ECLI:NL:RBMNE:2026:1406

ECLI:NL:RBMNE:2026:1406

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 1607621025
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewezenverklaring van het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing waarbij gevaar voor goederen te duchten was. De verdachte had een aansturende rol bij het teweegbrengen van de ontploffing. Oplegging van een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/076210-25; 10/226932-23 (vord. tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 25 maart 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] ,

adres: [adres 1] , [postcode] in [plaats 1] ,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 11 maart 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1

primair: op 19 augustus 2024 in Utrecht, samen met een of meer anderen, een ontploffing heeft veroorzaakt door (zwaar) vuurwerk in brand te steken, waarbij gevaar voor personen en goederen te duchten was;

Subsidiair: in de periode van 17 augustus tot en met 19 augustus 2024 in Utrecht/ Rotterdam , medeplichtig is geweest aan voornoemde ontploffing door

- [medeverdachte 1] met de auto op te halen en/of naar de locatie van de explosie te rijden en/of

- ten tijde van en/of rondom de uitvoering van het delict contact te onderhouden met [medeverdachte 1] en/of locatiegegevens te delen en/of zich in de nabijheid te houden voor (gehaast) vertrek.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De verdachte heeft op afstand een aansturende rol gehad ten aanzien van de ontploffing, waardoor sprake is geweest van dusdanige betrokkenheid van de verdachte bij het delict dat hij als medepleger kan worden aangemerkt.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Primair, omdat geen sprake is van een voltooid delict zoals is ten laste gelegd en subsidiair vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen feit 1 primair

De rechtbank oordeelt dat het primair ten laste gelegde, medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

Op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen door de verdachte op zitting is verklaard, stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 19 augustus 2024 heeft omstreeks 02:35 uur bij de woning van aangever [aangever 1] aan de [adres 2] in [plaats 2] een explosie plaatsgevonden. Hierbij is eerst een baksteen door de ruit boven de voordeur gegooid, vervolgens is een cobra 6 die op een fles gevuld met motorbenzine was getapet aangestoken en is deze richting de ingegooide ruit gegooid. Daarbij is het gat in de ruit gemist, waardoor het explosief terug op straat is gevallen en vervolgens tot ontploffing is gekomen.

In de nabijheid van de plaats delict is later, omstreeks 02:55 uur, de verdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) aangehouden. [medeverdachte 1] heeft bekend dat hij de ontploffing teweeg heeft gebracht. Hij heeft verklaard dat hij via een vriend met iemand in contact was gekomen via snapchat die hem tegen betaling een zogenoemde C6 klus (Cobra 6) had aangeboden. Op de dag van de ontploffing is hij naar Utrecht gebracht, waar hij verdere instructies heeft ontvangen. Vlak voor de explosie is [medeverdachte 1] gebeld door het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] . In dat telefoongesprek is tegen hem gezegd: ‘doe het, doe het nu’. Het telefoonnummer waarmee [medeverdachte 1] is gebeld, is in gebruik bij de verdachte.

Telefoon met het nummer + [telefoonnummer 1]

De verdachte heeft op zitting verklaard dat het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] weliswaar aan hem toebehoort, maar dat hij de betreffende telefoon op de avond van de explosie niet in zijn bezit had en dat hij niet de persoon is die die avond met [medeverdachte 1] heeft gebeld.

De rechtbank vindt deze verklaring ongeloofwaardig en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft wisselend verklaard over waar hij was en wat hij op de avond van het delict deed. In eerste instantie heeft hij tegenover de politie verklaard dat hij in Marokko was ten tijde van het delict. Vervolgens heeft hij bij de rechter-commissaris verklaard dat hij ten tijde van het delict snorderritjes uitvoerde en dat iemand hem in die periode belde met de vraag of hij iemand wilde ophalen, maar dat hij niet is gegaan. Daarbij heeft hij verklaard dat hij die nacht ook een paar keer expres zijn telefoon niet heeft opgenomen, omdat hij ongeveer wist wat er ging gebeuren. Hij heeft daarbij verklaard: ‘Ik wist alleen iets die kant op (…) met wat er is gebeurd met die explosie’. Tijdens dit verhoor heeft de verdachte op geen enkele wijze gesteld dat hij zijn telefoon op dat moment niet in bezit had. Integendeel, uit zijn verklaringen volgt juist dat hij zijn telefoon wel in bezit had en op momenten bewust zijn telefoon niet heeft opgenomen. Pas tijdens de inhoudelijke behandeling van zijn zaak heeft de verdachte verklaard dat hij zijn telefoon die avond niet in bezit had. De rechtbank vindt het opmerkelijk dat de verdachte pas op zitting met deze verklaring komt. Daar komt bij dat de verdachte deze verklaring op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Op vragen van de rechtbank hoe hij weet dat hij zijn telefoon niet bij zich had, wie de telefoon dan wel had en wanneer hij deze weer terug zou hebben gekregen, heeft de verdachte geen antwoord willen geven. Ook bevat het dossier geen aanknopingspunten die de verklaring van de verdachte ondersteunen.

De rechtbank acht de op zitting afgelegde verklaring, mede gelet de (eerdere) wisselende verklaringen van de verdachte en het ontbreken van enige onderbouwing, ongeloofwaardig.

Uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) volgt dat hij (als gebruiker van het Snapchat-account [accountnaam 1] ) degene is geweest die de gebruiker van het Snapchat-account [accountnaam 2] (te weten: [medeverdachte 1] ), de uitvoerder van explosie, in contact heeft gebracht met een Marokkaanse jongen uit de buurt. [medeverdachte 2] bevestigt vervolgens dat het gaat om de verdachte.

De verklaring van [medeverdachte 1] dat hij vlak voor de explosie is gebeld, wordt ondersteund door de historische gegevens van zijn telefoon. In de telefoon van [medeverdachte 1] is te zien dat er kort voor en na de explosie veelvuldig contact was met het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] . Zo blijkt dat er twee keer wordt ingebeld door het nummer + [telefoonnummer 1] en dat bij de derde keer om 02:27:43 uur een gesprek van 1 minuut 48 seconden plaatsvindt. Over dit telefoongesprek kort voor de ontploffing heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij op dat moment twijfelde of hij de explosie wel moest uitvoeren. Vervolgens werd [medeverdachte 1] gebeld, waarbij tegen hem werd gezegd: ‘doe het, doe het nu’. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij deze woorden heeft opgevat als druk om het (de C6-klus) uit te voeren. Vervolgens vindt slechts enkele minuten na dit telefoongesprek, omstreeks 02:32 uur, de ontploffing plaats waarbij blijkens de aangifte van [aangever 1] een harde knal en gerinkel van glas te horen zijn.

Na de ontploffing belt [medeverdachte 1] twaalf keer naar het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] , maar krijgt hij geen contact. Om 02:36:39 uur, kort na de explosie, wordt [medeverdachte 1] door het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] gebeld en is er 32 seconden contact en vervolgens is er om 02:51:45 uur 1 minuut en 22 seconden contact. Daarna is te zien dat [medeverdachte 1] meerdere malen belt naar het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] , maar dat er geen contact wordt verkregen. Hierover verklaart [medeverdachte 1] dat hij aan het rennen was en opgehaald wilde worden.

Bij dit alles komt dat uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte blijkt dat met de telefoon van de verdachte kort na de explosie is gezocht naar alarmmeldingen en nieuwsberichten over het incident. Zo bevinden zich op zijn telefoon screenshots, die om 03:36 uur en om 03:53 uur zijn gemaakt, met daarop Politie meldingen Utrecht. Uit het feit dat deze screenshots zo kort na de explosie, midden in de nacht, zijn gemaakt, terwijl de verdachte in Rotterdam woont en de explosie in Utrecht plaatsvond, leidt de rechtbank eveneens af dat de verdachte betrokken was bij de uitvoering van de explosie.

De rechtbank gaat, op basis van het voorgaande, ervan uit dat de verdachte zijn telefoon met het nummer + [telefoonnummer 1] op 19 augustus 2024 in bezit had en dat hij degene is geweest die de bewuste avond kort voor en na de ontploffing meermalen telefonisch contact heeft gehad met [medeverdachte 1] . Tevens gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte wetenschap had van de explosie en dat hij degene is geweest die heeft gezegd ‘doe het, doe het nu’.

Medeplegen

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe de rol van de verdachte juridisch gekwalificeerd moet worden. De betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan van dit feit sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij moet de intellectuele en/of materiële bijdrage van een verdachte aan het delict van voldoende gewicht zijn.

Uit het dossier volgt dat de verdachte een aansturende rol heeft gehad bij het teweegbrengen van de ontploffing. Hoewel de rechtbank (op basis van de historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte) ervan uitgaat dat de verdachte niet fysiek aanwezig was bij de ontploffing in Utrecht, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank wel een wezenlijke bijdrage geleverd door telefonisch contact te onderhouden met [medeverdachte 1] vlak voor en kort na de ontploffing. De verdachte heeft [medeverdachte 1] telefonisch aangezet tot het teweeg brengen van de ontploffing. Het is de verdachte geweest die [medeverdachte 1] , op dat moment slechts dertien jaar oud, heeft aangespoord om ‘het te doen’, terwijl [medeverdachte 1] twijfelde. Volgens [medeverdachte 1] betrof de persoon die hem belde een soort opdrachtgever: ‘een beetje de baas die hem werk gaf’. De woorden ‘doe het, doe het nu’ van de verdachte heeft hij opgevat als druk om de explosie uit te voeren.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een aansturende rol heeft gehad bij de ontploffing die op 19 augustus 2024 heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft een belangrijke bijdrage aan de totstandkoming van de ontploffing geleverd. Er is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en (in ieder geval) de medeverdachte [medeverdachte 1] , waarbij het aandeel van de verdachte van bepalende invloed is geweest op het verloop van het delict. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, in die zin dat de verdachte in de nabijheid van [medeverdachte 1] was op het moment dat hij de ontploffing teweeg bracht, is de bijdrage van de verdachte aan het ten laste gelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.

Poging

Anders dan door de verdediging is betoogd, volgt uit de bewijsmiddelen dat er wel degelijk sprake is van een voltooide ontploffing en niet dat er slechts sprake was van een poging. Het enkele feit dat de fles met vloeistof waarop een cobra 6 was getapet op straat is beland en niet in de woning, maakt niet dat er geen sprake is van een voltooide ontploffing.

Gevaar voor goederen

Anders dan door de verdediging aangevoerd, leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen te duchten was, te weten voor de aangrenzende en omliggende woningen en (passerende) auto’s. De ontploffing is veroorzaakt door het gebruik van een Cobra 6 in combinatie met een brandbare vloeistof (VBC). Het is een feit van algemene bekendheid dat een Cobra 6 zwaar en illegaal vuurwerk betreft, en dat een Cobra 6 bij ontbranding een ontploffing teweeg kan brengen met een gelijke kracht als die van een handgranaat. Nadat dit vuurwerk is aangestoken, is het ontstekingsproces onomkeerbaar en zal de Cobra 6 tot ontploffing komen. Het explosief is ter hoogte van de voordeur van de woning, gelegen aan de openbare weg, ook daadwerkelijk tot ontploffing gekomen. Gelet op de kracht van de ontploffing van een Cobra 6, de wijze waarop deze is gebruikt en de locatie waar de ontploffing heeft plaatsgevonden, alsmede het aangetroffen sporenbeeld, is de rechtbank van oordeel dat bij deze explosie gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Dat de omliggende en aangrenzende woningen, evenals (passerende) auto’s, bij de ontploffing gevaar liepen, was naar algemenen ervaringsregels voorzienbaar. Dit volgt immers ook uit het forensisch onderzoek. Het verweer van de verdediging slaagt niet.

Geen levensgevaar/ gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er als gevolg van de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Daarvoor is vereist dat kan worden vastgesteld dat dat gevaar op het moment van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Uit het dossier blijkt niet dat er ten tijde van het plaatsen en/of het afgaan van het explosief, personen in de (directe) nabijheid van het explosief aanwezig waren. Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. De rechtbank zal de verdachte ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Conclusie

De rechtbank vindt, op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en gelet op wat hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing waarbij gevaar voor goederen te duchten was.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

op 19 augustus 2024, te Utrecht, tezamen enin vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffingteweeg heeft gebracht door (zwaar) vuurwerk in brand te steken,

waardoor dit vuurwerk tot ontploffing is gekomen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten vooraangrenzende/omliggende woningen en auto’s, in elkgeval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

Strafbaarheid feit en verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank het jeugdstrafrecht toe te passen en, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de zaak, bij een eventuele bewezenverklaring te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf die niet langer is dan de duur van het voorarrest, aangevuld met een werkstraf van 150 tot 200 uur. Indien noodzakelijk zou dit aangevuld kunnen worden met een voorwaardelijke vrijheidsstraf van 3 tot 6 maanden en bijzondere voorwaarden.

Ter onderbouwing van zijn verzoek verwijst de advocaat naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die onder meer naar voren komen uit de reclasseringsrapporten. Volgens de advocaat is de verdachte nog erg jong, handelt hij impulsief, is hij beïnvloedbaar en is er vermoedelijk sprake van een laag intelligentieniveau.

Daarnaast voert de advocaat aan dat ook het feit dat de verdachte zich heeft onttrokken aan het schorsingstoezicht een aanwijzing vormt dat toepassing van het jeugdstrafrecht wenselijk is. De verdachte zou vanuit paniek en angst hebben gehandeld toen hij hoorde dat hij terug moest naar de gevangenis en zou niet goed in staat zijn de gevolgen van zijn handelen te overzien. De advocaat stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende grond bestaat om te concluderen dat geen enkele pedagogische mogelijkheid meer aanwezig is.

Tot slot merkt de advocaat op dat de verdachte weliswaar eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen, maar dat het daarbij niet om zware feiten ging.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich samen met (een) ander(en) op 19 augustus 2024 schuldig gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een explosie voor de voordeur van een woning. Hierbij is eerst een baksteen door de ruit gegooid, vervolgens is het explosief aangestoken en is deze richting de ingegooide ruit gegooid. Daarbij is het gat in de ruit gemist, waardoor het explosief terug op straat is gevallen en vervolgens ter hoogte van de voordeur tot ontploffing is gekomen. Een dergelijke explosie is allereerst uiterst bedreigend en beangstigend geweest voor de bewoners van de woning, een plek waar men zich - zeker in de nachtelijke uren - bij uitstek veilig moet kunnen voelen. Ook leidt zo'n ontploffing voor omwonenden en in algemene zin in de samenleving tot onrust en gevoelens van angst en onveiligheid. De verdachte heeft bijgedragen aan deze zeer intimiderende vorm van geweld door de medeverdachte op afstand aan te sporen om bovengenoemde handelingen uit te voeren. Daarbij mag de verdachte van geluk spreken dat het oorspronkelijke plan, namelijk het naar binnen gooien van het explosief, niet is geslaagd, omdat de gevolgen daarvan vele malen groter zouden zijn geweest.

De rechtbank vindt het zeer zorgelijk dat de verdachte bereid is geweest om zo’n ernstig strafbaar feit te plegen. Er moet een einde worden gemaakt aan het gemak waarmee dit soort feiten, gericht op intimidatie, vandaag de dag lijken te worden gepleegd en de rechtbank zal dit tot uiting brengen in de strafmaat.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennis genomen van:

het strafblad van de verdachte van 5 januari 2026;

een reclasseringsadvies van Tactus van 20 november 2025, opgesteld door reclasseringswerker L. de Lange;

een reclasseringsadvies van Fivoor van 12 januari 2026, opgesteld door reclasseringswerker B. Ossel;

een e-mail van de officier van justitie van 4 maart 2026.

Het strafblad

Uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit dat ziet op of vergelijkbaar is met het teweegbrengen van een ontploffing. Wel constateert de rechtbank dat de verdachte op jonge leeftijd al een aanzienlijk strafblad heeft (9 pagina’s) met diverse soorten delicten, wat zorgelijk is te noemen. De eerder opgelegde straffen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden een nieuw, ernstiger strafbaar feit te plegen. Eerder opgelegde werkstraffen zijn niet (goed) uitgevoerd.

Het reclasseringsadvies

Uit het rapport van 20 november 2025 blijkt dat de reclassering het recidiverisico momenteel als hoog inschat. Op dit moment worden er diverse risicofactoren gezien die de kans op herhaling van het plegen van een strafbaar feit door verdachte vergroten, zoals het psychosociaal functioneren, het middelengebruik en het sociaal netwerk van de verdachte. Daarnaast heeft de verdachte schulden en geen dagbesteding.

De houding van de verdachte is mogelijk een steunende factor. Hij spreekt zijn motivatie uit om zijn leven te veranderen en geeft aan dat hij openstaat voor hulp van instanties, hetgeen tot op zekere hoogte is gebleken uit zijn schorsingstoezicht.

De reclassering adviseert het volwassenstrafrecht toe te passen. Hoewel er sprake is van impulsief handelen en beïnvloedbaarheid van de verdachte en het vermoedelijk functioneren op een laag intelligentieniveau, lijkt er geen sprake van een ontwikkelingsniveau dat achterloopt bij zijn kalenderleeftijd. Daarnaast ziet de reclassering op pedagogisch gebied geen mogelijkheden en is uit eerder toezicht bij de jeugdreclassering gebleken dat de verdachte ook niet gevoelig is voor een pedagogische aanpak.

De reclassering adviseert bij een veroordeling om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:

Meldplicht;

Ambulante behandeling;

Begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

Contactverbod met de slachtoffers;

Dagbesteding;

Meewerken aan schuldhulpverlening;

Meewerken aan middelencontrole.

Uit het rapport van 12 januari 2026 blijkt dat de verdachte in het kader van een schorsing onder reclasseringstoezicht loopt sinds 14 november 2025. Aan de schorsing zijn voorwaarden verbonden, waaronder een meldplicht en een locatiegebod met elektronische monitoring. Het locatiegebod is echter vanaf de aanvang van het reclasseringstoezicht door de verdachte overtreden. Dit toezicht betreft een tweede kans, nadat het vorige schorsingstoezicht van de verdachte werd opgeheven.

Bovendien blijkt uit de e-mail van de officier van justitie dat de verdachte op 12 januari 2026 zijn enkelband heeft doorgeknipt en zich vervolgens onvindbaar heeft gehouden.

Strafkader

De rechtbank is van oordeel dat gelet op wat hiervoor is overwogen over de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, mede vanuit een oogpunt van normbevestiging en generale preventie het nodig is om een gevangenisstraf van geruime duur op te leggen.

Het teweegbrengen van een explosie met een pyrotechnisch explosief (cobra 6) met zoveel vernietigingskracht in een woonwijk, op een tijdstip waarop de meeste mensen in hun woningen in bed liggen, is immers enorm gevaarlijk en angstaanjagend. Daarnaast moet het signaal worden afgegeven aan de (overwegend jonge) personen, die overwegen voor een relatief klein geldbedrag zulke strafbare feiten te plegen, dat het plegen van dergelijke feiten zwaar wordt bestraft.

Bovendien is gebleken dat eerdere voorwaardelijke straffen kennelijk onvoldoende effect hebben gehad om de verdachte te weerhouden van het plegen van strafbare feiten en is het uitvoeren van eerder opgelegde werkstraffen mislukt. Ook heeft de verdachte laten zien dat hij zich (wederom) niet kan houden aan de aan hem opgelegde bijzondere voorwaarden en geen respect heeft voor autoriteiten. Op 14 december 2025 werd de verdachte voor de tweede keer geschorst. Vanaf de aanvang van het reclasseringstoezicht heeft hij direct het aan hem opgelegde locatiegebod overtreden. Vervolgens heeft hij zijn enkelband doorgeknipt en zich onvindbaar gehouden, waardoor hij zich volledig onttrok aan het reclasseringstoezicht. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen heil in het opleggen van een voorwaardelijke straf, dan wel in het opleggen van bijzondere voorwaarden. De rechtbank zal daarom een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte ten tijde van het plegen van het feit meerderjarig was, maar de leeftijd van 23 jaar nog niet had bereikt; hij was 18 jaar. Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht biedt de rechtbank de mogelijkheid om voor jongvolwassenen een jeugdsanctie toe te passen in het geval de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan daartoe aanleiding geven. Gelet op het reclasseringsadvies en hetgeen de rechtbank ziet in het dossier en wat op de zitting is besproken, zal de rechtbank het volwassenstrafrecht toepassen.

De rechtbank heeft bij de vaststelling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf in het bijzonder het volgende laten meewegen. Kijkend naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd is in beginsel een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De rechtbank ziet, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn jonge leeftijd aanleiding om de straf op te leggen die door de officier van justitie is gevorderd.

Conclusie

Alles afwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om de verdachte voor het

bewezenverklaarde feit een gevangenisstraf op te leggen van vijftien (15) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

6. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De kinderrechter in Rotterdam heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 10-226932-23 op 22 januari 2024 een jeugddetentie van 15 dagen voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft geen standpunt ingenomen over de vordering tot tenuitvoerlegging.

Oordeel van de rechtbank

Bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2024 (parketnummer 10-226932-23) is de verdachte een jeugddetentie van 15 dagen voorwaardelijk opgelegd. De verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Om die reden zal deze straf alsnog ten uitvoer gelegd worden.

7. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 primair bewezenverklaarde;

straf

vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 10-226932-23

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. B.F. Hammerle en mr. M. Pieplenbosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 19 augustus 2024, te Utrecht, althans in Nederland, tezamen enin vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffingteweeg heeft gebracht door (zwaar) vuurwerk in brand te steken, in elk geval inaanraking te brengen met (open) vuur, waardoor dit vuurwerk tot ontploffing isgekomen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten vooraangrenzende/omliggende woningen en/of aldaar geparkeerd staande auto’s, in elkgeval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaarlichamelijk letsel voor een ander, te weten [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of eenof meer omwonende(n) te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] , op ofomstreeks 19 augustus 2024, te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en invereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffingteweeg heeft/hebben gebracht door (zwaar) vuurwerk in brand te steken, in elkgeval in aanraking te brengen met (open) vuur, waardoor dit vuurwerk totontploffing is gekomen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te wetenvoor aangrenzende/omliggende woningen en/of aldaar geparkeerd staande auto’s,in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voorzwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [aangever 1] en/of [aangever 2]en/of een of meer omwonende(n) te duchten was,bij welk misdrijf, hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 17 augustus tot enmet 19 augustus 2024, te Utrecht en/of Rotterdam , althans in Nederland, tezamenen in verenging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk behulpzaam isgeweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaftdoor- die [medeverdachte 1] met een auto op te halen en/of (vervolgens) die [medeverdachte 1][medeverdachte 1] naar de locatie van de explosie te rijden en/of- ten tijde van en/of rondom de uitvoering van het delict contact te onderhoudenmet die [medeverdachte 1] en/of locatiegegevens te delen en/of zich in de nabijheidvan de locatie van de explosie gereed te houden voor (gehaast) vertrek;

Bijlage II: Bewijsmiddelen

De verklaring van de verdachte op de zitting van 11 maart 2026:

Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] is van mij. Ik heb een Apple Iphone 13.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 17 maart 2025:

Er is voor en na de explosie vaker contact geweest met jouw telefoon?

Maar er is ook een paar keer niet opgenomen. Ik heb expres niet opgenomen.

Wist je wat er zou gebeuren?

Ik wist het ongeveer. Ik wist alleen iets die kant op.

Wat bedoel je daarmee?

Met wat er is gebeurd met de explosie.

Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:

Plaats delict: [adres 2] [plaats 2]

Op 19 augustus 2024, omstreeks 02:32 uur, hoorde ik een harde knal en gerinkel van glas. Ik zag dat er glas op de mat bij de voordeur lag. Ik zag dat er een baksteen op de mat lag. Ik zag dat het glas boven mijn voordeur, helemaal kapot was.

Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 19 augustus 2024 was ik ter plaatste aan de [adres 2] in [plaats 2] .

Ik zag op de beelden dat de verdachte een voorwerp, gelijkend op een plastic fles gevuld met een gele vloeistof, vasthoudt. Ik zag dat de verdachte een aansteker of een soortgelijkend voorwerp gebruikt om een lont aan te steken dat vastzit aan de plastic fles. Ik zag dat dat de verdachte de fles met ontstoken lont poogde door de ruit boven de voordeur van perceel [nummer] te gooien. Ik zag dat de fles terugkaatste en op het voetpad viel. Ik zag een grote explosie, gevolgd door een vlammenzee op het voetpad.

Een proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres 2] [plaats 2] ), voor zover, inhoudende weergegeven:

Het betrof een woning gelegen aan openbare weg genaamd de Catharijnesingel. Het

betrof een doorgaande weg met twee rijstroken. De voorgevel van de woning was gelegen

aan het trottoir en vrij te bereiken. In het pand bevonden zich op de bovengelegen verdiepingen bewoonde appartementen.

Ik zag op de openbare weg kartonnen restanten en een blauwe dop van het explosief

liggen. Op de etiket restanten zag ik de letters en kleurstelling die ik herkende

van de Super Cobra 6, ook de blauwe dop was een herkenbaar onderdeel van een Cobra 6.

Ik zag links van de voordeur, op het trottoir, en op de raamkozijnen beroeting, hier was

het explosief tot ontploffing en ontbranding gekomen.

Samenvatting

Naar aanleiding van het door mij ingesteld onderzoek concludeer ik het volgende: Men had een steen door de ruit gegooid. Vervolgens het explosief aangestoken en richting de ruit gegooid. Het explosief is niet door de ruit heen gekomen maar op het trottoir, ter hoogte van de voordeur tot ontploffing gekomen.

Hierbij kwamen ik tot de conclusie dat het een pyrotechnisch explosief (cobra 6) betrof in combinatie met een brandbare vloeistof (VBC).

Het ontsteken van een Cobra6 in combinatie met een brandbare vloeistof (VBC) is

onomkeerbaar. Gelet op de feiten en omstandigheden waarin het explosief voor de voordeur tot ontploffing is gebracht, hierdoor ontstond een drukgolf in combinatie met vuur.

Uit de beschreven situatie en het aangetroffen sporenbeeld bleek dat bij deze brand/explosie gemeen gevaar voor goederen was te duchten als bedoeld in artikel157 onder 1e lid wetboek van strafrecht.

Overzicht veiliggestelde sporen en sporendragers

Object: Vuurwerk

Bijzonderheden: Restanten van cobra 6

Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte [medeverdachte 1] van 19 augustus 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

A: Ik besloot met een vriend van mij via via, een persoon waar je snel geld kunt verdienen. Ik werd opgehaald en naar Utrecht. Werd ik in het park en kreeg ik de locatie waar ik

heen moest. En waar ik het moest doen.

A: De werk is genoemd C6. Staat bekend als baksteen gooien. En dan de brand vernieling doen.

V: Wat deed dat met je die gedachte?A: Eigenlijk had ik zeg maar, meer het gevoel om het niet te doen. V: Wat heeft ervoor gezorgd dat je het toch wel hebt gedaan.A: Ik kreeg de druk dat ze me gingen bellen. Ze zeiden doe het doe het, in andere woorden. V: Je bent dus ook gebeld door die persoon.A: Ja.

Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte [medeverdachte 1] van 19 maart 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

0: In jouw telefoon zag ik een snapchataccount met de gebruikersnaam [accountnaam 2] .V: Van wie is die naam?A: Gewoon van mij.

0: Ik wil nog wel even een vraag stellen over jouw antwoord op de rol van diegene met het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] .V: Was hij eigenlijk een soort opdrachtgever?A: Ja.V: Was hij eigenlijk een beetje de baas daar die jou werk gaf?A: Ja.

Een proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 1] van 15 januari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Je hebt op 19 augustus 2024 verklaard dat je via via met iemand in contact bent gekomen en

datje een zogenaamde C6 klus kon doen tegen betaling. Dat je toen door iemand naar

Utrecht bent gereden in een rode auto. Je zei ook dat je nog getwijfeld hebt, maar dat je toen

door die persoon bent gebeld en dat hij heeft gezegd: doe het, doe het nu. Klopt dat en kun je je dit herinneren?

Ja.

Er is gekeken in je telefoon en toen is gezien dat jij kort voor en na de ontploffing contact hebt gehad met een nummer eindigend * [telefoonnummer 1] . Om 2u27 belt dat nummer naar jou en hebben jullie een gesprek van 1 minuut en 48 seconden. Dit is niet zo lang voor de explosie. Is dat , misschien het gesprek geweest waarin jou werd verteld ‘doe het, doe het nu?’Ja.

Kun je iets meer zeggen over dat gesprek? Ik weet het niet meer. In dat gesprek werd ik alleen onder druk gezet, verder niks.

Rechter-commissaris: Wat bedoel je daar mee? Hoe voelde je dat je onder druk werd gezet? Ik was op een plek en toen werd ik gebeld. Diegene belde mij en zei: ‘doe het, doe het nu.’ Ik voelde voor mijzelf dat ik het nu moest doen.

Een proces-verbaal van bevindingen, aanvullend pv telefoon [medeverdachte 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

In de telefoon van verdachte [medeverdachte 1] was te zien dat er kort voor en ná de explosie veelvuldig contact was met telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Tussen 19 augustus 2024, 02.27 uur en 19 augustus 2024, 02.51 uur vonden er 35 oproepen plaats met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] .

Voor explosie:02.27.03 uur belt [telefoonnummer 1] naar [telefoonnummer 2] (in gebruik bij [medeverdachte 1] ) duur 00.18 seconden02.27.21 uur belt [telefoonnummer 1] naar [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 2] ) 00.00 missed call02.27.43 uur belt [telefoonnummer 1] naar [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 2] ) voor duur van 1 minuut en 48 seconde (answerd)02.32 uur belt [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 2] ) naar [telefoonnummer 1] duur 00.12 sec02.32.13 uur belt [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 2] ) naar [telefoonnummer 1] duur 00:09 sec

Na explosie:Tussen 02.35.07 en 02.36.24 belt [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 2] ) 12 keer naar [telefoonnummer 1] gezien de duur van de gesprekken is dit geen gesprek geweest.02.36.33 uur belt [telefoonnummer 1] naar [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 2] ) duur 00.38 seconden02.36.39 uur belt [telefoonnummer 1] naar [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 2] ) duur 00.32 uur seconden ( Answered)02.40.20 uur belt [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 2] ) naar [telefoonnummer 1] duur 00:47 seconden02.40.24 uur belt [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 2] ) naar [telefoonnummer 1] 00:43 seconden02.41.11 uur belt [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 2] ) naar [telefoonnummer 1] 00:21 seconden02.41.32 uur belt [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 2] ) naar [telefoonnummer 1] 00:00 seconden02.41.45 uur belt [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 2] ) naar [telefoonnummer 1] 00:19 seconden02.41.50 uur belt [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 2] ) naar [telefoonnummer 1] 00.15 seconden02.46.46 uur belt [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 2] ) naar [telefoonnummer 1] 00:46 seconden02.47.00 uur belt [medeverdachte 1] n( [telefoonnummer 2] ) naar [telefoonnummer 1] 00:40 secondenVan 02.47.45 tot 02.48.04 uur belt [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 2] ) 6 maal enkele seconden naar [telefoonnummer 1]02.51.36 uur belt [telefoonnummer 1] naar [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 2] ) 01.31 minuten02.51 :45 uur belt [telefoonnummer 1] naar [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 2] ) duur 01.22 minuten (answered).

Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte [medeverdachte 2] van 11 maart 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

A: Er is een Marokkaanse jongen uit mijn buurt, [accountnaam 2] kent hem niet persoonlijk. [accountnaam 2] heeft gevraagd aan mij gevraagd ik contact leggen. Hij vroeg of ik snapchat had van die jongen en die heb ik toen gestuurd.

A: Ik zou een rol kunnen spelen maar dat ging niet door. ik heb alleen die Marokkaanse jongen doorgestuurd en dat was het.

0: Ook heeft de gebruiker van de snapchat username " [accountnaam 1] " al in een eerder

snapchatgesprek van 17 augustus 2024 22.24 uur tegen [medeverdachte 1] gezegd:" Wil je beetjepap maken vanavond. Je wordt gebracht en Terug

V: Wat kun je hierover verklaren?

A: Ik wil niemand zijn naam vies maken, weet 100 procent zeker dat ik niemand heb gebracht. Ik weet 100 procent zeker dat die Marokkaan een rol in speelt.

V: we hadden net over een Marokkaanse jongen. Wil je zeggen hoe hij heet?

V: Is het [verdachte] ?

A: ja klopt

V: Wat is zijn rol in deze explosie?

A: Hij heeft wel de grootste rol dat weet ik wel.

Een proces-verbaal van bevindingen, onderzoek telefoon AAQT6975, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 12 maart 2025 werd verdachte [verdachte] aangehouden en werd zijn telefoon een Apple iPhone 13 inbeslaggenomen.

Merk: Apple

Type: Iphone 13

Telefoonnummer: +31687158923

Screenshot van 19 augustus 2024 om 03:36 uur dit is na de explosie die plaats vond omstreeks 02:35 uur.

Screenshot van 19 augustus 2024 om 03:53 uur dit is na de explosie die plaats vond omstreeks 02:35 uur.

Screenshot van 19 augustus 2024 om 11:15 uur dit is na de explosie die plaats vond omstreeks 02:35 uur.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?