RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/606831 / KL ZA 26-42
Vonnis in kort geding van 23 maart 2026
in de zaak van
1. [eiseres sub 1] B.V.,
te [plaats] ,2. [eiseres sub 2] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partijen in conventie en gedaagde partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eiseressen] ,
advocaat: mr. C.J.W. Tijsseling,
tegen
1. [gedaagde sub 1] B.V. H.O.D.N. [handelsnaam] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [plaats] ,3. [gedaagde sub 3] B.V.,
te [plaats] ,4. [gedaagde sub 4] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partijen in conventie en eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaten: mr. M. Mussche en mr. Y. Pletting.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 februari 2026, met 8 producties,- de conclusie van antwoord in conventie en de eis in reconventie, met 3 producties,- de mondelinge behandeling van 9 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van [eiseressen] ,- de pleitnota van [gedaagden]
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De kern van het geschil
[eiseressen] (als eiseres) en [gedaagden] (als gedaagden) zijn verwikkeld in een bodemprocedure. Daarin staat de vraag of [gedaagden] een geheimhoudingsplicht jegens [eiseressen] heeft geschonden centraal. [eiseressen] heeft onder [gedaagden] conservatoir bewijsbeslag gelegd op een groot aantal bescheiden, digitale bestanden en gegevensdragers van [gedaagden] waarover DigiJuris als bewaarder is benoemd.
[eiseressen] heeft in die procedure een incidentele vordering ingesteld tot inzage “in het volledige onderzoek van DigiJuris” (artikel 194 e.v. Rv). Bij incidenteel vonnis van 7 januari 2026 is [gedaagden] veroordeeld tot afgifte van “een kopie van het rapport van DigiJuris (opgemaakt naar aanleiding van het op 16 mei 2025 gelegde bewijsbeslag onder [gedaagden] )”.
[gedaagden] meent aan die veroordeling te hebben voldaan door afgifte van het ‘duidingsrapport’ van DigiJuris van 7 juli 2025. Het duidingsrapport bevat geen inhoudelijke informatie over het onderzoek van DigiJuris.
[eiseressen] stelt dat [gedaagden] gehouden is meer bescheiden te verstrekken. In dit kort geding vordert [eiseressen] opnieuw afgifte van bescheiden, te weten (primair): alle fysieke en digitale data die DigiJuris na definitieve selectie onder zich heeft en (subsidiair): een complete datadump van alle files die zijn gevonden met de zoektermen [naam zoektermen] , [naam zoektermen] , [naam zoektermen] , [naam zoektermen] , [naam zoektermen] en [naam zoektermen]. [gedaagden] vordert in reconventie opheffing van het bewijsbeslag.
De principiële verweren van [gedaagden] dat [eiseressen] na het incidentele vonnis niet nog een keer in kort geding inzage kan vragen worden afgewezen. Omdat [eiseressen] voldoende belang heeft bij inzage, maar de vorderingen onder 2.4 met het oog op de door haar gestelde overtreding van de geheimhoudingsplicht niet voldoende bepaald zijn, wordt [eiseressen] in de gelegenheid gesteld haar afgiftevordering nader te beperken en te specificeren. [gedaagden] mag daarop reageren. De vordering in reconventie zal worden afgewezen.
3. De beoordeling
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiseressen] daarbij een spoedeisend belang heeft. Hiervan is sprake als, gelet op de belangen van partijen, op korte termijn een voorziening geboden is en de afloop van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
In conventie
Aanvulling vordering
Ter zitting is de vordering in conventie door [eiseressen] aangevuld. Die aanvulling betreft dat de voorzieningenrechter ‘ [gedaagden] veroordeelt’ de gerechtelijk bewaarder opdracht te geven inzage, uittreksel of afschrift te verstrekken. [gedaagden] stelt dat deze aanvulling ter zitting in strijd is met de goede procesorde. De voorzieningenrechter wijst dit bezwaar af. Het is een kleine, eenvoudige en ook logische aanvulling die niet leidt tot onnodige vertraging of complicatie van de procedure.
Spoedeisend belang, voldoende belang en de mogelijkheid van kort geding
Door [gedaagden] is in de eerste plaats betwist dat [eiseressen] de mogelijkheid heeft om haar vordering in kort geding in te stellen, omdat op haar inzagevordering óf reeds bij vonnis in incident is beslist, óf het een nieuwe inzagevordering betreft, in welk geval deze vordering niet kan worden ingesteld nadat de bodemprocedure aanhangig is gemaakt. Op deze grond stelt [gedaagden] dat [eiseressen] niet ontvankelijk is. In de tweede plaats betwist zij dat [eiseressen] een spoedeisend belang en een voldoende belang (in de zin van artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek (BW)) heeft bij haar vorderingen. Deze verweren zijn met elkaar verweven en de voorzieningenrechter ziet aanleiding deze verweren gezamenlijk te behandelen.
De ontvankelijkheid van [eiseressen]
De voorzieningenrechter stelt vast dat er een verschil is tussen de inhoud van het incidentele inzageverzoek en hetgeen daarop is beslist. De incidentele vordering betreft het gehele onderzoek van DigiJuris en het vonnis betreft de inzage in (slechts) het rapport van DigiJuris. De voorzieningenrechter begrijpt deze discrepantie aldus dat de rechtbank in het incident er veronderstellenderwijs van uit is gegaan dat het gehele onderzoek van DigiJuris zou blijken uit het rapport van DigiJuris. Uit het duidingsrapport van 7 juli 2025 en de bespreking daarvan ter zitting is gebleken dat deze veronderstelling onjuist is. Het onderzoek van DigiJuris beslaat een groot aantal documenten, maar de inhoud daarvan heeft niet geleid tot een inhoudelijk rapport, maar slechts tot het genoemde duidingsrapport. Inhoudelijk zegt het duidingsrapport niets over de onderzochte documenten.
[eiseressen] is weliswaar in het incident in het gelijk gesteld, maar het haar toegekende recht op inzage betreft niet de bescheiden waarvan zij inzage had verzocht. De procesrechtelijke middelen die [eiseressen] hierbij mogelijk ten dienste staan, zoals het instellen van hoger beroep tegen het vonnis in incident, of de mogelijkheid om aanvulling van het vonnis in incident te verzoeken, doen aan de mogelijkheid van dit kort geding niet af. Dat geldt ook voor het nieuwe bewijsrecht. Het nieuwe bewijsrecht gaat er weliswaar vanuit dat in een lopende procedure geen voorlopige bewijsverrichting kan worden verzocht bij een andere rechtbank dan de rechtbank in de lopende procedure, maar onder de gegeven omstandigheden doet dat niet af aan de mogelijkheid van [eiseressen] om in dit kort geding deze bewijsverrichting te verzoeken. Dit kort geding hangt namelijk onlosmakelijk samen met de bij deze rechtbank, in overeenstemming met het nieuwe bewijsrecht, ingediende incidentele inzagevordering. Het beroep dat [gedaagden] heeft gedaan op strijdigheid met de goede procesorde en de niet ontvankelijkheid van [eiseressen] gaat dus niet op.
Het belang van [eiseressen]
[eiseressen] stelt dat pompen op de markt zijn gebracht die technisch volledig identiek zijn aan de door [eiseressen] geproduceerde pompen. Zij heeft ter zitting nader onderbouwd dat enkele van die pompen, die technisch volledig identiek zijn aan de door haar geproduceerde pompen, per abuis bij haar zijn afgeleverd, en afkomstig bleken van een opdrachtnemer van [gedaagden]
[gedaagden] heeft ter zitting opgemerkt dat er partijen op de markt zijn die openlijk adverteren dat zij [eiseressen] -pompen kunnen maken. [eiseressen] heeft echter onbetwist gesteld dat het weliswaar mogelijk is om haar pompen na te maken, maar dat een technisch volledig identieke versie daarvan, zoals die bij haar is afgeleverd en op ook de markt is, niet kan worden geproduceerd zonder te beschikken over de technische know-how en tekeningen van [eiseressen] .
De heer [gedaagde sub 2] is als interim manager werkzaam geweest bij [eiseressen] en had uit hoofde van die functie toegang tot de technische know-how en de technische tekeningen en gegevens die noodzakelijk zijn voor de productie van de pompen van [eiseressen] . Met betrekking tot die functie rust op de heer [gedaagde sub 2] een contractuele geheimhoudingsplicht.
De bovenstaande omstandigheden, in samenhang beschouwd, hebben bij [eiseressen] het sterke vermoeden doen ontstaan dat [gedaagden] gebruikmaakt van de technische know-how van [eiseressen] die de heer [gedaagde sub 2] onder zich had uit hoofde van zijn functie als interim manager bij [eiseressen] , om voor eigen gewin pompen te (laten) produceren en op de markt te (laten) brengen die technisch volledig identiek zijn aan de pompen van [eiseressen] . De vraag of dit zo is en de daaraan gerelateerde vraag of de heer [gedaagde sub 2] zijn geheimhoudingsplicht jegens [eiseressen] heeft geschonden, zijn onderwerp van het geschil in de bodemprocedure.
Het belang van [eiseressen] bestaat uit een voldoende aannemelijk vermoeden van een schending door [gedaagden] van een belangrijke geheimhoudingsplicht die strekt tot de bescherming van de technische know-how van [eiseressen] . Dit belang levert een voldoende belang op (in de zin van art. 3:303 BW) en is naar zijn aard spoedeisend, mede met het oog op de lopende bodemprocedure.
[eiseressen] moet haar inzagevordering nader beperken en specificeren
Voor toewijzing van een vordering tot inzage, afgifte of uittreksel van gegevens op grond van artikel 194 en 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is, onder meer, vereist dat de gegevens waarvan inzage wordt gevorderd, voldoende bepaald zijn. Dat betekent dat het genoemde voldoende en spoedeisende belang van [eiseressen] bij haar afgiftevordering slechts aanwezig is ten aanzien van informatie die betrekking heeft op de beweerdelijke inbreuk, te weten de schending van de hiervoor genoemde geheimhoudingsplicht ten aanzien van de technische know-how van [eiseressen] . Door [gedaagden] wordt betwist dat de informatie waarvan afgifte wordt gevorderd, voldoende bepaald is in de voorgenoemde zin.
[gedaagden] stelt daarnaast dat gewichtige redenen zich verzetten tegen toewijzing van de inzagevordering (artikel 194 lid 2 Rv) omdat de gegevens waarvan afgifte wordt gevorderd bedrijfsvertrouwelijke informatie bevatten. Zoals zojuist is overwogen, bestaat slechts een voldoende en spoedeisend belang van [eiseressen] bij afgifte van gegevens die betrekking hebben op de beweerdelijke inbreuk. Voor zover die gegevens bedrijfsvertrouwelijke informatie bevatten, gaat het beroep van [gedaagden] niet op. De kern van de aansprakelijkheid in de bodemprocedure betreft immers juist de vraag of [gedaagden] bij zijn bedrijfsmatige activiteiten gebruikmaakt van bedrijfsvertrouwelijke informatie van [eiseressen] .
Het inzageverzoek van [eiseressen] betreft primair: alle fysieke en digitale data die DigiJuris na definitieve selectie onder zich heeft en subsidiair: een complete datadump in een leesbaar format van alle files die zijn gevonden met de zoekterm [naam zoektermen] , [naam zoektermen] , [naam zoektermen] , [naam zoektermen] , [naam zoektermen] en [naam zoektermen] . Beide vorderingen acht de voorzieningenrechter met het oog op de mogelijke inbreuk onvoldoende bepaald. Gelet op het hierboven beschreven voldoende en spoedeisende belang van [eiseressen] stelt de voorzieningenrechter [eiseressen] in de gelegenheid om haar inzagevordering met het oog op de door haar gestelde inbreuk nader te beperken en te specificeren. Daarna mag [gedaagden] daarop reageren.
Iedere verdere beslissing in conventie wordt aangehouden.
In reconventie
De vordering tot opheffing van het conservatoire beslag zal worden afgewezen
In reconventie vordert [gedaagden] de opheffing van het op 16 mei 2025 gelegde conservatoire bewijsbeslag. [gedaagden] stelt daartoe, kort gezegd, dat de vordering van [eiseressen] in de bodemprocedure summierlijk ondeugdelijk is, dat het beslagverlof is verleend op basis van onvolledige informatie en dat de eis in de hoofdzaak niet tijdig is ingesteld en het beslag daarom van rechtswege is komen te vervallen (artikel 700 lid 3 Rv).
Zoals hiervoor is overwogen, heeft [eiseressen] voldoende belang bij haar inzagevordering. Dat brengt reeds met zich dat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van [eiseressen] in de bodemprocedure.
[eiseressen] betwist dat het beslagverlof is verleend op basis van onvolledige informatie. [gedaagden] verwijt haar ervan in het verlofverzoek een aandelenoverdracht van geringe aard en omvang niet te hebben benoemd. Uit het niet benoemen van een aandelenoverdracht van geringe aard en omvang in het verlofverzoek, volgt niet dat het beslagverlof is verleend op basis van onvolledige informatie.
Het conservatoire beslag vervalt van rechtswege, indien de eis in de hoofdzaak niet binnen de in het beslagverlof bepaalde termijn is ingesteld. In het beslagverlof is de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak bepaald op drie maanden na het eerst gelegde beslag. Het instellen van een incidentele inzagevordering geldt als het instellen van een eis in de hoofdzaak in de zin van artikel 700 Rv en in de zin van artikel 1019i Rv. Het conservatoire bewijsbeslag is gelegd op 16 mei 2025 en de incidentele inzagevordering is ingesteld op 7 augustus 2025. Dat betekent dat de eis in de hoofdzaak binnen de in het beslagverlof bepaalde termijn is ingesteld, zodat het conservatoire beslag niet van rechtswege is vervallen.
Het voorgaande betekent dat de eis in reconventie zal worden afgewezen. De beslissing in reconventie wordt aangehouden.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
bepaalt dat [eiseressen] uiterlijk op 30 maart 2026 zich bij akte dient uit te laten over hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 3.13,
bepaalt dat [gedaagden] zich vervolgens uiterlijk op 6 april 2026 bij antwoordakte dient uit te laten over de akte van [eiseressen] ,
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.