Het objectieve criterium
4. Eiser voert in het kader van het objectieve criterium aan, dat sprake is van een dubbele bestraffing bij afwijzing van een aanvraag op basis van strafrechtelijke veroordelingen. Feitelijk wordt eiser een beroepsverbod opgelegd naast de door de strafrechter opgelegde straf. Eiser vindt steun voor dit standpunt in uitspraken van het Europese Hof voor de rechten van de mens. Dat de normschending naar nationaal recht niet onder het strafrecht valt is niet van doorslaggevende betekenis. Andere criteria moeten in dat geval getoetst worden. De aard van de overtreding is van belang. In dat kader is van belang dat de norm zich richt tot alle burgers die een VOG indienen. Daarnaast is de zwaarte van de sanctie van belang en omdat het gaat om een feitelijk beroepsverbod is het een zware sanctie. In het verlengde hiervan voert eiser aan dat de afwijzing van de VOG in feite neerkomt op een schending van de onschuldpresumptie. De afwijzing is namelijk hoofdzakelijk gebaseerd op het risico dat eiser zich in zijn functie als [functie] schuldig zal maken aan het plegen van strafbare feiten. Verder creëren de Beleidsregels een fictief risico door herhaling van strafbare feiten als een gegeven te beschouwen. Het is voor eiser per definitie onmogelijk om zich tegen een fictief strafbaar feit te verdedigen. Dit levert strijd op met de onschuldpresumptie van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het recht op een daadwerkelijk en effectief rechtsmiddel van artikel 13 EVRM. En tot slot voert eiser aan dat de afwijzing van de VOG in strijd is met het legaliteitsbeginsel, met name op het punt van de voorzienbaarheid. Als de wetgever het mogelijk had willen maken dat er een beroepsverbod als sanctie binnen een bestuursrechtelijke procedure kan worden opgelegd had zij dat moeten codificeren.
5. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht stelt, dat eiser aan het objectieve criterium voldoet. Eiser is immers binnen de terugkijktermijn veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf wegens het plegen van een misdrijf. De vraag of eiser wel of niet in herhaling valt, het door eiser genoemde fictieve risico of fictieve strafbare feit, is voor de beoordeling van het objectieve criterium niet relevant. In de beleidsregels staat namelijk dat de staatssecretaris bij de toepassing van het objectieve criterium onderzoekt of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat. De beoordeling van het objectieve criterium gaat dus niet om de vraag óf en hoe aannemelijk het is dat eiser de overtreding in de toekomst nog een keer zal plegen. In dit geval gaat het om een plofkraak en vrijheidsberoving. De staatssecretaris heeft kunnen overwegen dat dit delict, indien herhaald, gevaar op kan leveren voor het welzijn van passagiers en de veiligheid van eigendommen en contante of girale waarden. De staatssecretaris heeft gelet hierop daarom ook kunnen overwegen dat het strafbare feit, als dat wordt herhaald in de beoogde functie, een risico oplevert voor de samenleving. De stellingen van eiser doen hieraan niet af. De rechtbank bespreekt die hierna.
De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris niet ten onrechte stelt dat de weigering om een VOG af te geven een bestuursrechtelijk instrument is dat een preventief doel dient en geen oplegging van een sanctie inhoudt.
Bij de beoordeling van een VOG-aanvraag draait het dan ook niet om een schuldvraag, maar om de vraag naar risico’s voor de samenleving. Dus om de vraag of het strafbare feit dat eerder is gepleegd, verenigbaar is met de functie van [functie] . De staatssecretaris heeft door de registratie van het strafbare feit aan de weigering ten grondslag te leggen dan ook geen oordeel gegeven over de vraag of eiser schuldig is aan hetgeen waarvoor hij is veroordeeld en heeft daarom geen inbreuk gemaakt op artikel 6, tweede lid, van het EVRM. Omdat er geen inbreuk is op een verdragsrecht, hoeft dat wat eiser aanvoert over artikel 13 EVRM geen verdere bespreking. Van een dubbele bestraffing (ne bis in idem) of schending van de onschuldpresumptie is dus ook geen sprake.
Hierbij merkt de rechtbank op dat, anders dan eiser aanvoert, de door de staatssecretaris gehanteerde norm niet ziet op alle burgers die een aanvraag VOG indienen. De norm en aan te leggen toets ziet op alle burgers waarvan in de justitiële documentatie (JSD) een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan. Deze norm/toets volgt uit artikel 35, eerste lid van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Een wet in formele zin, derhalve.
De omstandigheid dat eiser door de weigering van de afgifte van een VOG de functie van [functie] niet kan uitoefenen, is een bij het vaststellen van de Beleidsregels voorzien mogelijk gevolg van de weigering. Dit is inherent aan het belang bij bescherming van de samenleving. Dat volgens eiser een beroepsverbod van vier jaar het gevolg is van de weigering van de VOG, kan aan het vorenstaande niet afdoen, omdat ook dergelijke mogelijke gevolgen worden geacht in de Beleidsregels verdisconteerd te zijn.
Tot slot oordeelt de rechtbank over het aangevoerde over het legaliteitsbeginsel, dat eiser miskent dat aan de orde is een bestuursrechtelijke procedure waarin een aanvraag is afgewezen. Eiser is geen sanctie opgelegd en wordt niet vervolgd.
Het subjectieve criterium
6. Eiser voert aan dat het belang van de bescherming van de samenleving niet opweegt tegen zijn belang bij het verkrijgen van een VOG. In de terugkijktermijn is er slechts één antecedent op zijn justitiële documentatie vermeld en dat ene antecedent kan niet leiden tot afwijzing van de VOG in verband met de strafrechtelijke afdoening. Eiser stelt verder dat gekeken moet worden naar de wijze van afdoening van de strafzaak en wijst erop dat hij 14 juni 2024 voorwaardelijk is vrijgesteld onder bijzondere voorwaarden. De voorwaardelijke gevangenisstraf en de daaraan te verbinden bijzondere voorwaarden en proeftijd strekken tot resocialisatie en dragen bij aan een positieve gedragsverandering. Met de voorwaardelijk in vrijheidstelling blijkt dat ervoor is gekozen om eiser een kans te bieden een positieve draai aan zijn leven te geven. Die kans heeft hij ten volle benut en sinds de plofkraak van 6 maart 2019 heeft hij geen strafbare feiten gepleegd. De staatssecretaris had verder ook het tijdsverloop sinds de pleegdatum moeten laten meewegen in het voordeel van eiser. Tot slot stelt eiser dat zijn positieve weg naar boven abrupt wordt doorbroken door het niet verlenen van een VOG en de weigering een VOG te verlenen het risico vergroot dat hij zich richting het verkeerde pad zal begeven. De afwijzing van de VOG heeft een disproportioneel gevolg.
7. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris bij de beoordeling van het subjectieve criterium niet alleen kijkt naar feiten waarvoor binnen de terugkijktermijn een veroordeling ligt, maar bij aantreffen daarvan ook naar strafbare feiten die buiten die termijn vallen. Eiser is in de periode van 2004 tot en met 2016 veroordeeld voor een vernieling, heling, vermogensdelicten en een wapendelict. De staatssecretaris heeft die misdrijven mogen betrekken bij de inschatting van het risico dat eiser opnieuw met justitie in aanraking zal komen.
De rechtbank overweegt over de wijze van afdoening van de strafzaak en het tijdsverloop dat eiser een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 2 maanden opgelegd heeft gekregen voor een op 6 maart 2019 gepleegde plofkraak en vrijheidsberoving en dat hij van 8 juni 2021 tot 14 juni 2024 daarvoor in detentie heeft gezeten. Eiser is op laatstgenoemde datum voorwaardelijk in vrijheid gesteld, maar die voorwaardelijke in vrijheidstelling is ingetrokken bij besluit van de advocaat-generaal van 17 januari 2025, omdat eiser zich niet aan de daaraan gestelde bijzondere voorwaarden heeft gehouden. De wijze van afdoening van het misdrijf waarvoor eiser is veroordeeld, is dus (anders dan eiser stelt) zwaar geweest. Voor zover eiser bedoeld heeft te stellen dat de weigering hem een VOG te verlenen zijn eventuele resocialisatie doorkruist, ziet de rechtbank dat niet. Het ligt immers op de weg van eiser zelf om op het zogenaamde rechte pad te blijven en dat kan ook prima in een baan waarvoor geen VOG nodig is.
De rechtbank oordeelt tot slot dat de staatssecretaris heeft kunnen oordelen dat de periode tussen het bestreden besluit en het laatste contact met justitie te kort is geweest om te kunnen stellen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate is afgenomen.
8. Gezien voormelde overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris het belang van bescherming van de samenleving tegen risico’s zwaarder mocht laten wegen dan het belang van eiser bij de afgifte van de VOG.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond en eiser krijgt geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
De rechter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.