RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/166926-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 7 april 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2006] in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] in [woonplaats] ,
hierna: [verdachte] .
1. ZITTING
De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 24 maart 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. TENLASTELEGGING
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat op 20 mei 2024 in Lelystad:
feit 1
samen met (een) ander(en) een brandstichting middels het tot ontploffing brengen van een explosief heeft voorbereid door opzettelijk een molotovcocktail en/of een (gas)aansteker te hebben verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden te hebben gehad;
feit 2
samen met (een) ander(en) een wapen, te weten een molotovcocktail voorhanden heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. BEWIJS
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] alle feiten heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om [verdachte] van alle feiten vrij te spreken.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feiten 1 en 2
De rechtbank oordeelt dat alle feiten zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Bewijsoverwegingen
Medeplegen voorbereiding van een ontploffing (brandstichting)
De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of feit 1 is bewezen, moet komen vast te staan dat het in de beschuldiging omschreven voorwerp bestemd was tot het begaan van het misdrijf, zoals in de beschuldiging omschreven. Daartoe dient te worden beoordeeld of de voorwerpen afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig konden zijn voor het misdadige doel (hier: brandstichting middels ontploffing), en of [verdachte] dit doel met het gebruik van die voorwerpen ook voor ogen had.
De rechtbank vindt op grond van de verklaring van [verdachte] , de bevinding van de verbalisant ter plaatse en het onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) bewezen dat de vloeistof in de fles een brandstof (benzine) betrof. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat er één molotovcocktail is aangetroffen die al klaar was voor gebruik en conceptueel deugdelijk was: het kon doen waarvoor het bestemd was, namelijk ontploffen. Een molotovcocktail is bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van een ontploffing.
[verdachte] heeft op de zitting verklaard dat hij ‘s nachts samen met een ander op de scooter naar het restaurant van het slachtoffer is gereden, omdat zijn broer door het slachtoffer zou zijn aangevallen. Tussen de families van [verdachte] en het slachtoffer bestaat een (gewelddadig) conflict. Om het slachtoffer (en zijn familie) bang te maken wilde [verdachte] een molotovcocktail voor de deur van het restaurant neerleggen. Volgens [verdachte] had iemand die hij die nacht toevallig tegenkwam dit bedacht en hem een molotovcocktail gegeven. [verdachte] heeft aangegeven dat het niet zijn bedoeling was om de molotovcocktail aan te steken en tot ontploffing te brengen. Op het moment dat [verdachte] daar aankomt en de molotovcocktail tevoorschijn haalde, werd hij door het slachtoffer beschoten, waarna [verdachte] en de persoon waarmee hij was zijn gevlucht.
Hoewel [verdachte] verklaart dat de molotovcocktail slechts als afschrikking bedoeld was, is de rechtbank ervan overtuigd dat [verdachte] het voornemen had om de molotovcocktail daadwerkelijk (als wraakactie) tot ontploffing te brengen. Dit plan werd echter onderbroken doordat het slachtoffer op [verdachte] schoot. Voorgaande duidt niet op de situatie dat [verdachte] zichzélf heeft onttrokken aan het plan om een ontploffing teweeg te brengen. Op basis van deze uiterlijke verschijningsvorm oordeelt de rechtbank dat de opzet van [verdachte] erop gericht was om met een molotovcocktail een ontploffing teweeg te brengen. De rechtbank acht de verklaring van [verdachte] dat hij de molotovcocktail alleen voor de deur wilde neerleggen om het slachtoffer bang te maken dan ook ongeloofwaardig. Omdat [verdachte] samen met een ander een molotovcocktail voorhanden had, die naar zijn aard bedoeld is voor het teweegbrengen van een ontploffing, waardoor gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel kon ontstaan, kan feit 1 worden bewezen. Dat de rechtbank geen aanknopingspunten ziet om aan te nemen dat [verdachte] ook de vlakbij het restaurant gevonden (gas)aansteker naar deze plek had meegenomen, maakt hiervoor niet uit.
Voorhanden hebben van een molotovcocktail
De rechtbank oordeelt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] een molotovcocktail voorhanden heeft gehad. [verdachte] heeft op zitting verklaard dat hij deze samen met een ander bewust bij zich had. Uit het onderzoek van het NFI volgt dat deze molotovcocktail bestemd is voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van een ontploffing. Gelet hierop acht de rechtbank feit 2 bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
Feit 1
op 20 mei 2024 te Lelystad tezamen en in vereniging met een ander ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het misdrijf genoemd in artikel 157 Wetboek van Strafrecht (namelijk: brandstichting middels het tot ontploffing brengen van een explosief), opzettelijk een molotovcocktail, bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad;
Feit 2
op 20 mei 2024 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een molotovcocktail, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.
4. KWALIFICATIE EN STRAFBAARHEID
Kwalificatie
De rechtbank oordeelt dat met betrekking tot feit 1 en feit 2 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat [verdachte] daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen slechts enigszins uiteenloopt.
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Eendaadse samenloop van
feit 1
medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
feit 2
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7º.
Strafbaarheid feiten en [verdachte]
De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.
5. STRAF
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 50 uren, met aftrek van het voorarrest, te vervangen door 25 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert, waarvan een gedeelte van 25 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van [verdachte] verzoekt primair om [verdachte] vrij te spreken, in welk geval de rechtbank niet aan strafoplegging toekomt. Anders verzoekt de verdediging om aan [verdachte] met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel op te leggen (‘rechterlijk pardon’). De advocaat heeft hiervoor verwezen naar de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De broer van [verdachte] was mishandeld en beschoten. [verdachte] heeft impulsief gehandeld en is toen door een derde aangestuurd. Ook verzoekt de advocaat rekening te houden met de omstandigheid dat de zaak te lang is blijven liggen en de redelijke termijn met zes maanden is overschreden. Daarnaast is [verdachte] een first offender en is hij niet eerder met politie of justitie in aanraking gekomen. Ook heeft de advocaat erop gewezen dat [verdachte] bij oplegging van een straf of maatregel geen Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) zal kunnen krijgen om in de zorg te werken, wat hij graag wil. Meer subsidiair verzoekt de advocaat om bij de oplegging van een straf met deze omstandigheden rekening te houden en aan [verdachte] een werkstraf op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd, zoals van één en ander op de zitting is gebleken. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee, waaronder het feit dat [verdachte] tijdens het plegen van de strafbare feiten minderjarig was. Bij de strafbepaling neemt de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft in de nacht van 20 mei 2024 samen met een ander een ontploffing voorbereid door een molotovcocktail voorhanden te hebben. Dit naar aanleiding van een kennelijk langer lopend (gewelddadig) conflict tussen twee families. [verdachte] ging naar het restaurant van het slachtoffer om wraak te nemen voor de mishandeling van zijn broer. Op het moment dat [verdachte] de molotovcocktail uit de buggy van de scooter haalde, werd hij door het slachtoffer beschoten. [verdachte] is vervolgens op de vlucht geslagen. Dat de molotovcocktail niet daadwerkelijk tot ontploffing is gebracht, is dus niet aan [verdachte] zelf te danken, maar komt door een externe omstandigheid. Molotovcocktails zijn levensgevaarlijk en kunnen aanzienlijk letsel en schade veroorzaken. Daarbij is van belang dat niet alleen het beoogde slachtoffer, maar ook anderen die toevallig in de buurt zijn en die niets met het conflict te maken hebben, door de ontploffing van een molotovcocktail kunnen worden geraakt. De aanwezigheid van molotovcocktails in een woonwijk veroorzaakt bovendien grote angst en onrust in de samenleving in het algemeen. Het gaat hier dan ook om ernstige feiten.
De rechtbank rekent het [verdachte] aan dat hij door zijn handelwijze heeft gekozen voor een ernstige en impulsieve vorm van eigenrichting om het gewelddadige conflict waar hij onderdeel van is op te lossen. De door [verdachte] gekozen aanpak leidt tot escalatie. Ook rekent de rechtbank het [verdachte] aan dat hij geen rekening heeft gehouden met de mogelijk zeer gevaarlijke gevolgen van zijn handelen en dat hij zich kennelijk enkel heeft laten leiden door zijn wraakactie. Uit het rapport van het NFI volgt dat het handelen van [verdachte] ernstige gevolgen kon hebben indien de molotovcocktail tot een ontploffing teweeg was gebracht, waarbij personen in het restaurant (mogelijk dodelijke) brandletsels konden oplopen. De rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheid dat [verdachte] zelf in deze situatie is beschoten en dat deze gebeurtenis begrijpelijkerwijs een grote impact op hem heeft gehad.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van [verdachte] kennisgenomen van:
het strafblad van [verdachte] van 12 februari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld;
een rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming van 26 februari 2026, opgesteld door [B] ;
een rapportage van SAVE Jeugdreclassering van 3 maart 2026 (evaluatie), opgesteld door [A] , en de gegeven toelichting daarop ter terechtzitting van 24 maart 2026.
Rapportage van de Raad
De Raad adviseert om bij een bewezenverklaring aan [verdachte] een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. Dit is bedoeld als waarschuwing en externe motivatie om nieuw delictgedrag te voorkomen. Er wordt geen maatregel geadviseerd, omdat er geen aanknopingspunten zijn om aan te werken. [verdachte] heeft een dagbesteding en een vrijetijdsbesteding, en is niet meer bij de politie in beeld geweest.
Rapportage en toelichting daarop van SAVE Jeugdreclassering
Uit het advies van SAVE en de toelichting daarop ter zitting volgt dat SAVE net als de Raad adviseert om een taakstraf op te leggen. De Toezicht- en Begeleidingsmaatregel loopt al lange tijd goed, [verdachte] heeft op eigen initiatief EMDR-therapie gevolgd en is niet opnieuw met politie in contact gekomen. SAVE vermoedt niet dat [verdachte] een zichtbare gedragsverandering heeft ondergaan ten tijde van de Toezicht en Begeleiding maatregel en ziet dit ook niet gebeuren, ondanks dat er goed contact is tussen de jeugdreclassering en [verdachte] . Volgens SAVE is [verdachte] een gedreven, hardwerkende jongen, die zijn afspraken nakomt. Het gaat op dit moment heel goed met hem.
Straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De rechtbank heeft geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. Als uitgangspunt geldt voor een minderjarige verdachte dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] op 20 mei 2024 in verzekering is gesteld. Dat betekent dat de redelijke termijn met zeven maanden is overschreden. De rechtbank vindt echter schuldigverklaring zonder straf met toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht (zoals door de advocaat bepleit) niet passend gezien de ernst van de feiten en vanuit het oogpunt van normbevestiging en generale preventie. Wel houdt de rechtbank bij de straftoemeting – meer dan de officier van justitie – rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij weegt de rechtbank mee dat er door het Openbaar Ministerie geen enkele uitleg is gegeven voor de overschrijding van de redelijke termijn. Het staat in ieder geval vast dat de vertraging niet door toedoen van de verdediging is opgelopen. De rechtbank houdt verder rekening met de positieve omstandigheden van [verdachte] , zoals dat hij zich binnen de schorsing van de voorlopige hechtenis goed heeft gedragen, op eigen initiatief EMDR is gestart en niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen. Ook houdt de rechtbank rekening met de buitenproportionele reactie van het slachtoffer op [verdachte] . Hoewel het handelen van [verdachte] zeer ernstig is, is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat [verdachte] door het slachtoffer is beschoten ook zeer ernstig is en veel impact op hem moet hebben gehad.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan [verdachte] taakstraf in de vorm van een werkstraf van 40 uren, met aftrek van het voorarrest, te vervangen door 20 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert, waarvan een gedeelte van 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank heft, gelet op het vorenstaande, het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
6. VORDERING BENADEELDE PARTIJ
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.500,-, bestaande uit immateriële schade, ten gevolge van het voorbereiden van het teweegbrengen van een ontploffing.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering moet worden verklaard, nu de vordering tot vergoeding van psychische schade onvoldoende is onderbouwd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Het bestaan van geestelijk letsel is niet aannemelijk gemaakt. De advocaat heeft bepleit dat gelet op het handelen en de rol van de benadeelde partij een vergoeding evenmin op zijn plaats is.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk in zijn vordering. De benadeelde partijen heeft de vordering tot schadevergoeding onvoldoende onderbouwd. De aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan brengen voor de benadeelde partij niet mee dat de nadelige gevolgen voor hem zo voor de hand ligt dat sprake is van aantasting in persoon ‘op andere wijze’.
De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat aanhouding van de behandeling van de strafzaak voor nadere onderbouwing een te grote belasting van de strafzaak zou betekenen. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt in dit geval niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die [verdachte] heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat [verdachte] daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.
7. TOEGEPASTE WETSARTIKELEN
De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
8. DE BESLISSING
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4 is vermeld;
Strafbaarheid [verdachte]
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;
Straf
- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 40 (veertig) uren;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 20 (twintig) dagen vervangende jeugddetentie;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;
- bepaalt dat van de taakstraf een gedeelte van 20 (twintig) uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde] (feit 1)
- verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt [benadeelde] in de kosten door [verdachte] gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. van Woudenberg, voorzitter en kinderrechter, mr. B.F. Hammerle, kinderrechter, en mr. J.B. Duinkerken, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.Z. Turan als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: de tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij, op of omstreeks 20 mei 2024, te Lelystad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het misdrijft genoemd in artikel 157 Wetboek van Strafrecht (namelijk: brandstichting middels het tot ontploffing brengen van een explosief), opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten een molotovcocktail, althans een brandbare (vloei)stof en/of een brandbaar voorwerp en/of een (gas)aansteker, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
Feit 2
hij, op of omstreeks 20 mei 2024, te Lelystad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een molotovcocktail, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad.
Bijlage II: bewijsmiddelen feiten 1 en 2
1. In een proces-verbaal van bevindingen van 20 mei 2024 is – zakelijk weergegeven – het volgende beschreven:
Op 20 mei 2024 kreeg ik de opdracht van de OPCO om te gaan naar [adres] te [plaats] , met het verzoek om daar de plaats delict te bewaken. Ter plaatse werd ik aangesproken door de OVDP [C] , ik hoorde dat hij aangaf dat er een molotovcocktail was aangetroffen.
2. Een deskundigenrapport van het NFI: “Brandtechnisch onderzoek naar aanleiding van een incident met een molotovcocktail in Lelystad op 20 mei 2024” van 30 september 2025 opgesteld door dr. L.P. van Gelderen, NFI-deskundige brand en technisch onderzoek, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde deskundige:
9. Conclusie
De “molotovcocktail, zoals deze is aangetroffen in dit onderzoek” betrof een glazen fles met een vloeistof en een gele doek die als lont kon functioneren. Het merendeel van de vloeistof was 4-takt benzine. De glazen fles bevatte daarmee alle benodigde onderdelen om een functionele molotovcocktail te vormen.
Het gooien van de molotovcocktail met een brandende lont voor of in het restaurant kon verschillende gevolgen hebben. Deze gevolgen hangen af van hoe en waar de molotovcocktail zou zijn beland. Branduitbreiding zou hoofdzakelijk kunnen plaatsvinden als de brandende lont van de molotovcocktail of (een vuurbal van) brandende benzine bij voldoende brandbaar materiaal, zoals een stoel, in het restaurant was gekomen. Zonder de interventie van personen in het restaurant had er dan een grote brand in het restaurant kunnen ontstaan. Het wordt mogelijk geacht dat deze brand kon uitbreiden naar de naastgelegen kapperszaak. Branduitbreiding naar de bovengelegen woningen wordt in vergelijking veel minder waarschijnlijk geacht.
Bij het openbreken van de molotovcocktail kan een vuurbal ontstaan die direct brandletsel kan veroorzaken aan omstanders. Zonder het openbreken van de molotovcocktail zou het gevaar op brandletsel voor personen in het restaurant gering zijn als een brand in het restaurant binnen ongeveer een minuut zou worden ontdekt. Voor personen die bij een brand in het restaurant langer dan ongeveer een minuut in het restaurant zouden verblijven, was er een aanzienlijke kans dat ze (mogelijk dodelijke) brandletsels zouden oplopen. Het gevaar op brandletsel voor omwonenden na het gooien van de molotovcocktail naar het restaurant bestond vooral uit het inademen van rook bij een grote brand in het restaurant.
3. [verdachte] heeft op de zitting van 24 maart 2026 verklaard:
Op 20 mei 2024 reed ik samen met een andere jongen op de scooter naar het restaurant [restaurant] in Lelystad. In de buggy van de scooter zat een molotovcocktail. Het betrof een fles met een blauwe vloeistof en een doek erin. In de molotovcocktail zat benzine.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.