ECLI:NL:RBMNE:2026:1392

ECLI:NL:RBMNE:2026:1392

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 16/093786-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Bewezenverklaring van 6 (aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend) en 8 WVW, strafoplegging maximale TS en OBM 2 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/093786-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 8 april 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1986] in [geboorteplaats] ,

verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 25 maart 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1 primair

op 6 april 2024 in Emmeloord als bestuurder van een motorrijtuig zich zodanig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor zwaar lichamelijk letsel en/of tijdelijke ziekte of verhindering van werk is veroorzaakt bij twee personen, terwijl hij onder invloed was van alcohol;

feit 1 subsidiair

hierdoor gevaar op die weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer heeft gehinderd;

feit 2

op 6 april 2024 in Emmeloord een personenauto heeft bestuurd, terwijl het alcoholgehalte in zijn bloed 1,96 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd.

Standpunt van de verdediging

De advocaat stelt zich op het standpunt dat feit 1 primair en feit 2 bewezen kunnen worden verklaard, maar dat van roekeloosheid in elk geval geen sprake is geweest. De verdachte heeft onder invloed van alcohol een inschattingsfout gemaakt, maar niet kan worden vastgesteld dat hij te hard heeft gereden. Verder voert de verdediging aan dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt bij slachtoffer [slachtoffer 1] .

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen feit 1 primair en feit 2

De verdachte bekent dat hij de ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd, zoals die hieronder bewezen zijn verklaard. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 25 maart 2026;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal aanrijding overtreding van 16 september 2024, genummerd PL0900-2024125187-1, pagina 4 en 5;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed van 17 juni 2024, genummerd PL0900-2024107800-1, pagina 33 tot en met 35;

een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, zijnde een rapport van Eurofins Forensics Belgium van 7 mei 2024, doorgenummerde pagina 111 tot en met 113.

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2024, genummerd PL0900-2024107750-3, pagina 24 en 25;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer 1] van 9 september 2024, genummerd PL0900-2024107750-6, pagina 12 tot en met 14 en pagina 85 tot en met 87;

een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer 2] van 9 september 2024, genummerd 900-2024107750-7, pagina 17 tot en met 19 en pagina 101 tot en met 103.

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

Bewijsoverwegingen

Vaststaat dat de verdachte op de desbetreffende dag te veel alcohol had gedronken en vervolgens achter het stuur is gestapt van een personenauto. Ook staat vast dat de verdachte onvoldoende rechts heeft gehouden en op het wegdek heeft gereden dat bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer. De verdachte heeft uitgelegd dat hij op de Espelerlaan reed en de T-splitsing met de Espelerweg naderde en dat er op zijn weghelft een auto stilstond voor de T-splitsing. De verdachte is op de andere weghelft gaan rijden om die stilstaande auto in te halen en de Espelerweg op te rijden. Zo ver is het niet gekomen, want op dat moment kwam hij in botsing met de auto van de slachtoffers, die juist vanaf de Espelerweg kwamen en in tegengestelde richting hun weg wilden vervolgen op de Espelerlaan. De verdachte heeft niet meer kunnen remmen of uitwijken. Verder is op basis van het dossier niet duidelijk geworden hoe hard de verdachte exact heeft gereden. Er zijn getuigen die hebben verklaard dat de verdachte veel te hard reed, maar bij het ontbreken van betrouwbare gegevens, bijvoorbeeld op grond van een verkeersongevallenanalyse, kan de rechtbank dit niet vaststellen. De vervolgvraag is hoe deze gedragingen moeten worden gekwalificeerd.

Bij de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan van en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij komt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld als eerder is bedoeld. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat van roekeloosheid, de zwaarste schuldgradatie, geen sprake was. Wel is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden. De verdachte was fors onder invloed, maar is toch gaan rijden en heeft bij het naderen van de T-splitsing veel te veel risico genomen door het stilstaande voertuig te gaan inhalen en volledig op de verkeerde weghelft te gaan rijden. Bij deze inhaalactie had de verdachte geen oog voor het verkeer dat vanaf de Espelerweg de Espelerlaan op wilde rijden. Deze inhaalactie heeft geleid tot de frontale botsing. Bovendien blijkt uit de overzichtsfoto in het dossier dat vlak vóór de T-splitsing een fietspad de weg kruist. De verdachte heeft zijn rijgedrag onvoldoende afgestemd op de verkeerssituatie. Hoewel het te ver gaat om dit een dollemansrit te noemen, heeft de verdachte hiermee wel zeer onvoorzichtig gehandeld. Er is sprake van meer dan alleen een inschattingsfout. Zelf wijt de verdachte zijn rijgedrag aan zijn alcoholgebruik – en met het gemeten promillage ligt de conclusie voor de hand dat dit alcoholgebruik hier een grote rol in heeft gespeeld – maar hij heeft zichzelf in die positie gebracht door achter het stuur te stappen nadat hij flink had gedronken.

Partiële vrijspraak t.a.v. zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank acht op basis van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen dat er bij slachtoffer [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt. Er zijn hiervoor onvoldoende stukken ter onderbouwing aangeleverd. De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van dit bestanddeel. Op basis van het dossier concludeert de rechtbank dat wel wettig en overtuigend is bewezen dat beide slachtoffers zodanig lichamelijk letsel is toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

feit 1

op 6 april 2024 te Emmeloord als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Espelerlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend

- onvoldoende rechts te houden en

- op het wegdek bestemd voor het tegemoetkomende verkeer te rijden en

- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

(vervolgens) in botsing te komen met een hem tegemoet rijdende personenauto, waardoor:

- [slachtoffer 1] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en

- [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 2

op 6 april 2024 te Emmeloord als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,96 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair

overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994;

feit 2

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (1,96 milligram).

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 2 jaar.

Standpunt van de verdediging

De advocaat kan zich vinden in de vordering van de officier van justitie tot oplegging van een taakstraf van maximale duur, maar verzoekt om de rijontzegging geheel voorwaardelijk aan de verdachte op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft onder invloed van alcohol een ongeval veroorzaakt door op een weg te rijden die bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer en in botsing te raken met een andere auto, waardoor twee slachtoffers letsel hebben opgelopen waar zij veel last van hebben (gehad). Zij hebben immers onder meer verklaard dat zij door hun lichamelijke letsel genoodzaakt waren om tijdelijk minder te gaan werken. Daarnaast zal dit voor hen een traumatische ervaring zijn geweest, waar zij mogelijk nog lange tijd mee zullen worden geconfronteerd wanneer zij zich in het verkeer begeven. De rechtbank neemt de verdachte dit kwalijk. De rechtbank heeft echter ook gezien dat de verdachte dit zichzelf enorm kwalijk neemt. De verdachte heeft zich schuldbewust getoond, is volledig gestopt met drinken en denkt nog dagelijks aan het ongeluk. Ook heeft hij geprobeerd in contact te komen met de slachtoffers om zijn excuses aan te bieden en zijn (financiële) hulp aan te bieden.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel van de justitiële documentatie betreffende verdachte van 12 februari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte ver in het verleden is veroordeeld voor het rijden onder invloed en gevaarlijk rijgedrag.

Daarnaast blijkt uit een overzicht van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) dat de verdachte na de onderhavige feiten ook een boete heeft gekregen voor het bromfietsen zonder passende helm en het vasthouden van een telefoon tijdens het besturen van een personenauto.

Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij twee kinderen heeft en een eigen bedrijf, dat bestaat uit een vaste kern van vijf medewerkers. Deze zijn financieel afhankelijk van zijn bedrijf. Als hij een gevangenisstraf zou krijgen, zou dat betekenen dat zijn bedrijf wordt geliquideerd. De verdachte heeft aangegeven dat hij zijn rijbewijs nodig heeft, onder meer om zijn bedrijf te runnen. Verder ondersteunt hij zijn schoonzus bij de praktische zaken rondom haar zoontje die hulpbehoevend is, zoals het vervoer naar medische afspraken. De verdachte heeft hiervoor onderbouwende stukken aangeleverd. De verdachte is zijn rijbewijs (bestuursrechtelijk) al zeven maanden kwijt geweest en de verdachte heeft toegelicht dat hij in deze periode met kunst- en vliegwerk zijn bedrijf draaiende heeft weten te houden.

Straf

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank allereerst rekening gehouden met de ernst en de gevolgen van de bewezenverklaarde feiten. De verdachte heeft andere verkeersdeelnemers maar ook zichzelf in een levensgevaarlijke situatie gebracht. Gelet op het tijdsverloop in deze zaak in combinatie met de proceshouding van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, zal de rechtbank aan de verdachte geen gevangenisstraf opleggen. Het is positief dat de verdachte op de zitting heeft laten zien dat hij in staat is om te reflecteren op zijn eigen gedrag, dat hij schuldbewust is en dat hij heeft verklaard volledig te zijn gestopt met zijn alcoholgebruik. De rechtbank weegt ook mee dat de verdachte heeft onderbouwd dat hij verantwoordelijk is voor anderen, zowel in de werk- als in de privésfeer. Al met al zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot een taakstraf van maximale duur, te weten 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

De rechtbank is van oordeel dat daarnaast ook een rijontzegging op zijn plek is. De rechtbank heeft daarbij oog gehad voor de omstandigheid dat de verdachte zijn rijbewijs eerder heeft moeten inleveren bij het CBR. Een geheel voorwaardelijke rijontzegging, zoals door de verdediging bepleit, doet echter geen recht aan wat er is gebeurd. De rechtbank zal de verdachte daarom veroordelen tot een rijontzegging voor de duur van 2 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

6. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

7. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;

- ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren;

- bepaalt dat van de ontzegging een gedeelte van 1 (één) jaar niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. J.A. Koorevaar en S. Shukrula, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.R.V. Joerawan als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 6 april 2024 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Espelerlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- onvoldoende rechts te houden en/of

- op het wegdek bestemd voor het tegemoetkomende verkeer te rijden en/of

- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

(vervolgens) in botsing te komen met een hem tegemoet rijdende personenauto, waardoor:

- [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een (zware) hersenschudding, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of

- [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 april 2024 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Espelerlaan,

- onder invloed van alcohol heeft gereden en/of

- onvoldoende rechts heeft gehouden en/of

- op het wegdek bestemd voor het tegemoetkomende verkeer heeft gereden en/of

- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg heeft kunnen overzien en waarover deze vrij was, (vervolgens) in botsing is gekomen met een hem tegemoet rijdende personenauto, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 6 april 2024 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,96 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?