RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16.218459.25; 16.224905.25 (gev. ttz); 16.053880.23 (vord. tul) (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 7 april 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [2008] te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] te [woonplaats] ,hierna te noemen: [verdachte] .
1. Zitting
De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 24 maart 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De tenlasteleggingen zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
feit 1: op 16 juli 2025 in Almere samen met een ander, althans alleen, heeft geprobeerd om met geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot afgifte van een geldbedrag en/of andere goederen dat/die aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] toebehoorde(n),
feit 2: op 9 juni 2025 in Almere openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 5] .
3. Bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] de aan hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat van [verdachte] heeft tegen feit 1 geen verweer gevoerd.
Ten aanzien van feit 2 heeft de advocaat van [verdachte] zich op het standpunt gesteld dat sprake is van noodweer. Dit standpunt zal in paragraaf 5 worden besproken.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feit 1 (poging tot afpersing in vereniging)
[verdachte] bekent dat hij de poging tot afpersing samen met de medeverdachte heeft gepleegd en dat hij daarbij gedreigd heeft met een vuurwapen. De advocaat van [verdachte] heeft voor dit feit geen vrijspraak bepleit. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
de bekennende verklaring van [verdachte] op zitting;
de aangifte van [slachtoffer 1] , pagina’s 64 tot en met 66;
de getuigenverklaring van [slachtoffer 2] , pagina’s 120 tot en met 122.
Bewijsmiddelen feit 2 (openlijke geweldpleging in vereniging)
De rechtbank oordeelt dat feit 2 is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van aangifte, houdende de verklaring van aangever [slachtoffer 5] , onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 9 juni 2025 stond ik naast de Plus te Almere. Ik stond hier samen met [A] en [B] (de rechtbank begrijpt [A] en [B]). Er stond een groepje jongens op het parkeerterrein van de Plus. Ze waren allemaal donker getint en donker gekleed. Ik denk dat het 7 à 8 personen waren. Ik zag dat ze op ons af kwamen lopen. Ik merkte meteen dat ze ruzie hadden met [B] . Ik merkte dat ze zijn fiets, een zwarte fatbike, probeerden mee te nemen. Ik probeerde te bemiddelen tussen de groep en mijn vriend. Ik zag dat een jongen op de fiets van mijn vriend stapte.
Ik omschrijf deze jongen als volgt: - man- langste van de groep;- licht getint;- rond de 16 à 17 jaar oud;- donker gekleed.Hierna te noemen: jongen 1.
Toen jongen 1 de fatbike pakte en wegfietste, pakte ik de fatbike vast. Ik pakte jongen 1 vast, niet op een aanvallende manier. Ik zei: “De fiets gaat niet mee vandaag, dat is niet nodig.” Jongen 1 werd gelijk agressief. Hij stapte van de fatbike af. Ik zag dat hij mij met gebalde vuisten sloeg. Hij gaf mij de eerste klap. Ik werd in elkaar geslagen, ik vocht terug. Ik kreeg een klap op de rechterkant van mijn hoofd. Hij bleef mij slaan met beide handen. Toen we op de grond belandden, kwam de rest van de groep op ons af. Ze begonnen mij allemaal te slaan en schoppen. Ze raakten mij op mijn hoofd, rug, schouder en buik, eigenlijk mijn hele bovenlichaam. In de tussentijd bleef jongen 1 mij ook slaan.
2. Het proces-verbaal van bevindingen van 10 juni 2025, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag dat er twee groepen waren. De eerste groep omschrijf ik als volgt:- de eerste persoon, mij later bekend als: [slachtoffer 5] ;- de tweede persoon, mij later bekend als: [A] ;
- de derde persoon, mij later bekend als: [B] .
De tweede groep omschrijf ik als volgt:- ongeveer zeven personen;- allemaal donker getint;- allemaal donker gekleed;
Eén persoon uit deze groep kan ik specifieker omschrijven, hierna te noemen NN1:- man;- licht getint;- ongeveer 17 jaar oud;- 1.90 meter lang, de langste uit de groep.
Op het grasveld zag ik drie fatbikes en één normale fiets staan. Ik zag dat [slachtoffer 5] bij één van de fatbikes stond. Ik zag dat [slachtoffer 5] meerdere personen op afstand hield van de fatbike. Ik zag dat [slachtoffer 5] dit met zijn handen deed. Ik zag dat NN1 de fatbike pakte en erop ging zitten. Ik zag dat [slachtoffer 5] NN1 tegenhield om weg te fietsen. Ik zag dat NN1 [slachtoffer 5] sloeg. Ik zag dat NN1 en [slachtoffer 5] met elkaar in gevecht raakten. Ik zag dat NN1 en [slachtoffer 5] op de grond in het gras terecht kwamen tijdens het gevecht. Ik zag dat de personen van groep 2 om NN1 en [slachtoffer 5] gingen staan. Ik zag dat alle personen uit groep 2 [slachtoffer 5] begonnen te slaan en schoppen. Ik zag dat alle personen actief meededen aan de openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 5] .
3. Het proces-verbaal van bevindingen van 10 juni 2025 (vergelijking van videobeelden), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik bekeek videobeelden met de naam: [bestandsnaam] .mp4.
Ik zag dat er twee personen op de grond lagen. Ik zag dat er om deze personen vier andere personen stonden. Ik zag dat deze personen schoppende en slaande bewegingen maakten in de richting van de personen op de grond. Ik zag dat één persoon geen rugtas droeg. Ik zag dat hij een zwarte jas met een capuchon droeg. Ik zag een uitstekend deel aan de voorzijde van de capuchon. Ik herken dit deel als een zonneklep. Ik zag dat op de rechter achterzijde van deze jas een wit logo stond. Ik zag dat deze persoon een donkerblauwe broek droeg met een
wit onderdeel op de linker broekspijp. Ik zag dat deze persoon donkerkleurige schoenen droeg. Ik zie dat deze persoon op 00:04 een stampende beweging, met zijn linkerbeen, in de richting van de twee personen op de grond maakte. Ik kan niet zien of deze stomp een ander persoon raakte. Ik zag vervolgens op 00:06 dat deze persoon zijn linkerarm heft en een slaande beweging in de richting van de twee personen op de grond maakte. Ik kan niet duidelijk zien of deze arm een andere persoon raakte. Ik kan wel zien dat de beweging van deze arm abrupt stopte.
Ik bekeek vervolgens videobeelden met de naam: [bestandsnaam] VID.MOV.
Ik zie twee personen aan de rechterkant van het beeld staan. Ik herken deze personen ambtshalve als [A] en [slachtoffer 5] . Op de linkerkant van het beeld zie ik zes personen staan. Ik zie dat er drie fatbikes, één fietser en één voetganger zich weg bewegen van [A] en [slachtoffer 5] . Ik zag dat op één van deze fatbikes twee personen zaten. Ik kan de bestuurder van deze fatbike als volgt omschrijven:
- man;
- donkergetinte huidskleur;
- zwarte jas met een wit accent op de linker borst;
- draagt een capuchon met een zonneklep en daaronder een donkerkleurig petje;
- donkerblauwe broek met een wit logo op de linker broekspijp. Dit logo herken ik als het Under Armour logo.
- zwarte schoudertas;
- donkergekleurde schoenen.
Ik kan met volledige zekerheid zeggen dat de persoon op de videobeelden Anchelina Junior Alfons Bron betreft.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
feit 1: hij op of omstreeks 16 juli 2025 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld/goederen van zijn/hunner gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorde(n)
- die snackbar ' [naam] ' is binnen gedrongen althans binnen gegaan en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gericht en/of
- een mes, althans een scherp puntig voorwerp, aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft getoond en/of
- ( dreigend) tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gezegd “geld geven, geld geven”, althans woorden van gelijke dreigende aard,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
feit 2: hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Almere op/aan de Aprilstraat en/of de Meistraat, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 5] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het eenmaal of meermalen
schoppen/trappen en/of slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer 5] .
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. [verdachte] wordt hiervan vrijgesproken.
5. Strafbaarheid van de feiten en kwalificatie
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van feit 2 bepleit dat [verdachte] moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake was van een noodweersituatie, waarin verdediging door [verdachte] tegen de aanranding van het lijf van een ander noodzakelijk was. De vriend van [verdachte] was namelijk in een gevecht terechtgekomen en [verdachte] probeerde dat gevecht te stoppen. Hiervoor waren de twee trappen die hij aan [slachtoffer 5] heeft gegeven, noodzakelijk.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer moet worden verworpen, omdat de groep waar [verdachte] bij hoorde zelf de confrontatie met het slachtoffer heeft opgezocht.
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader noodweer
Voor een geslaagd beroep op noodweer moet sprake zijn van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding of een daartoe onmiddellijk dreigend gevaar waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen (noodweersituatie). Dit betekent dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard als de gedraging van degene die zich hierop beroept in de kern bezien niet kan worden aangemerkt als verdedigend maar als aanvallend.
Beroep op noodweer slaagt niet
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat een confrontatie tussen twee groepen heeft plaatsgevonden, waarbij de groep van [verdachte] op de groep van [slachtoffer 5] afliep. Een persoon uit de groep van [verdachte] probeerden vervolgens de fatbike van de vriend van [slachtoffer 5] mee te nemen. [slachtoffer 5] probeerde dit te voorkomen door deze vriend van [verdachte] tegen te houden. Hieruit volgt dat de confrontatie is gestart vanuit de groep waartoe [verdachte] behoorde. Vervolgens ontstond een gevecht tussen de groep van [verdachte] en [slachtoffer 5] , waarbij de reeds genoemde vriend van [verdachte] de eerste klap aan [slachtoffer 5] uitdeelde. De daarop volgende handelingen van [verdachte] waren gelet op deze gang van zaken en gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedrag geen verdedigende maar aanvallende handelingen. [verdachte] mengde zich in een gevecht dat zijn vriend was begonnen. Het beroep op noodweer zal dan ook worden verworpen. Ook het onder feit 2 bewezenverklaarde is strafbaar.
Kwalificatie van de feiten
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
1: poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,
2: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
6. Strafbaarheid van [verdachte]
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is daarom strafbaar.
7. Oplegging van straf en maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:
- een gedragsbeïnvloedende maatregel (hierna: GBM) voor de duur van twaalf maanden, met de voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de Raad, met uitzondering van het contactverbod met de medeverdachte, en met de aantekening dat wanneer [verdachte] niet naar behoren meewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 6 maanden. De officier van justitie eist dat de maatregel direct na de uitspraak van het vonnis ingaat (dadelijke uitvoerbaarheid);
- een jeugddetentie van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 102 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden als geadviseerd door de Raad, met uitzondering van het contactverbod met de medeverdachte. De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden direct na de uitspraak van het vonnis ingaan.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat van [verdachte] heeft geen verweer gevoerd tegen de strafeis van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan [verdachte] een GBM op voor de duur van 12 maanden, met daarbij de voorwaarden zoals beschreven door de Raad, met uitzondering van het contactverbod met de medeverdachte. Als [verdachte] niet naar behoren meewerkt aan de GBM, zal deze vervangen worden door jeugddetentie voor de duur van 6 maanden. De GBM gaat direct in. Naast de GBM legt de rechtbank een jeugddetentie op voor de duur van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 102 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en ook daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad, met uitzondering van het contactverbod met de medeverdachte. Deze bijzondere voorwaarden gaan ook direct in. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze straf en maatregel is gekomen.
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
Allereerst heeft [verdachte] samen met een ander geprobeerd om een snackbar te overvallen. [verdachte] en de medeverdachte waren gemaskerd en droegen wapens bij zich, namelijk een wapen dat leek op een echt vuurwapen en een (keuken)mes. [verdachte] heeft, terwijl hij het nepvuurwapen in zijn hand had, gezegd dat hij geld wilde. Hiermee hebben [verdachte] en de medeverdachte geprobeerd de slachtoffers te dwingen tot het afgeven van geld. Dit is een ernstig feit dat veel impact op de slachtoffers heeft gehad. Niet alleen mevrouw [slachtoffer 1] en de heer [slachtoffer 2] waren in de snackbar tijdens de overval, maar ook hun twee jonge kinderen. [verdachte] en de medeverdachte hebben met hun handelen het gezin grote angst bezorgd of ze het er levend vanaf zouden brengen. Deze angst heeft geleid tot trauma’s die de slachtoffers mogelijk nog lang bij zich zullen dragen. Uit de aangifte en onderbouwingen van de vier verzoeken tot schadevergoeding blijken de mentale gevolgen die het feit heeft gehad en nog steeds heeft op het leven van de slachtoffers. Aangeefster is doorverwezen voor traumatherapie en het gezin zal een behandeling starten bij Connected Together. Dit zijn gevolgen die [verdachte] heeft veroorzaakt. [verdachte] wilde snel aan geld komen en heeft er kennelijk niet bij stilgestaan hoeveel leed hij hiermee aanrichtte, of het kon hem op dat moment niet schelen.
Naast de gevolgen voor de mensen die hier zelf getuige van waren, draagt deze overval ook bij aan een gevoel van onveiligheid in de samenleving als geheel. De rechtbank rekent het [verdachte] ernstig aan dat hij puur uit eigenbelang heeft gehandeld en dat hij de gevoelens van angst en leed die hij heeft veroorzaakt daarbij op de koop toe heeft genomen.
Daarnaast heeft [verdachte] zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Het slachtoffer is meerdere keren geslagen en geschopt. Door zijn handelen heeft [verdachte] op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht, bestaande uit verwondingen aan zijn hoofd, borst en schouder. [verdachte] heeft onvoldoende stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Bovendien veroorzaakt dergelijk geweld, gepleegd op de openbare weg, gevoelens van angst en onveiligheid bij de omstanders en in de samenleving in het algemeen.
De rechtbank rekent dit alles [verdachte] aan.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
De rechtbank heeft gekeken naar:
het strafblad van [verdachte] van 12 februari 2026;
een rapport van een psycholoog die [verdachte] heeft onderzocht van 25 oktober 2025;
een advies van de Raad van 19 maart 2026;
een advies van SAVE van 17 maart 2026.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van [verdachte] van 12 februari 2026 waaruit blijkt dat [verdachte] eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Deze veroordelingen hebben [verdachte] er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank weegt dat in het nadeel van [verdachte] mee bij de bepaling van de straf.
Het advies van de psycholoog
Uit het rapport van de psycholoog volgt dat bij [verdachte] sprake is van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling en een verharding en achterstand in de sociaal-emotionele ontwikkeling. Er is sprake van een cognitief functioneren op laagbegaafd tot beneden gemiddeld niveau, waardoor de cognitieve probleemoplossingsvaardigheden van [verdachte] minder goed zijn ontwikkeld en hij de gevolgen van zijn gedrag minder goed kan overzien. [verdachte] wordt vooral gedreven door eigenbelang, waarbij hij onvoldoende in staat is rekening te houden met het belang en de gevolgen voor anderen. Over de mate van toerekenbaarheid kan de psycholoog niets zeggen, omdat [verdachte] met de psycholoog niet heeft willen praten over de beschuldigingen. De psycholoog schat het risico op recidive in gewelddadig gedrag in op matig tot hoog.
Volgens de psycholoog is een pakket aan interventies nodig om de ontwikkeling van [verdachte] te stimuleren en het recidiverisico te minimaliseren. Dit pakket dient in ieder geval te bestaan uit MDFT of een vergelijkbare systeeminterventie, individuele training of behandeling als Tools4U en begeleiding bij en toezicht op het toewerken naar zinvolle dagbesteding. De psycholoog adviseert een GBM op te leggen. De achterstand die gezien wordt in de sociaal-emotionele ontwikkeling, die zonder ingrijpen verder scheef zal groeien en zal ontwikkelen tot een persoonlijkheidsstoornis, vraagt om een dwingend kader. De ontbrekende motivatie bij [verdachte] (en ook zijn ouders) vanuit een gebrek aan probleemerkenning, vraagt volgens de psycholoog om een fors voorwaardelijk kader.
Het advies van de Raad
De Raad is, net als de psycholoog, van mening dat een GBM moet worden opgelegd. Gelet op de problematiek van [verdachte] is de verwachting dat de behandeling langdurig van aard zal zijn. Daarnaast adviseert de Raad vanwege de ernst van de delicten een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarbij de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk moet zijn aan het voorarrest. Een deels voorwaardelijke jeugddetentie is volgens de Raad nodig als stok achter de deur wanneer de GBM is gestopt. Daarnaast wordt een taakstraf in de vorm van een werkstraf en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf onder parketnummer 16.053880.23 geadviseerd. Ook vindt de Raad het belangrijk dat de GBM, de (bijzondere) voorwaarden en het toezicht bij de voorwaardelijke jeugddetentie dadelijk uitvoerbaar zijn. De kans op recidive wordt namelijk als matig tot hoog ingeschat en daarom is het belangrijk dat de noodzakelijke behandeling direct kan worden ingezet om [verdachte] in zijn ontwikkeling bij te sturen.
Het advies van SAVE
SAVE complimenteert [verdachte] voor de stappen die hij de afgelopen periode heeft gezet. Hij doet zijn best om zich aan de schorsingsvoorwaarden te houden. SAVE adviseert, net als de psycholoog en de Raad, een GBM en voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Ook adviseert SAVE een taakstraf in de vorm van een werkstraf of leerstraf op te leggen en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf onder parketnummer 16.053880.23.
De op te leggen straf
De bewezenverklaarde feiten zijn ernstige feiten. Vanwege die ernst kan eigenlijk niet volstaan worden met een andere straf dan een gevangenisstraf. Tegelijkertijd houdt de rechtbank rekening met de adviezen van de deskundigen en de daaruit blijkende noodzaak tot hulpverlening, behandeling en begeleiding. De rechtbank zal [verdachte] daarom nu niet terugsturen naar een jeugdgevangenis. Wel vindt de rechtbank het belangrijk dat [verdachte] zich voor langere tijd zal laten begeleiden en behandelen. Daarin is de geadviseerde GBM een geleidelijke weg. Binnen de GBM is ruimte voor vallen en opstaan, zonder dat de hulpverlening stagneert. Naast de GBM is een forse voorwaardelijke straf noodzakelijk om [verdachte] te motiveren uit de criminaliteit te blijven en mee te werken aan alle voorwaarden.
Alles overwegende legt de rechtbank een GBM op voor de duur van 12 maanden. De rechtbank zal daarbij de voorwaarden zoals beschreven door de Raad overnemen en opleggen, met uitzondering van het contactverbod met de medeverdachte. Als [verdachte] niet naar behoren meewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel, zal deze worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van 6 maanden.
Naast de GBM legt de rechtbank een jeugddetentie op voor de duur van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 102 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank is hierbij uitgegaan van een voorarrest van 78 dagen. Dit betekent dat [verdachte] dus niet meer terug hoeft naar de jeugdgevangenis, mits hij zich aan de voorwaarden houdt. Ook zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad opleggen, met uitzondering van een contactverbod met de medeverdachte.
Dadelijk uitvoerbaar
Op basis van de bevindingen van de psycholoog en de Raad over het recidiverisico, is de kans groot dat, bij gebrek aan de juiste begeleiding en behandeling, [verdachte] opnieuw een strafbaar feit zal begaan gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Zowel de GBM als de (bijzondere) voorwaarden en het toezicht bij de voorwaardelijke jeugddetentie, zijn daarom dadelijk uitvoerbaar.
Voorlopige hechtenis
Omdat [verdachte] het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen jeugddetentie al in het voorarrest heeft uitgezeten, heft de rechtbank het geschorste bevel voorlopige hechtenis op.
8. Vordering benadeelde partij
[slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hebben zich gevoegd als benadeelde partij en hebben in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vorderen elk een vergoeding van € 2.350,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
[slachtoffer 5] heeft zich gevoegd als benadeelde partij en heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Hij vordert een vergoeding van € 6.490,00, bestaande uit € 490,00 materiële schade en € 6.000,00 immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vorderingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] volledig toewijsbaar.
De officier van justitie acht de door [slachtoffer 5] gevorderde materiële schade volledig toewijsbaar. De officier van justitie acht de gevorderde immateriële schade toewijsbaar tot € 500,00. Het overige dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat van [verdachte] heeft verzocht om aan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] een lager bedrag aan schadevergoeding toe te kennen dan is gevorderd, namelijk € 1.000,00 per persoon.
De advocaat van [verdachte] heeft ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5] verzocht de kosten voor de jas toe te wijzen tot € 50,00 of € 100,00. De advocaat van [verdachte] heeft verzocht [slachtoffer 5] ten aanzien van de vergoeding van de reparatie van de telefoon en de reiskosten naar het ziekenhuis niet-ontvankelijk te verklaren.
De advocaat van [verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade toewijsbaar is tot € 500,00.
Het oordeel van de rechtbank
De vorderingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]
De overvalpoging heeft grote impact gehad op [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , die op dat moment in de snackbar aanwezig waren. Uit de aangifte en onderbouwingen van de verzoeken tot schadevergoeding blijken de mentale gevolgen die het feit heeft gehad en nog steeds op hun leven heeft. [slachtoffer 1] voelt zich sinds de gebeurtenis onveilig in de snackbar en is constant alert op de ingang. Ook is ze somber en kampt ze met herbelevingen. De POH-GGZ heeft haar doorverwezen voor traumatherapie. [slachtoffer 2] kampt ook met slaapproblemen en is constant op zijn hoede sinds de gebeurtenis. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] waren op het moment van de poging afpersing minderjarig en hebben alles meegekregen. Sinds de gebeurtenis zijn ze angstig en hebben ze nachtmerries. [slachtoffer 3] droomt veel over de gebeurtenis en ziet in zijn dromen mensen met een pistool voor zich staan. Het gezin zal een behandeling starten bij Connected Together. Dit alles is het rechtstreeks gevolg van het handelen van [verdachte] op 16 juli 2025 en naar algemene ervaringsregels ook het daarvan te verwachten gevolg.
De rechtbank is daarom van oordeel dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] op andere wijze in hun persoon zijn aangetast als bedoeld in artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van de door de benadeelde partijen gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, wijst de rechtbank de immateriële schadevergoedingen geheel toe.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 16 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Omdat de vordering wordt toegewezen, zal [verdachte] worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt [verdachte] veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Nu [verdachte] feit 1 samen met een ander heeft gepleegd en hij samen met zijn medeverdachte verplicht is tot vergoeding van dezelfde schade, is hij voor bovengenoemde schadevergoedingsbedragen hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:102 van het Burgerlijk Wetboek). Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat [verdachte] , voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partijen heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Omdat [verdachte] ten opzichte van de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht en [verdachte] voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan [verdachte] hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.350,00 ten behoeve van [slachtoffer 1] , € 2.350,00 ten behoeve van [slachtoffer 2] , € 2.350,00 ten behoeve van [slachtoffer 3] en € 2.350,00 ten behoeve van [slachtoffer 4] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 16 juli 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan. Gelet op de jeugdige leeftijd van [verdachte] zal geen gijzeling worden toegepast.
BEM-clausule
De rechtbank zal voorts bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding en rente daarover aan [slachtoffer 3] (geboren op [2015] ) en [slachtoffer 4] (geboren op [2018] ) zullen worden gestort op een ten behoeve van hen te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarigen. De minderjarigen en hun wettelijke vertegenwoordiger(s) kunnen slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen beschikken tot het moment waarop [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.
De vordering van [slachtoffer 5]
Materiële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Met betrekking tot de kosten van de jas overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld hoe oud de jas was ten tijde van het strafbare feit. De rechtbank heeft daarom gebruik gemaakt van haar schattingsbevoegdheid en zal het bedrag dat wordt toegewezen vaststellen op € 50,00. Het meer gevorderde ten aanzien van de kosten van de jas wijst de rechtbank af.
De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor de reparatie van de telefoon en de reiskosten van en naar het ziekenhuis onvoldoende zijn onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van deze kosten niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan voor dat deel worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Immateriële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De benadeelde partij heeft ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel opgelopen aan zijn hoofd, borst en schouder. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voldoende is onderbouwd. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, wijst de rechtbank de immateriële schadevergoeding toe tot een bedrag van € 500,00. Het meer gevorderde wijst de rechtbank af.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal de vordering van [slachtoffer 5] dus toewijzen tot een bedrag van € 550,00.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 juni 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Omdat de vordering wordt toegewezen, zal [verdachte] worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt [verdachte] veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat [verdachte] feit 2 waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:102 van het Burgerlijk Wetboek). Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat [verdachte] , voor zover de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu [verdachte] ten opzichte van de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht en [verdachte] voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan [verdachte] hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 550,00 ten behoeve van [slachtoffer 5] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 juni 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan. Gelet op de jeugdige leeftijd van [verdachte] zal geen gijzeling worden toegepast.
9. Vordering tenuitvoerlegging
Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 9 november 2023 (parketnummer 16.0533880.23) is aan [verdachte] een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 dagen, met aftrek van het voorarrest, opgelegd. De hierboven bewezenverklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezenverklaarde feiten heeft [verdachte] de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Om die reden zal deze voorwaardelijk opgelegde straf alsnog ten uitvoer worden gelegd. Dat betekent dat [verdachte] de voorwaardelijk opgelegde werkstraf alsnog moet uitvoeren.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77w, 77wa, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
11. Beslissing
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
Strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5.4 is vermeld;
Strafbaarheid verdachte
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;
Oplegging straf en maatregel
- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 180 (honderdtachtig) dagen;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 102 (honderdtwee) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarden gelden dat [verdachte] :
- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:
zich ter controle van het locatiegebod en locatieverbod onder elektronisch toezicht zal stellen van SAVE;
*De kaart is verwijderd i.v.m. mogelijke herleidbaarheid naar personen.
- waarbij aan de gecertificeerde instelling, te weten SAVE te Almere, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
- beveelt dat de op grond van art. 77z Sr gestelde voorwaarden en het op grond van art. 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
- legt op aan [verdachte] de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 1 (één) jaar, die eruit bestaat dat [verdachte] :
zich ter controle van het locatiegebod en locatieverbod onder elektronisch toezicht zal stellen van SAVE;
- waarbij de gecertificeerde instelling SAVE te Almere opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
- beveelt dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
maximaal 6 maanden als [verdachte] niet naar behoren meewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel;
- beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat op grond van artikel 77w, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar is;
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (16.218459.25)
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2] (16.218459.25)
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 3] (16.218459.25)
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 4] (16.218459.25)
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 5] (16.224905.25)
Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 16.053880.23
- wijst de vordering toe;
Voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.A. Groeneveld, voorzitter, mr. B.F. Hammerle, kinderrechter, en mr. J.B. Duinkerken, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Tressel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 april 2026.
De voorzitter en griffier zijn niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
(in de zaak met parketnummer 16.218459.25)
hij op of omstreeks 16 juli 2025 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld/goederen van zijn/hunner gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorde(n)
- die snackbar ' [naam] ' is binnen gedrongen althans binnen gegaan en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gericht en/of
- een mes, althans een scherp puntig voorwerp, aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft getoond en/of
- (dreigend) tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gezegd " geld geven, geld geven", althans woorden van gelijke dreigende aard,
(in de zaak met parketnummer 16.224905.25)
hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Almere op/aan de Aprilstraat en/of de Meistraat, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 5] ,
welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het eenmaal of meermalen schoppen/trappen en/of slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer 5] .