ECLI:NL:RBMNE:2026:1319

ECLI:NL:RBMNE:2026:1319

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 03-04-2026
Zaaknummer 16/092840-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

18 maanden gevangenisstraf voor een 83-jarige verdachte wegens jarenlange ontucht bij inwonende minderjarige kleindochter. Periodiek wordt gecontroleerd of de verdachte nog steeds detentiegeschikt is. Toewijzing € 12.500,- smartengeld aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/092840-24

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 3 april 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1942] in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres ] in [woonplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 20 maart 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1

in de periode van 29 augustus 2013 tot en met 28 augustus 2018 in [woonplaats] met [slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, seksuele handelingen heeft verricht die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ;

feit 2

in de periode van 28 augustus 2018 tot en met 22 augustus 2020 in [woonplaats] met [slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaar had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ;

feit 3

in de periode van 29 augustus 2013 tot en met 22 augustus 2020 in [woonplaats] met [slachtoffer] die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heef gepleegd, terwijl hij de opa van die [slachtoffer] was en die [slachtoffer] bij hem woonde en aan verdachtes zorg was toevertrouwd.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 3 heeft gepleegd.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1 tot en met 3.

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen feiten 1 tot en met 3

De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 tot en met 3 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Bewijsoverwegingen

3.3.2.1. Vormverzuim

De raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Dit zou het geval zijn omdat de verdachte zich tijdens een verklaring aan verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] in een onstabiele medische toestand bevond en de verdachte voorafgaand aan zijn verklaring niet is gewezen op de cautie, terwijl het een strafrechtelijk verhoor betrof. Volgens de raadsvrouw leidt dit tot een schending van het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De raadsvrouw heeft aangevoerd dat dit vormverzuim tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering zou moeten leiden.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] blijkt dat verdachte als vermist geregistreerd stond. Toen het voertuig van verdachte werd aangetroffen, gingen de verbalisanten met hem in gesprek. De verdachte verklaarde spontaan tegenover de verbalisanten dat hij zijn kleindochter had misbruikt. Dit was een gesprek ter verlening van hulp en er was toen geen sprake van een strafrechtelijke verdenking, zodat er ook geen aanleiding bestond om de verdachte te wijzen op de cautie. Uit het proces-verbaal valt ook niet af te leiden dat de verbalisanten naar aanleiding van zijn mededeling over misbruik verdere vragen zijn gaan stellen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen sprake was van een verhoorsituatie in het kader van een strafrechtelijke verdenking waarbij verbalisanten de verdachte op de cautie hadden moeten wijzen. Samenvattend concludeert de rechtbank dat geen sprake is van een vormverzuim en dat het recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM, niet is geschonden. Dat betekent dat de bevindingen van de verbalisanten voor het bewijs kunnen worden gebruikt, zonder dat aanleiding bestaat om de verdachte hiervoor te compenseren.

3.3.2.2. Juridisch kader zedenfeiten

In een zedenzaak doet zich vaak de situatie voor dat alleen de aangeefster en de verdachte aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde handelingen en dat zij elk iets anders verklaren over wat er is gebeurd, zoals ook in dit geval.

Met betrekking tot de vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de beschuldiging geldt het volgende. Volgens de wet kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan door de rechtbank niet alleen worden aangenomen op de verklaring van één getuige (in dit geval de verklaring van alleen de aangeefster), ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar vindt. Voor een bewezenverklaring moet sprake zijn van steunbewijs.

Bij de beoordeling van het bewijs in zedenzaken moet de rechtbank dus eerst de betrouwbaarheid van de verklaring van het vermeende slachtoffer beoordelen, dan bekijken of er ander bewijs in het dossier zit dat die verklaring ondersteunt, en vervolgens beoordelen of er tegenaanwijzingen (contra-indicaties) zijn. Hiervoor geldt het volgende.

Betrouwbaarheid

De betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster, en dus de bruikbaarheid daarvan voor het bewijs, wordt beoordeeld door deze te toetsen op onder meer consistentie, volledigheid en authenticiteit. Als verklaringen op (ondergeschikte) punten van elkaar verschillen, of daarin zelfs tegenstrijdigheden voorkomen, maakt dat die verklaringen niet per definitie onbetrouwbaar. Het gaat erom of de verklaringen op voor de tenlastelegging relevante onderdelen, dus de seksuele handelingen, consistent zijn.

Steunbewijs

Als de rechtbank tot de conclusie komt dat een verklaring van een aangeefster gebruikt kan worden voor het bewijs, moet de rechtbank vervolgens beoordelen of de verklaring steun vindt in overig bewijs. Steunbewijs kan bijvoorbeeld worden gevonden in de gemoedstoestand van een aangeefster kort na het tenlastegelegde feit. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaringen van de aangeefster voldoende wettig bewijs van het tenlastegelegde opleveren. Hierbij is niet vereist dat de gedraging zelf steun vindt in ander bewijsmateriaal, mits de verklaring van de aangeefster op specifieke punten bevestiging vindt in het overige bewijsmateriaal en tussen de verklaring van de aangeefster en het overige bewijsmateriaal niet een te ver verwijderd verband bestaat. Dit moet worden beoordeeld op basis van de concrete feiten en omstandigheden van het voorliggende geval.

Contra-indicaties

Wanneer de verklaring betrouwbaar is en ook voldoende steun vindt in ander bewijs, moet tot slot worden bekeken of er tegenaanwijzingen (contra-indicaties) zijn op grond waarvan de rechtbank er desondanks toch niet van overtuigd is dat het feit is begaan door de verdachte.

Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster

De aangeefster heeft op meerdere momenten verklaard over de ten laste gelegde feiten, te weten tijdens het informatieve gesprek zeden bij de politie en tijdens haar aangifte. Daarbij heeft zij concreet en consistent verklaard over de aard van de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsvonden. De aangeefster heeft uitvoerig en gedetailleerd verklaard over de wijze waarop de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. In het bijzonder heeft zij gedetailleerd verklaard over de eerste keer dat de verdachte ontuchtige handelingen bij haar verrichte, de keer die zij zich het beste kon herinneren en de laatste keer die zij zich kon herinneren. Haar eerste herinnering ziet op een moment bij het afdrogen toen zij zeven jaar oud was. Aangeefster heeft hierover verklaard dat de verdachte haar heel langzaam afdroogde bij haar vagina en tussen haar schaamlippen, terwijl zij al droog was. Dit ‘afdrogen’ week volgens de aangeefster af van het afdrogen zoals oma deed. Over de keer die zij zich het beste herinnerde heeft zij gedetailleerd verklaard over het tijdstip, de aanloop (zij was ziek en sliep bij haar opa in bed), de koude handen van de verdachte op haar borsten en later ook bij (het gaatje van) haar vagina. Ook over de laatste herinnering heeft de aangeefster gedetailleerd verklaard: wat er aan het misbruik vooraf was gegaan en hoe en waar het misbruik plaatsvond. Dat er een klein verschil is in de verklaringen van de aangeefster over het moment van het laatste misbruik (één dan wel drie weken voordat zij 14 jaar werd) oordeelt de rechtbank van ondergeschikt belang, nu de kern van haar verklaringen consistent is. De door de raadsvrouw overgelegde brief die afkomstig zou zijn van de aangeefster en waarin zij spijt zou betuigen, doet niet af aan de consistentie en betrouwbaarheid van haar verklaringen. Als de brief inderdaad van aangeefster is, blijft onduidelijk wanneer zij deze heeft geschreven en in welke context. Het schrijven van deze brief kan heel wel zijn ingegeven door loyaliteit naar haar familieleden en de (mogelijk) grote gevolgen van haar verklaring voor haar grootouders. In het algemeen geldt dat slachtoffers van (familiaal) misbruik tegelijk ook nog gevoelens van loyaliteit voor de dader kunnen hebben.

De rechtbank oordeelt dat de verklaring die door de aangeefster is afgelegd betrouwbaar is en bruikbaar voor het bewijs.

Steunbewijs

Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of deze op zichzelf geloofwaardige verklaring in voldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangeefster wordt bevestigd door twee afzonderlijke processen-verbaal, waaronder het proces-verbaal waarvan eerder is vastgesteld dat dit voor het bewijs kan worden gebruikt. Daarin staat dat de verdachte spontaan aan de politie heeft verteld dat hij zijn kleindochter heeft misbruikt. Uit een ander proces-verbaal van bevindingen, van diezelfde dag, blijkt dat de verdachte ook tegenover de verpleegkundige in het ziekenhuis heeft gezegd dat hij zijn kleindochter heeft misbruikt. Deze processen-verbaal ondersteunen de aangifte in hoge mate, nu zij mededelingen van de verdachte zelf bevatten.

De rechtbank merkt daarbij op dat de verdachte drie dagen nadat de aangeefster bij hem uit huis is geplaatst een suïcidepoging heeft ondernomen en de uitlatingen over misbruik heeft gedaan. De rechtbank oordeelt het aannemelijk dat deze poging verband houdt met de tegen hem gedane beschuldigingen en zijn daaruit voortvloeiende psychische situatie. Dit volgt ook uit de mededeling van de verdachte tegenover verbalisanten dat hij zijn verantwoordelijkheid voor het misbruik wilde nemen door zichzelf van het leven te beroven. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de inname van verschillende soorten medicatie geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de uitlatingen. Daarbij is van belang dat de verdachte die dag tot tweemaal ongeveer hetzelfde heeft gezegd, met een tussentijd van enkele uren. De verdachte heeft op 17 januari 2021 tegen de politie gezegd dat het misbruik anderhalf jaar tevoren voor het laatst had plaatsgevonden. Voor het einde van de pleegperiode gaat de rechtbank echter uit van de verklaring van aangeefster, nu zij dit moment gedetailleerd beschrijft en in de tijd plaatst (gerelateerd aan haar veertiende verjaardag).

Contra-indicaties

De rechtbank ziet in het licht van het voorgaande in het door de advocaat van de verdachte aangevoerde geen contra-indicaties voor een bewezenverklaring.

Conclusie De rechtbank oordeelt wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1 tot en met 3.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

feit 1

omstreeks de periode van 29 augustus 2013 tot en met 28 augustus 2018 te [woonplaats] , met [slachtoffer] ( [2006] ), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn, verdachtes, vingers/handen in de

vagina van die [slachtoffer] gebracht en de borsten en de vagina van die [slachtoffer] aangeraakt/betast met zijn, verdachtes, vingers en handen;

feit 2

omstreeks de periode van 28 augustus 2018 tot en met 22 augustus 2020 te [woonplaats] , met [slachtoffer] , geboren op [2006] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het van zijn, verdachtes, vingers en handen in de vagina van die [slachtoffer] en het aanraken/betasten van de borsten en de vagina van die [slachtoffer] met zijn, verdachtes, vingers en handen;

feit 3

omstreeks de periode van 29 augustus 2013 tot en met 22 augustus 2020 te [woonplaats] , met [slachtoffer] ( [2006] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het aanraken/betasten van de borsten en de vagina van die [slachtoffer] met zijn, verdachtes, vingers en handen, terwijl hij, verdachte, de opa van die [slachtoffer] was en terwijl die [slachtoffer] bij hem, verdachte, woonde en aldus terwijl die [slachtoffer] telkens aan zijn, verdachtes, zorg en waakzaamheid was toevertrouwd.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

feit 2

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

feit 3

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, begaan tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige.

Strafbaarheid feit en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank, bij het opleggen van een straf, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en aan hem een geheel voorwaardelijke (gevangenis)straf op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden op.

Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer zeven jaar met regelmaat seksuele handelingen bij zijn minderjarige kleindochter verricht, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. Het slachtoffer woonde op jonge leeftijd bij haar oma en opa (de verdachte) omdat haar ouders niet goed voor haar konden zorgen. Zij was dus niet alleen kwetsbaar door haar jonge leeftijd, maar ook door de moeilijke thuissituatie en het gebrek aan vangnet. Het slachtoffer was aan de zorg en waakzaamheid van haar opa toevertrouwd en zij had in elke opzicht gesteund en veilig bij hem moeten zijn. Toch heeft hij ernstig misbruik gemaakt van haar afhankelijkheid en kwetsbaarheid. Uit de verklaring die namens het slachtoffer ter terechtzitting is voorgelezen komt naar voren dat de feiten enorme gevolgen voor haar hebben gehad. De rechtbank rekent het de verdachte ernstig aan dat hij zijn jonge, kwetsbare kleindochter zoveel schade heeft toegebracht, waarbij hij enkel oog heeft gehad voor zijn eigen verlangens. Gelukkig heeft het slachtoffer zich bewonderenswaardig veerkrachtig getoond door haar leven voort te zetten in een fijn pleeggezin, een opleiding te volgen, haar rijbewijs te halen en een baan als bijzondere opsporingsambtenaar te vinden.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 mei 2025 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een (soortgelijk) strafbaar feit.

Verder heeft de rechtbank gekeken naar het Neuropsychologische expertise onderzoek van 30 januari 2026 dat is verricht naar aanleiding van de vraag of de verdachte de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging voldoende begrijpt en in staat is het verhandelde ter terechtzitting adequaat te volgen. Uit dit onderzoek volgt dat de verdachte door zijn huisarts is gediagnosticeerd met alzheimer. Nadere diagnostiek door een neuroloog, psychiater of geriater heeft niet plaatsgevonden, zodat over de preciezere aard en ernst van de aandoening geen verdere gegevens beschikbaar zijn. Wel is sprake van een geheugenstoornis en een sombere stemming, die van invloed zijn op onder meer zijn aandacht en zijn concentratie. De onderzoeker concludeert dat de verdachte de strekking van de vervolging ondanks deze beperkingen in voldoende mate begrijpt.

De ernst van de bewezenverklaarde feiten en het belang van vergelding brengen in beginsel mee dat niet kan worden volstaan met een andere (lichtere) strafsoort of een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. De vraag is of hiervan in deze zaak moet worden afgeweken gelet op de geestelijke gesteldheid van de verdachte. De rechtbank heeft in dit verband kennisgenomen van de adviezen over de detentiegeschiktheid van de verdachte van 10 november 2025 en 16 maart 2026. Uit het eerstgenoemde advies blijkt dat bij de verdachte sprake is van Alzheimer dementie, die gepaard gaat met aanzienlijke cognitieve beperkingen. De partner van de verdachte ondersteunt hem intensief in het dagelijks functioneren, maar de verdachte is nog in staat tot bepaalde vormen van zelfzorg. De aandoening kent een progressief verloop, maar het verloop is onvoorspelbaar. In een vergevorderd stadium kan opname in een (gesloten) zorginstelling noodzakelijk zijn, waarbij de benodigde zorg binnen detentie niet op gelijk niveau kan worden geboden en het gesloten karakter daarvan tot verergering van klachten kan leiden. Van een dergelijke eindfase is op dit moment nog geen sprake, nu de verdachte nog thuis woont, onder begeleiding activiteiten onderneemt en dagbesteding volgt. Wel is volgens de casemanager van de verdachte 24-uurs toezicht nodig. Om die reden wordt initiële plaatsing in het [inrichting] (hierna: [inrichting] ) aangewezen geacht, waar intensieve medische zorg wordt geboden en de zorgbehoefte nader kan worden vastgesteld. Daarbij wordt opgemerkt dat veranderingen in de leefomgeving een tijdelijke verergering van klachten kunnen veroorzaken en dat de duur van de detentie van invloed kan zijn op de mate van aanpassing door de verdachte. Indien de situatie bij plaatsing anders blijkt, kan een hernieuwde beoordeling plaatsvinden of uitplaatsing naar een passende zorgsetting worden overwogen. De verdachte wordt derhalve detentiegeschikt geacht, mits aanvankelijk geplaatst in het [inrichting] .

Uit het advies van 16 maart 2026 volgt dat volgens de partner van de verdachte sprake is van een verdere achteruitgang in het cognitief functioneren, zichtbaar in verminderd initiatief en meer teruggetrokken gedrag. Deze ontwikkeling geeft echter geen aanleiding voor de onderzoeker om het eerdere advies te wijzigen. Het eerdere advies blijft dus van kracht, inhoudende dat de verdachte op medische gronden detentiegeschikt is, onder de voorwaarde van initiële plaatsing in het [inrichting] . Het advies heeft een geldigheidsduur van drie maanden, waarna – afhankelijk van de omstandigheden en de duur van de detentie – zo nodig een nieuw advies kan worden aangevraagd.

De rechtbank stelt voorop dat uit het onderzoek volgt dat de verdachte detentiegeschikt is bevonden. Hoewel bij hem sprake is van cognitieve beperkingen als gevolg van (Alzheimer)dementie, is niet gebleken van een zodanig ernstig beeld dat hij hierdoor als volledig detentieongeschikt moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat de verdachte ter terechtzitting in staat is gebleken de vragen van de rechtbank te begrijpen en – hoewel soms beperkt – te beantwoorden. Ook heeft hij inzicht kunnen geven in bepaalde onderdelen van zijn functioneren, de dynamiek van zijn gezin en heeft hij zijn visie op de beschuldiging tamelijk helder naar voren gebracht.

Voorts is gebleken dat hij, hoewel hij in het dagelijks leven sterk leunt op de ondersteuning van zijn partner en veel activiteiten gezamenlijk met haar verricht, nog wel degelijk in staat is om bepaalde taken zelfstandig uit te voeren. De rechtbank onderkent dat uit de onderzoeken en de verklaring van de partner naar voren komt dat sprake is van achteruitgang in het cognitief functioneren van de verdachte. De rechtbank merkt echter op dat dit beeld met name is gebaseerd op hetgeen door de partner van de verdachte is verklaard in het kader van het Neuropsychologische expertise onderzoek. Dat neemt niet weg dat de rechtbank rekening houdt met de kwetsbare gezondheidssituatie van de verdachte en de verwachting dat zijn toestand in de toekomst kan verslechteren.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf.

Ten aanzien van de tenuitvoerlegging overweegt de rechtbank dat, zoals door de officier van justitie ter terechtzitting is opgemerkt, voorafgaand aan en tijdens de executie van de gevangenisstraf opnieuw zal moeten worden beoordeeld of de verdachte in staat is een gevangenisstraf te ondergaan. Indien op enig moment zou blijken dat sprake is van detentieongeschiktheid, zijn er binnen het systeem voldoende mogelijkheden om te waarborgen dat de verdachte de zorg en begeleiding krijgt die zijn medische toestand vereist, al dan niet in een daarvoor geschikte (gesloten) zorgsetting. Met in achtneming van dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden op.

De rechtbank wijkt hiermee af van de eis van de officier van justitie, omdat zij ook begrijpt dat een gevangenisstraf verdachte vanwege zijn hoge leeftijd en zijn diagnose dementie vermoedelijk extra zwaar zal vallen. Daarnaast heeft deze zaak al vier jaar boven het hoofd van de verdachte gehangen. De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met dit tijdsverloop.

Tenuitvoerlegging van de straf

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

6. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 18.000,- voor de feiten 1 tot en met 3, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering van de benadeelde partij volledig moet worden toegewezen. Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en daarbij dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, vanwege de verzochte vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het gevorderde bedrag te matigen tot een bedrag van € 10.000,-, dan wel te matigen naar een bedrag op basis van de schattingsbevoegdheid van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat zij door de strafbare feiten op andere wijze in haar persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft daarbij voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie ontucht met binnendringen (ernstig) van de Rotterdamse schaal. De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 6.000,- tot € 12.500,- tot uitgangspunt. Gezien de eerder beschreven omstandigheden – namelijk dat het slachtoffer een kwetsbaar meisje was en het misbruik door haar opa gedurende langere tijd heeft plaatsgevonden – oordeelt de rechtbank een bedrag van € 12.500,- billijk. Concluderend wijst de rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 12.500,-. Omdat de rechtbank de schade van de benadeelde partij op een lager bedrag begroot, wijst zij de vordering van de benadeelde partij voor het meerdere af.

Wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 3 april 2026 (de datum van het vonnis) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De rechtbank kiest voor deze ingangsdatum van de wettelijke rente, en niet voor een ingangsdatum in of dichter op de bewezenverklaarde periode, omdat de rechtbank bij de bepaling van de schadevergoeding aansluiting heeft gezocht bij de indicatieve bedragen die zijn opgenomen in de Rotterdamse schaal. Nu die bedragen zijn geïndexeerd tot 1 juni 2025, betekent dit dat de rechtbank de benadeelde partij een hoger bedrag aan immateriële schadevergoeding toekent dan het bedrag dat zij zonder indexering op basis van de bewezenverklaarde periode (van 29 augustus 2013 tot en met 22 augustus 2020) had toegekend. Om dit te compenseren stelt de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke rente later vast, namelijk op de datum van het vonnis. De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 12.500,- aan de Staat moet betalen.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 april 2026 (de datum van het vonnis) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 87 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

7. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

8. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 tot en met 3 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] feiten 1 tot en met 3

- wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 12.500,-;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 april 2026 tot de dag van volledige betaling;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat

€ 12.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 april 2026 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 87 dagen gijzeling;

- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- wijst het meer of anders door [slachtoffer] gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. Duinkerken, voorzitter, mrs. V.A. Groeneveld en

H.J. van Woudenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. van Dieren als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.

De voorzitter en oudste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1

hij in of omstreeks de periode van 29 augustus 2013 tot en met 28 augustus 2018 te

[woonplaats] , althans in Nederland, met [slachtoffer] ( [2006] ), die toen de leeftijd

van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die

bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn, verdachtes, vinger(s)/hand(en) in de

vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of de borsten en/of de vagina van die [slachtoffer]

aangeraakt/betast met zijn, verdachtes, vingers(s) en/of hand(en);

feit 2

hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2018 tot en met 22 augustus 2020 te

[woonplaats] , althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [2006] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het duwen/brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of hand(en) in de vagina van die [slachtoffer] en/of het aanraken/betasten van de borsten en/of de vagina van die [slachtoffer] met zijn, verdachtes, vinger(s) en/of hand(en);

feit 3

hij in of omstreeks de periode van 29 augustus 2013 tot en met 22 augustus 2020 te

[woonplaats] , althans in Nederland, met [slachtoffer] ( [2006] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het aanraken/betasten van de borsten en/of de vagina van die [slachtoffer] met zijn, verdachtes, vinger(s) en/of hand(en), terwijl hij, verdachte, de opa van die [slachtoffer] was en/of terwijl die [slachtoffer] bij hem, verdachte, logeerde, en/of woonde en/of (aldus) terwijl die [slachtoffer] (telkens) aan zijn, verdachtes, zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd.

Bijlage II: Bewijsmiddelen

Bewijsmiddelen feit 1, feit 2 en feit 3

Uit het proces-verbaal van het informatieve gesprek zeden van 4 maart 2021 met [slachtoffer] , geboren op [2006] volgt, zakelijk weergegeven:

Sinds ik 7 jaar was, heeft opa aan mij gezeten. 's Avonds ging ik naar bed en dan kwam opa weleens naar boven en ging hij me aanraken op plekken waar ik het niet wilde. Dat gebeurde dan in bed en ook weleens als ik bij hem op schoot ging zitten. Hij raakte me bij mijn borsten en poenie, daarmee bedoel ik mijn vagina, aan. Ik sliep in een korte broek en t-shirt en dan ging hij onder mijn kleding. Op mijn blote huid raakte hij me dan aan. Hij raakte met zijn handen mijn borsten en vagina aan. Hij zat met zijn handen aan mijn borsten en zat met zijn hand, vinger aan mijn vagina. Hij ging met zijn vinger er in en rond mijn vagina. Dit gebeurde in het huis van mijn opa en oma. Ze wonen op de [adres ] in [woonplaats] .

De laatste keer dat opa aan mij heeft gezeten, was een week voor mijn verjaardag, rond […] 2020. Ik denk dat het wel 50 keer is gebeurd dat opa aan mij heeft gezeten.

Uit het proces-verbaal van aangifte van 23 maart 2021 volgt, zakelijk weergegeven:

Aangever

Achternaam: [slachtoffer]

Voornamen: [voornamen]

Geboren: [2006]

Sinds mijn 7e ging ik naar bed en dan kwam opa naast mij liggen en dan ging hij

mij aanraken op plekken waar ik niet wou. Ook als we op de bank lagen ging hij mij aanraken.

V: Wat is de eerste keer dat jij je kan herinneren dat opa seksuele handelingen bij

of met jou deed?

A: Dat ik onder de douche stond en dat hij mij ging afdrogen. Toen was ik 7 jaar.

Hij ging eerst overal afdrogen en pas daarna ging hij onderaan beginnen. Hij deed dan

heel sloom bij mijn puni.

V: Je zei dat hij heel sloom deed bij je puni, wat deed hij dan?

A: Met de handdoek ging hij dan tussen mijn schaamlippen, niet in het gaatje,

meerdere keren erover heen terwijl ik al droog was.

V: Waar raakte hij je mee aan?

A: Met de handdoek en soms met zijn hand want dan ging hij voelen of het al droog

was.

V: Kun je ons vertellen over de keer die jij je het beste kan herinneren?

A: Ik was in bed. In het bed van opa en oma want ik was ziek geweest. Ik was flauw

gevallen en oma ging de dokter bellen. Die avond mocht ik in het bed van opa en oma slapen. Toen was het rond 3 of 4 uur in de nacht. Ik weet dat omdat er een wekker stond naast het bed. Ik was misselijk en was naar de wc gegaan. Opa lag te snurken. Ik had een kopje water gepakt. Opa werd wakker en opa vroeg wat er was. Ik had gezegd dat ik water had gepakt en ben weer in slaap gevallen. Ik voelde toen hele koude handen op mijn borsten maar ik deed net alsof ik t niet voelde. Het stopte toen. Ik ben toen weer verder gaan slapen. Ik ben denk ik omgedraaid in mijn slaap. Ik sliep alleen in een T-shirt die te groot was met een onderbroek en ik had toen altijd een sport bh als ik sliep maar daar was hij toen in gegaan. Toen werd ik weer wakker en zat hij met zijn handen in mijn onderbroek bij mijn puni. Hij ging mij aanraken. Hij ging met zijn vingertopje steeds er langs. Het duurde best lang. Ik draaide mij toen om en toen draaide hij mij terug. Toen hoorde hij oma en toen stopte hij. Hij stopte altijd als hij oma hoorde.

V: We gaan het eerst hebben over je borst.

A: Hij maakte rondjes met zijn hand over mijn borst. Met zijn vinger op mijn tepel. Hij deed heen en weer bewegen met zijn vinger op mijn tepel.

V: Hoe stopte dit?

A: Omdat ik omdraaide. Zijn arm kon niet mee.

V: Vervolgens voel je een vinger in je onderbroek, vertel daar eens alles over?

A: Je hebt het gaatje bij je puni en daar ging hij bewegen met zijn vinger. Met zijn vinger op en neer.

V: Weet je met welke vinger en hoe weet je dat het een vinger was?

A: Opa hand zat er. Opa had gerimpelde vingers. Toen ik klein was pakte ik altijd zijn hand. Zijn vinger was altijd heel erg ruw en vandaar dat ik het wist dat het zijn vinger was. Ik weet niet wat het anders had kunnen zijn. Ik lag op plat en hij lag met zijn onderarm op mijn zij en lies. Dan weet ik dat het zijn arm was met zijn vinger.

V: Hoe oud was jij toen?

A: Ik was net 13 zoiets, ietsje erna.

V: Weet jij nog de hoeveelste keer het was dat hij dit deed?

A: Ik weet niet hoeveel keer hij het eerder heeft gedaan maar wel dat het niet de eerste keer was en ook niet de laatste keer.

V: Wat was de laatste keer dat jij je kan herinneren dat opa seksueel contact met jou had?

A: 3 weken voordat ik 14 jaar was geworden. Ik lag in mijn bed en opa kwam naar mij toe. Opa kwam boven en kwam naast mij liggen op de deken. De deken lag heel strak

aan mij omdat hij erbovenop lag. Met zijn hand ging hij helemaal naar beneden, in de

deken. Hij had mijn pyjama omhoog gedaan en hij raakte mij aan op dezelfde plekken

als de vorige keer en meer ik weet ik niet precies.

V: Welke handelingen heeft hij toen bij jou verricht?

V: Hoe ging dat met je kleding als opa je borst aan raakte?

A: Hij ging in mijn BH.

V: En hoe ging dat bij je puni?

A: In mijn onderbroek.

V: Waarmee ging hij in je onderbroek bij je puni?

A: Met zijn hand.

V: Wat deed hij met zijn hand?

A: Met zijn vinger bij dat gaatje.

V: Wat maakt hij voor beweging bij dat gaatje?

A: Op en neer.

V: Ging hij ook in het gaatje?

A: Alleen het topje van zijn vinger ging erin.

Verbalisanten [verbalisant 1] [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben in een proces-verbaal van bevindingen van 18 april 2024 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Wij zijn met de heer [verdachte] in gesprek gegaan. In dit gesprek hoorde wij hem onder andere zeggen dat hij;

- het leven niet meer te zien zitten;

- een einde aan zijn leven te willen maken;

- zijn kleindochter had misbruikt en dit anderhalf jaar geleden voor het laatst zou hebben plaatsgevonden; ;

- verantwoordelijkheid te willen nemen door zichzelf van het leven te beroven;

- veel medicijnen te hebben ingenomen.

Verbalisant [verbalisant 4] heeft in een proces-verbaal van bevindingen van 17 januari 2021 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Ik zag dat er een verpleegster door het gordijn de kamer binnen liep. Ik hoorde de

verpleegster vragen hoe het met de man ging en dat zij vroeg wat er gebeurd was.

Hierop hoorde ik de man zeggen: "Ik heb mijn kleindochter misbruikt.

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?