdachte.

De verdachte heeft met zijn handelen niet alleen voor angst gezorgd bij het slachtoffer en een inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit, maar heeft daarmee ook geen rekening gehouden met de gevolgen voor eventuele omstanders. Het incident speelde zich af op klaarlichte dag, terwijl er een andere man naast het slachtoffer op een bankje zat en in de buurt een supermarkt was waar constant mensen in- en uitliepen. Naast de impact op het slachtoffer, dragen dit soort geweldshandelingen bij aan gevoelens van angst en onveiligheid bij omstanders en binnen de samenleving in het algemeen.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging en stalking van slachtoffer [slachtoffer 1] . Ondanks dat de verdachte in een stopgesprek door de politie duidelijk was gemaakt dat het slachtoffer geen contact met hem wilde en hij geen contact mocht opnemen, heeft hij haar daarna dreigende berichten gestuurd, opgebeld en voicemails ingesproken. Uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding blijkt dat het handelen van de verdachte enorme impact op haar heeft gehad, heeft geleid tot angstgevoelens en ertoe heeft geleid dat zij nauwelijks naar buiten durfde. Zij leeft nog steeds in angst dat de verdachte haar wat aan zal doen.

De verdachte heeft op zitting enerzijds verklaard dat hij bepaalde dingen niet goed heeft aangepakt en anders had moeten doen. Aan de andere kant legt de verdachte de schuld ook (deels) bij de slachtoffers. Zo heeft de verdachte verklaard dat als [slachtoffer 2] zijn woning niet binnen was gedrongen, het incident met de machete ook niet was gebeurd. Ten aanzien van zijn berichten aan [slachtoffer 1] stelt de verdachte dat deze een reactie op haar berichten zouden zijn geweest. In die zin toont de verdachte weinig inzicht in zijn gedrag en betwijfelt de rechtbank of de verdachte zich geheel bewust is van de ernst van zijn eigen gedragingen.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 10 september 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten,. Gelet op de ouderdom van deze veroordelingen neemt de rechtbank die niet in strafverzwarende zin mee.

De verdachte zit op de datum van de uitspraak (2 april 2026) 271 dagen in voorlopige hechtenis. Uit het dossier en de behandeling op zitting is gebleken dat de verdachte in detentie te kampen had met een zeldzame huidaandoening en daarnaast een infectie aan zijn teen, waardoor uiteindelijk een deel van zijn onderbeen geamputeerd moest worden. De rechtbank stelt vast dat de detentieperiode de verdachte, gelet op zijn medische situatie, extra zwaar is gevallen.

Er is geprobeerd om meer inzicht te krijgen in de persoon van de verdachte en zijn beweegredenen, middels een psychologisch onderzoek. Uit het rapport van 14 oktober 2025, opgesteld door psycholoog V. Tiemens, blijkt dat dit niet is gelukt omdat de verdachte op enig moment zijn medewerking aan het onderzoek staakte. Hierdoor is het voor de psycholoog niet mogelijk gebleken om antwoord te geven op de vraag of er sprake was van een stoornis ten tijde van het ten laste gelegde, om uitspraken te doen over de toerekenbaarheid van de verdachte of om een inschatting te maken van het recidivegevaar. Op basis van de beschikbare informatie schrijft de psycholoog wel dat zij aanneemt dat er ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van alcoholafhankelijkheid. Tijdens en direct voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten heeft de verdachte weer contact gezocht met zijn huisarts om behandeld te worden voor een alcoholverslaving.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 30 december 2025. Daarin staat dat er in het verleden wel een delictpatroon was met betrekking tot geweldsdelicten, maar daar inmiddels niet meer van gesproken kan worden omdat de laatste veroordeling voor een geweldsdelict in 2006 was. Het contact van de verdachte met zijn (klein)kinderen wordt als beschermende factor gezien. Daar staat tegenover dat de verdachte al jaren kampt met verslavingsproblematiek en daar meermaals voor is behandeld. De reclassering ziet de leefgebieden middelengebruik en psychosociaal functioneren als mogelijk delict gerelateerd. Er lijkt weinig sprake te zijn van probleembesef en het ontbreekt de verdachte aan intrinsieke motivatie voor gedragsverandering. Ook de reclassering heeft onvoldoende zicht gekregen op het functioneren, het handelen en denken van de verdachte in de periode waarin de strafbare feiten zijn gepleegd, waardoor zij ook geen uitspraken kunnen doen over de kans op recidive. Zij kunnen dan ook niet adviseren over noodzakelijke interventies om het recidiverisico te verlagen en vinden een opname in het Pieter Baan Centrum wenselijk om zicht te krijgen op het psychisch en gedragsmatig functioneren van de verdachte.

Strafkader

Gelet op de aard en de ernst van de feiten 1, 2 en 3, zoals hiervoor uiteengezet, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (forse) gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

De verdachte heeft grotendeels geweigerd mee te werken aan onderzoek door de psycholoog en de reclassering. Ook op de zitting heeft de verdachte verklaard dat het geen zin heeft om mee te werken aan (toekomstig) psychologisch onderzoek, omdat hij daar niet in gelooft. Gelet op de beschikbare rapportages van de psycholoog en de reclassering ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Zowel de psycholoog, de reclassering als de rechtbank hebben geen goede inschatting kunnen maken van het recidiverisico, maar er zijn wel zorgen over het gedrag van de verdachte. De rechtbank vindt het daarom van belang om de verdachte door middel van de op te leggen straf ervan te weerhouden opnieuw op een vergelijkbare manier in de fout te gaan. Dat zal zij doen door – anders dan geëist – een deel van de gevangenisstraf als waarschuwing en als stok achter de deur voorwaardelijk op te leggen.

Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte voor feit 1, 2 en 3 een gevangenisstraf op van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaar.

Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte voor de overtreding, te weten het dragen van de machete (feit 4), een geldboete op van € 200,-.

De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie en legt een lagere gevangenisstraf op aan de verdachte, omdat zij ten aanzien van feit 1 het handelen met voorbedachten rade (en dus de poging tot moord) niet bewezen heeft verklaard.

Oplegging vrijheidsbeperkende maatregel (38v Sr), geen GVM (38z Sr)

De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in de zin van artikel 38v Sr. De rechtbank zal voor het voorkomen van strafbare feiten bevelen dat de verdachte:

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .

De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van 3 jaar. Gedurende die periode zal hier per overtreding 14 dagen hechtenis tegenover staan met een maximum van zes maanden.

Gelet op de verklaring van de verdachte op zitting, waaruit volgt dat het onderliggende conflict nog niet helemaal opgelost lijkt te zijn en de boosheid daarover nog niet volledig weg is bij de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich belastend zal gedragen tegenover [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Daarom zal zij bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

De rechtbank ziet, gelet op de op te leggen (deels voorwaardelijke) straf, de op te leggen 38v-maatregel en het daarmee tot stand gebrachte kader, voldoende waarborgen in de bescherming van de slachtoffers. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om ook een GVM in de zin van artikel 38z Sr op te leggen.

6. In beslag genomen voorwerpen

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de in beslag genomen telefoon verbeurd moet worden verklaard, omdat hiermee feit 2 en 3 is gepleegd en dat de machete moet worden onttrokken aan het verkeer, omdat het een verboden wapen betreft.

Standpunt van de verdediging

De advocaat stelt zich op het standpunt dat de telefoon teruggegeven moet worden aan de verdachte, omdat niet vastgesteld kan worden dat hiermee strafbare feiten zijn gepleegd.

Oordeel van de rechtbank

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal de in beslag genomen machete (G3554691) onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Bovendien is met betrekking tot dit voorwerp het onder feit 1 primair en feit 4 bewezen verklaarde begaan.

Teruggave aan verdachte

De rechtbank zal teruggave gelasten aan de verdachte van de in beslag genomen telefoon (G3555522), omdat niet vastgesteld kan worden dat met deze telefoon de strafbare feiten zijn gepleegd.

7. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.775,- voor feit 2 en 3, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 775,- voor vergoeding van materiële schade en

€ 2.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:

1. remmen en lek gestoken banden van elektrische fiets: € 600,-;

2. slot van de achterdeur: € 175,-.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering, voor zover deze ziet op de gevorderde materiële schade, niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het rechtstreekse verband ontbreekt met het tenlastegelegde.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de vordering gematigd moet worden tot een bedrag van € 500,-.

Standpunt van de verdediging

De advocaat stelt zich op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het gedeelte van de vordering dat ziet op de materiële schade niet-ontvankelijk, omdat geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen deze schade en de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Hoewel het geestelijk letsel van de benadeelde partij niet met objectieve gegevens is onderbouwd, heeft zij wel in de vordering toegelicht dat zij gevoelens van angst en onveiligheid ervaart door de bewezen verklaarde feiten.

Gelet op de relatief beperkte duur van de periode waarin de verdachte de benadeelde partij bedreigd en gestalkt heeft (ongeveer een maand), de omstandigheden en de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 500,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

Wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 6 juni 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Voor de ingangsdatum van de wettelijke rente gaat de rechtbank uit van het midden van de tenlastegelegde periode van beide feiten samen.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval moeten beide partijen elk hun eigen kosten betalen, omdat de vordering slechts deels wordt toegewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van

€ 500,- aan de Staat moet betalen.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

8. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf en maatregel

- veroordeelt verdachte voor feit 1 primair, feit 2 en feit 3 tot een gevangenisstraf van 36 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast;

- als algemene voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt de verdachte voor het onder feit 4 bewezen verklaarde tot een geldboete van € 200,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 2 dagen;

Vrijheidsbenemende maatregel (38v Sr)

 [slachtoffer 2] geboren op [1968] en

 [slachtoffer 1] , geboren op [1978] ;

beslag

- verklaart de machete (G3554691) onttrokken aan het verkeer (feit 1 en 4);

- gelast de teruggave van de telefoon (G3555522) aan de verdachte (feit 2 en 3);

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 2 en 3)

Dit vonnis is gewezen door mr. L.L. Veendrick, voorzitter, mr. L.C. Michon en mr. M. Pieplenbosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na nadere omschrijving van de tenlastelegging op de zitting van 19 maart 2026 ten laste gelegd dat:

1

hij, op of omstreeks 5 juli 2025 te Zeist, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, met een machete, althans een scherp en/of puntig voorwerk, meermalen, althans eenmaal, in de richting van het hoofd en/of de hals en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en/of geslagen en/of geprikt, althans zwaaiende bewegingen met dat voorwerp heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 5 juli 2025 te Zeist, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een machete, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in de richting van het hoofd en/of de hals en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en/of geslagen en/of geprikt, althans zwaaiende bewegingen met dat voorwerp heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 mei 2025 tot en met

1 juli 2025 te Zeist, in elk geval in Nederland, (telkens) [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met opzetverkrachting, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen:

- “ ik ga je vermoorden”,

- “ een van deze dagen pak ik je en neuken we de hele dag zekere weten tot zo”,

- “ ik wel dat mijn vrouw wordt anders is niemand veilig”,

- “ ik vermoord jullie allemaal denk je dat ik bang ben voor jamla kanker hoer”,

- “ ik vergeet je niet kanker slet en die kanker hond ook niet” en/of “als hier op die veld

ziet ga je wat mee maken kanker slet”,

- “ ik vergeet je niet”,

- “ je dag nadere” en/of “kanker slet”,

- “ een van deze dagen ga ik naar Amersfoort en ga jij eraan” en/of “jij heb een flikker naar me gestuurd grote fout die je leven gaat kosten geloofd me onverwacht”,

- “ kanker slet ie gaat er aan”,

- “ zeg die kanker hond dat hij alsjeblieft nog aan mijn deur kom en jij onverwacht ben je aan de beurt”,

- “ vuilnisbak ben niet klaar met je kan bij de buurman gaan zitten onverwacht echt of ik ga naar Amersfoort ik weet alles”, en/of

- “ in je moeders buik was je al een slet kanker slet en je sterft als een slet”,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3

hij, in of omstreeks de periode van 7 juni 2025 tot en met 5 juli 2025 te Zeist, in elk geval

in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door meermalen, althans eenmaal,

- ( spraak)berichten te sturen naar die [slachtoffer 1] , en/of

- die [slachtoffer 1] te bellen en/of voicemails te sturen,

met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of

vrees aan te jagen;

4

hij, op of omstreeks 5 juli 2025 te Zeist, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een machete, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen.

Bijlage II: Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1, 2 en 3

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

De verklaring van de verdachte op de zitting van 19 maart 2026, voor zover inhoudende:

Ik zag [slachtoffer 2] op 5 juli 2025 voor de deur. Ik hoorde dat hij daar zat. Ik heb toen de machete meegenomen. De machete had ik in mijn trainingspak bij mijn borst. Ik wilde een punt maken dat hij te ver was gegaan. Ik heb gewoon uitgehaald met de machete.

Het klopt dat ik de berichten die in het dossier zitten naar [slachtoffer 1] heb gestuurd vanaf het nummer [telefoonnummer] .

Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende:

Op 5 juli 2025 was ik in Zeist. Ik zag eerder dat er een man de Jumbo inging. Ik ken deze man als zijnde [verdachte] (foenetisch), wonend aan de [adres] te [woonplaats] . Omstreeks 17:35 uur zag ik bovengenoemde man op mij af komen lopen. Ik zag dat hij een grote machete tevoorschijn haalde en naar mij uithaalde. Ik zag dat hij de machete mijn kant op zwaaide.

Een proces-verbaal van uitkijken van de camerabeelden, voor zover inhoudende:

Ik bekeek de camerabeelden die begonnen op 5 juli 2025 om 17.32 uur. Ik zag op de camerabeelden:

- dat er twee mannen op een bankje zitten;

- dat er om 17.32.58 uur een man aangelopen komt in een zwart trainingspak. Ik noem deze man verder de verdachte;

- dat de verdachte afloopt op de mannen op het bankje;

- dat het slachtoffer plots opstaat en zich draait naar de verdachte en daardoor tegenover hem komt te staan;

- dat tussen het slachtoffer en de verdachte een bankje staat;

- dat de verdachte een op een machete gelijkend voorwerp uit zijn trui of shirt haalt

van ongeveer veertig tot vijftig centimeter;

- dat hij meteen daarna een gerichte zwaaiende dan wel stekende beweging maakte

richting het hoofd of nek van het slachtoffer;

- dat het slachtoffer dit ternauwernood ontwijkt.

Een proces-verbaal van uitkijken van de camerabeelden, voor zover inhoudende:

Ik zag op de beelden dat verdachte [verdachte] uit zijn trainingsjack de door mij in beslag genomen machete omhoog trok en direct de aanval opende op aangever [slachtoffer 2] . Ik zag dat hij met veel kracht uithaalde met het voorwerp en dat aangever [slachtoffer 2] weg dook.

Een proces-verbaal van binnentreden woning, voor zover inhoudende:

Op 5 juli 2025 trad ik binnen in de woning [adres] [woonplaats] , bewoond door [verdachte] .

In de woning werd inbeslaggenomen: Op een machete gelijkend voorwerp van 70/75 cm lang.

Een proces-verbaal van omschrijving van de in beslag genomen machete, voor zover inhoudende:

Ik zag dat het lemmet een snijkant met een halve ronding aan het eind had. Hierdoor heeft het lemmet een scherpe afronding in een punt.

Ik zag dat de totale lengte van de machete 70 centimeter lang was.

Ik zag dat het lemmet ongeveer 56 / 57 centimeter lang was.

Ik zag dat mijn collega het lemmet tegen het papier zette en naar beneden duwde. Ik zag dat het papier moeiteloos uit elkaar scheurde. Ik kan hieruit concluderen dat het lemmet van de machete scherp is.

Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende:

Ik doe aangifte van stalking. Sinds januari 2025 word ik lastiggevallen door [verdachte] . Ik merkte dat [verdachte] zich vervelend naar mij toe ging gedragen en hij stuurde me rare berichten. Op 8 juni 2025 (de rechtbank begrijpt: 7 juni 2025) is er een stopgesprek met [verdachte] gehouden. Sindsdien heeft hij mij nog vele keren lastiggevallen. Voor het stopgesprek heeft [verdachte] meerdere bedreigingen naar mij geuit:

13 mei 2025: "Ik ga je vermoorden".

31 mei 2025: "Een van deze dagen pak ik je en neuken we de hele dag zekere weten tot zo"

2 juni 2025: "Ik wel dat mijn vrouw wordt anders is niemand veilig. Dat is geen bedriegen maar een feit zeg wat dan. Als je durft dat ik geen gelijk heb [slachtoffer 1] . Ik vermoord jullie allemaal denk je dat ik bang ben voor jamla kanker hoer".

[verdachte] heeft nog veel meer rare en dreigende dingen tegen mij gezegd.

[verdachte] stuurt mij regelmatig sms-berichten met het telefoonnummer: [telefoonnummer] .

[verdachte] belt mij ook regelmatig. Sinds het stopgesprek heeft [verdachte] mij op onderstaande datums gebeld: 9 juni 2025, 13 juni 2025, 14 juni 2025, 16 juni 2025.

Ik ga ervan uit dat hij elke keer voicemails stuurt, gezien hij dit voor het stopgesprek ook deed. In deze voicemails stuurt hij vervelende dingen. Ik wil dit niet terug luisteren omdat ik dit vervelend vind. Overigens zit mijn voicemail box ook vol.

Een proces-verbaal van beschrijving van de dreigende berichten, inclusief de fotobijlage van alle screenshots op pagina 67-76, voor zover inhoudende:

Op 7 juni 2025 is een stopgesprek gevoerd met [verdachte] . Hierbij is hem medegedeeld dat hij [slachtoffer 1] met rust moet laten en geen contact moet opnemen met haar. Ondanks het stopgesprek bleef [verdachte] doorgaan met zijn gedragingen jegens [slachtoffer 1] .

Ik zag dat ik 12 screenshots van [slachtoffer 1] ontving. Ik zag op de print screens dat als afzender [verdachte] stond vermeld. Ik zag dat een print screen en print was van de contact gegevens van [verdachte] . Ik zag dat als telefoonnummer stond vermeld [telefoonnummer] .

Ik zag:

- een printscreen van 18 juni: ik vergeet je niet

- een printscreen van 21 juni: je dag nadere kanker slet

- een printscreen van 23 juni: spraakbericht

- een printscreen van 23 juni: een van deze dagen ga ik naar Amersfoort en ga jij eraan. Jij hebt een flikker naar me gestuurd grote fout die je leven gaat kosten geloof me onverwacht

- een printscreen van 26 juni: kanker slet ie gaat er aan

- een printscreen van 27 juni: zeg die kanker hond dat hij alsjeblieft nog aan mij deur kom en jij onverwacht bij jij aan de beurt

- een printscreen van 30 juni: vuilnisbak ben niet klaar met je kan bij de buurman gaan zitten onverwacht echt of ik ga naar Amersfoort ik weet alles

- een printscreen van 1 juli: in je moeders buik was je al een slet kanker slet en je sterft als een slet.

Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende:

Op 27 juni 2025 zag ik dat [slachtoffer 1] mij een telefoon liet zien. Ik zag dat [slachtoffer 1] op de telefoon berichten had ontvangen. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] meerdere voicemailberichten van [verdachte] had ontvangen. Ik hoorde een voicemailbericht dat er een mannenstem de ontvanger van de voicemailberichten een “Kankerhoer” noemde. [slachtoffer 1] gaf aan dat de mannenstem [verdachte] is.

Ten aanzien van feit 4

De verdachte bekent dat hij feit 4 (het dragen van een machete) heeft gepleegd, zoals dit in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?