RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12051424 \ MV EXPL 26-4
Vonnis in kort geding van 23 maart 2026
in de zaak van
[eiser] , MEDE H.O.D.N. [handelsnaam],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H.R. Yücesan,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. P.L.M.F. Roosendaal.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in kort geding van 19 januari 2026 met producties 1 tot en met 12;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7;
- de akte van [eiser] met productie 13;
- de mondelinge behandeling van 2 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van [eiser] .
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] vordering II uit de dagvaarding, inhoudende het verlenen van inzage in en verstrekken van afschrift van schriftelijke bescheiden, ingetrokken.
Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.
2. De kern van de zaak
Op 14 juli 2025 is een huurkoopovereenkomst (financial lease) gesloten met betrekking tot een Peugeot 5008, met kenteken [kenteken] (hierna: de auto), tussen [eiser] als eindgebruiker, [bedrijf] als leasemaatschappij en [gedaagde] als leverancier. In augustus 2025 is de auto op de heenweg naar en de terugweg vanuit Italië uitgevallen. Op 26 augustus 2025 is de accu van de auto door de ANWB bij [eiser] thuis vervangen. [eiser] heeft de auto vervolgens eind september 2025 voor onderzoek en reparatie ter beschikking gesteld aan [gedaagde] . [gedaagde] meent dat de gebreken zijn ontstaan door de gebrekkige reparatie door de ANWB en dat zij niet gehouden is de auto af te geven tot haar onderzoeks- en reparatiekosten zijn voldaan. [eiser] weigert deze kosten te betalen en vordert afgifte van de auto. De voorzieningenrechter wijst die vordering toe.
3. De beoordeling
Toetsingskader in kort geding
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Hiervan is sprake als, gelet op de belangen van partijen, op korte termijn een voorziening geboden is en de afloop van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
In dit kort geding moet worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat de vordering van [eiser] tot afgifte van de auto in een bodemprocedure zal worden toegewezen en of het gelet op de belangen van partijen gerechtvaardigd is om vooruitlopend daarop de vordering tot afgifte van de auto in dit kort geding als voorlopige voorziening toe te wijzen. In dit vonnis geeft de voorzieningenrechter alleen een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Partijen hebben een debat gevoerd over de vraag of [eiser] aangemerkt moet worden als consument. De voorzieningenrechter zal in het kader van dit kortgeding zich hierover niet uitlaten omdat dit vraagstuk niet bepalend is voor de beoordeling van de vorderingen in kortgeding.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij haar vordering
[eiser] vordert afgifte van de auto. Voor de beoordeling moet eerst de rechtsgrondslag van deze vordering worden vastgesteld. [eiser] ontleent aan de huurkoopovereenkomst een exclusief gebruiksrecht op de auto. De weigering van [gedaagde] om de auto af te geven vormt een inbreuk op het gebruiksrecht van [eiser] en is daarom onrechtmatig op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [eiser] heeft op grond van artikel 3:296 lid 1 BW het recht om door afgifte van de auto een beëindiging van die inbreuk te vorderen. Reeds uit de aard van die vordering volgt een spoedeisend belang. Daar komt bij dat de inbreuk al enige tijd voortduurt.
[gedaagde] betwist dat sprake is van een spoedeisend belang, omdat [eiser] het spoedeisend belang zelf zou hebben gecreëerd door te weigeren de kosten van [gedaagde] te voldoen. De voorzieningenrechter gaat daar niet in mee. Zoals hierna blijkt, is in dit kort geding niet komen vast te staan dat [eiser] gehouden is de kosten van [gedaagde] te dragen. Bovendien zou de omstandigheid dat het spoedeisend belang door [eiser] zelf in het leven is geroepen, aan het aannemen van een spoedeisend belang niet afdoen. [gedaagde] betwist daarnaast dat sprake is van een spoedeisend belang, omdat zij een leenauto aan [eiser] ter beschikking heeft gesteld. Dat [gedaagde] [eiser] een leenauto ter beschikking heeft gesteld, maakt niet dat [eiser] er geen spoedeisend belang bij heeft dat de inbreuk op haar gebruiksrecht beëindigd wordt en zij weer de beschikking krijgt over de auto. Bovendien beschikt deze leenauto over minder zitplekken dan de Peugeot 5008, zodat [eiser] niet in staat is haar gehele gezin in de leenauto te vervoeren. Ook daarin ligt een spoedeisend belang voor [eiser] .
[gedaagde] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een beroep kan doen op een retentierecht
[gedaagde] stelt dat zij niet verplicht is tot afgifte van de auto, omdat haar een beroep op een retentierecht toekomt. Retentierecht is de bevoegdheid die in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser toekomt, om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan. Voor een succesvol beroep van [gedaagde] op een retentierecht moet zij in dit kort geding aannemelijk maken dat zij een vordering op [eiser] heeft. De voorzieningenrechter oordeelt dat in dit kort geding niet is gebleken van een vordering van [gedaagde] op [eiser] . Daarvoor is het volgende van belang.
Op grond van artikel 4.1 van de huurkoopovereenkomst heeft [gedaagde] ten aanzien van de auto bepaalde garantie- en conformiteitsverplichtingen ten opzichte van [eiser] . Tegen die achtergrond is de auto ook door [eiser] voor onderzoek en reparatie aan [gedaagde] ter beschikking gesteld. Pas nadat [gedaagde] allerlei onderzoeks- en reparatiekosten had gemaakt, bijvoorbeeld voor het vervangen van de brandstofpomp en de ECU, kwam zij er naar eigen zeggen achter dat de foutmeldingen die de auto aangaf, werden veroorzaakt doordat de (door [eiser] ingeschakelde) ANWB bij het vervangen van de accu de minpool niet goed had aangesloten. [gedaagde] vindt dat zij daarom kosten heeft gemaakt die op grond van haar garantie- en conformiteitsverplichtingen niet voor haar rekening komen, maar voor rekening van [eiser] . Voor zover de oorzaak van de foutmeldingen inderdaad gelegen zou zijn in een fout van de ANWB, dan heeft [gedaagde] naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter in deze kortgedingprocedure onvoldoende onderbouwd op welke rechtsgrondslag de onderzoeks- en reparatiekosten dan vervolgens voor rekening van [eiser] komen. Bovendien is hiervoor al geconstateerd dat de auto juist in het kader van de conformiteitsverplichtingen voor onderzoek en reparatie aan [gedaagde] ter beschikking is gesteld, en is ter zitting gebleken dat partijen daarbij niet hebben gesproken over de vraag wie de kosten moet dragen wanneer de gebreken niet onder de garantie- en conformiteitsverplichtingen blijken te vallen. In het kader van dit kortgeding is dus niet komen vast te staan dat er wilsovereenstemming bestond over de vraag wie de kosten van reparatie zou moeten dragen, en dus ook niet of er een grondslag aanwezig is voor de door [gedaagde] gestelde vordering.
Omdat op voorhand niet vast is komen te staan dat [gedaagde] een vordering op [eiser] heeft, staat ook niet vast dat [gedaagde] een beroep op een retentierecht toekomt. Daarmee is voldoende aannemelijk dat een bodemrechter de vordering van [eiser] tot afgifte van de auto zal toewijzen.
De vordering tot afgifte van de auto wordt toegewezen
Een belangenafweging maakt niet dat de voorzieningenrechter tot een andere conclusie komt. Het belang van [eiser] komt erop neer dat de inbreuk op haar gebruiksrecht wordt beëindigd en zij weer de beschikking krijgt over de auto. Het belang van [gedaagde] is erin gelegen dat de auto niet wordt afgegeven voordat haar onderzoeks- en reparatiekosten zijn voldaan. Het belang van [eiser] weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter – mede gelet op de verwachtte uitkomst van de bodemprocedure – zwaarder dan het belang van [gedaagde] . Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat [gedaagde] ook na afgifte van de auto altijd nog een vordering tot betaling van de reparatiekosten kan instellen.
De conclusie is dat de vordering tot afgifte van de auto wordt toegewezen. [eiser] heeft nog gevorderd dat de auto wordt afgegeven, zonder dat betaling van reparatie- of onderzoekskosten als voorwaarde wordt gesteld. Omdat in kort geding niet aannemelijk is geworden dat [gedaagde] een vordering op [eiser] heeft, wordt de vordering tot afgifte van de auto zonder voorwaarden toegewezen. Daarom hoeft niet expliciet te worden bepaald dat betaling van reparatie- of onderzoekskosten niet als voorwaarde wordt gesteld. Dat deel van de vordering van [eiser] wordt daarom afgewezen.
De gevorderde dwangsom wordt toegewezen
De gevorderde dwangsom wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
[gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
151,94
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.253,94
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding
veroordeelt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de Peugeot 5008 met kenteken [kenteken] aan [eiser] af te geven,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 4.1 voldoet, tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.253,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.