RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 12093277 \ AV EXPL 26-9
Verstekvonnis in kort geding van 23 maart 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende in ' [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S. Boes,
tegen
[gedaagde] ,
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 februari 2026 met producties.
- de mondelinge behandeling van 16 maart 2026. Daarbij was [eiser] aanwezig met gemachtigde mr. S. Boes. Namens [gedaagde] was niemand aanwezig. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
Tenslotte is bepaald dat vandaag het vonnis wordt gewezen.
2. De kern van de zaak
[eiser] (onder)verhuurt een bedrijfsruimte aan [gedaagde] . Volgens [eiser] heeft [gedaagde] een huurachterstand van € 33.657,61. [eiser] vordert ontruiming van de bedrijfsruimte en betaling van de huurachterstand. Daarnaast vordert [eiser] de contractuele boete van € 5.400,00, de contractuele incassokosten van € 6.108,86, een betaling van € 3.978,15 aan openstaande lening en schade en een veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen en de geldvorderingen tot een bedrag van € 23.637,61.
3. De beoordeling
De eisvermeerdering wordt buiten beschouwing gelaten
Tijdens de mondelinge behandeling van 16 maart 2026 heeft [eiser] een eisvermeerdering ingesteld. Op grond van artikel 130 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is een eisvermeerdering uitgesloten als gedaagde niet in geding is verschenen, tenzij deze tijdig bij exploot conform artikel 120 lid 3 Rv aan gedaagde kenbaar is gemaakt. Nu [gedaagde] niet is verschenen op de mondelinge behandeling en de eisvermeerdering niet bij exploot is aangezegd, is deze niet geldig. De kantonrechter zal de eisvermeerdering daarom buiten beschouwing laten.
Tegen [gedaagde] is verstek verleend
[gedaagde] was niet aanwezig op de mondelinge behandeling en heeft ook niet op een andere manier inhoudelijk gereageerd. Uit de dagvaarding volgt dat hij op de juiste manier is opgeroepen voor de zitting. Daarom is tijdens de mondelinge behandeling tegen hem verstek verleend. De zaak is dus zonder aanwezigheid of reactie van [gedaagde] behandeld. Dit betekent dat de vorderingen tegen hem worden toegewezen, tenzij de kantonrechter vindt dat deze in strijd zijn met de wet of een geldige reden ervoor ontbreekt.
De ontruiming
[eiser] vordert ontruiming van de bedrijfsruimte (een restaurant) aan de [adres] te [plaats] . Volgens [eiser] is er sprake van (structurele) wanbetaling door [gedaagde] . Dat blijkt uit het overzicht van huurbetalingen, waarin volgens [eiser] te zien is dat [gedaagde] sinds januari 2024 maar twee keer de volledige huurprijs heeft voldaan en geen enkele keer heeft ingelopen op de huurachterstand. De huidige huurprijs is € 1.881,71 per maand en de huurachterstand op het moment van de dagvaarding is € 33.657,61. Een deel daarvan, namelijk € 10.060,00, is [gedaagde] verschuldigd aan de vorige verhuurder ( [verhuurder] ). Ten opzichte van [eiser] is de huurachterstand € 23.597,61.
Het beoordelingskader voor ontruiming in kort geding
Een vordering tot ontruiming in kort geding kan worden toegewezen als [eiser] hierbij zoveel spoed heeft dat hij de uitkomst van een normale, uitgebreide procedure (bodemprocedure) niet hoeft af te wachten. Als er een spoedeisend belang is, moet de kantonrechter daarna beoordelen of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is om op de toewijzing daarvan vooruit te lopen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van de vordering worden afgewogen tegen de gevolgen hiervan voor [gedaagde] .
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van zo’n vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
[gedaagde] moet de bedrijfsruimte ontruimen
De kantonrechter oordeelt dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. [gedaagde] heeft een huurachterstand van ruim 12 maanden ten opzichte van [eiser] , die steeds verder oploopt. Daarnaast volgt uit (de stukken bij) de dagvaarding dat [gedaagde] maar twee keer de volledige huur heeft betaald sinds het sluiten van de huurovereenkomst met [eiser] . Verder is voldoende aannemelijk gemaakt dat er al lange tijd geen contact meer is met [gedaagde] , omdat [gedaagde] niet meer reageert op de berichten van [eiser] . Daarnaast heeft [eiser] tijdens de mondelingen behandeling toegelicht dat hij in gesprek is met een nieuwe huurder en dat er snel een nieuwe vergunning aangevraagd moet worden om het restaurant weer te kunnen openen. Gelet op deze omstandigheden kan van [eiser] niet gevraagd worden dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Daarnaast is het zeer waarschijnlijk dat de bodemrechter bij een dusdanige huurachterstand de huurovereenkomst zal beëindigen en de ontruiming zal toewijzen. Als laatst weegt het belang van [eiser] , om de bedrijfsruimte opnieuw te verhuren aan een huurder die een vergunning zal aanvragen en de huur wel op tijd betaald, zwaarder dan het belang van [gedaagde] . Hoewel het belang van [gedaagde] niet bekend is geworden, blijkt uit de foto’s van een stapel post achter de deur en het ontbreken van een vergunning, dat het restaurant feitelijk niet gebruikt wordt.
[eiser] heeft deze vordering dus niet zonder geldige reden ingesteld. De gevorderde ontruiming is ook niet in strijd met de wet. [gedaagde] moet daarom de bedrijfsruimte ontruimen. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op 7 dagen, zoals door [eiser] is gevorderd.
De geldvorderingen
Het beoordelingskader voor geldvorderingen in kort geding
Bij een geldvordering in kort geding moet de kantonrechter terughoudend zijn. Om een geldvordering in kort geding toe te wijzen is nodig dat [eiser] de geldvordering voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Ook moet [eiser] hierbij zoveel spoed hebben dat er een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen. Tot slot moet de kantonrechter in de afweging van de belangen van [eiser] en [gedaagde] rekening houden met het risico dat het geldbedrag niet meer wordt terugbetaald, welke risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.
De Hoge Raad heeft in haar arrest van 15 juni 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BA1522) geoordeeld: ‘Indien de hoofdvordering voldoende spoedeisend is om in kort geding te kunnen worden beoordeeld, is de proceseconomie ermee gebaat dat in hetzelfde geding ook over een daarmee nauw verwante nevenvordering als die ter zake van buitengerechtelijke kosten kan worden beslist.’
a. De huurachterstand
[eiser] vordert betaling van huurachterstand van totaal € 33.657,61. Dit bedrag bestaat voor € 10.060,00 uit een huurachterstand welke [gedaagde] heeft opgebouwd bij de vorige verhuurder en voor € 23.957,61 aan huurachterstand bij [eiser] .
Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] een vordering heeft van € 23.597,61 aan huurachterstand. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zijn liquiditeit in gevaar komt, omdat hij de bedrijfsruimte ook huurt en die huur gewoon moet betalen. Wat betreft het restitutierisico heeft [eiser] aangevoerd dat er voldoende vermogen is om dat op te vangen. Deze vordering wordt toegewezen nu niet (onderbouwd) is weersproken dat deze verschuldigde huur nog niet is betaald en de vordering mag worden ingesteld in kort geding.
Wat betreft het deel van de vordering ter grootte van € 10.060,00 stelt [eiser] dat hij deze vordering van de vorige verhuurder heeft overgenomen en dat hij daarom deze vordering mag innen bij [gedaagde] . Volgens [eiser] moeten de betaalverzoeken gezien worden als een mededeling van de overdracht van de vordering. De kantonrechter oordeelt dat in het dossier geen stukken zijn opgenomen waaruit een contractsovername blijkt en ook niet dat er een cessie is medegedeeld aan [gedaagde] . Het is de vraag of de bodemrechter de betaalverzoeken of de pogingen tot inning zal zien als een mededeling in het kader van cessie. Door [eiser] is niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de bodemrechter daarin zal meegaan. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
b. De contractuele boete
[eiser] vordert primair betaling van de contractuele boete en subsidiair de wettelijke rente over de huurachterstand. Een contractuele boete wordt in het algemeen regelmatig gematigd door de bodemrechter. In deze zaak was het restaurant dat in het gehuurde zat lange tijd gesloten. Hierin ligt een grond voor matiging. Door [eiser] is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze vordering kans van slagen heeft in een bodemprocedure. De vordering van € 5.400,00 zal daarom worden afgewezen. De subsidiare vordering wordt toegewezen vanaf de vervaldatum van de huurtermijnen.
c. De contractuele incassokosten
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 6.108,86. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Nu niet gesteld is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is gedaagde in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst die op of na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij de contractuele betalingstermijn is verstreken, zodat een bedrag van € 40,- ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW toewijsbaar is, ook als geen incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
d. De lening en schade
De kantonrechter is van oordeel dat de vorderingen uit een lening en schadevergoeding niet als een ‘nauw verwante nevenvordering’ kan worden gezien. Het is een van de ontruiming losstaande (geld)vordering waarvoor een afzonderlijk spoedeisend belang vereist is. Een afzonderlijk spoedeisend belang heeft [eiser] niet gesteld. De kantonrechter ziet daarnaast niet in dat een eventuele bodemprocedure ten aanzien van deze vorderingen niet kan worden afgewacht. De vordering tot betaling van het bedrag van € 3.978,15 zal daarom worden afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten vergoeden
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
967,02
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de bedrijfsruimte aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken en de sleutels af te geven aan [eiser] ,
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiser] € 23.597,61 aan achterstallige huur, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiser] € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 967,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.
64510