RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/374812-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 9 april 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [1976] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres] te [woonplaats] , hierna: de verdachte.
1. De zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 26 maart 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
- de verdachte;
- de officier van justitie, mr. A.P.M. van Weegen;
- de raadsvrouw van de verdachte, mr. J. Verstegen.
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1:
op 23 november 2024 in Nieuwegein als bestuurder van een personenauto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, door roekeloos of zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig te handelen, waarbij de verdachte:
- onder invloed van alcohol, THC en cocaïne heeft gereden;
- met een snelheid van 117 km/u heeft gereden, waar 50 km/u was toegestaan;
- onvoldoende zijn snelheid heeft geminderd bij het naderen van een bocht, waardoor hij in botsing is gekomen met een boom.
feit 2:
op 23 november 2024 in Nieuwegein een personenauto heeft bestuurd onder invloed van cocaïne, THC en alcohol.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van feit 1
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat het verkeersongeval is veroorzaakt door roekeloos verkeersgedrag van de verdachte.
Ten aanzien van feit 2
De officier van justitie heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat de verdachte heeft gereden terwijl hij onder invloed was van cocaïne, THC en alcohol.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de feiten 1 en 2
De raadsvrouw heeft bepleit dat niet bewezen kan worden dat de verdachte heeft gereden onder invloed van cocaïne, THC en alcohol, omdat er geen sprake is geweest van een rechtsgeldig bloedonderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet (verder: WVW). Bij dit bloedonderzoek zijn immers artikel 163 WVW en artikel 13 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (verder: het Besluit), niet nageleefd.
Artikel 163 lid 9 (de rechtbank begrijpt: lid 7) WVW schrijft voor dat een bloedonderzoek niet plaatsvindt voordat de verdachte daarvoor toestemming heeft kunnen geven. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hem niet om toestemming voor het bloedonderzoek is gevraagd. Voorts vormen de omstandigheden waaronder het bloed van de verdachte werd afgenomen een aanwijzing dat de verdachte ook geen toestemming heeft kunnen geven. De verdachte was zwaargewond, kreeg zware pijnstilling toegediend (waaronder fentanyl) en de bloedafname vond plaats via een infuus (een manier die makkelijker kan zonder toestemming).
Artikel 13 van het Besluit schrijft voor dat de verbalisant die bij de bloedafname aanwezig is, daarvan een proces-verbaal opmaakt. Artikel 153 lid 2 van het Wetboek van strafvordering (verder: Sv) bepaalt dat een dergelijk proces-verbaal door de verbalisant persoonlijk moet worden opgemaakt, gedagtekend en ondertekend.
In het dossier bevindt zich weliswaar een proces-verbaal waarin is gerelateerd dat de verdachte toestemming heeft gegeven voor het bloedonderzoek, maar dit proces-verbaal is niet opgemaakt door de verbalisant die de betreffende toestemming zou hebben gekregen, te weten verbalisant [verbalisant] . Deze verbalisant heeft het proces-verbaal – dat door een andere verbalisant is opgemaakt – wel ondertekend, maar het (enkel) ondertekenen van een proces-verbaal is iets anders dan het persoonlijk opmaken en dagtekenen daarvan, aldus de raadsvrouw.
Ten aanzien van feit 1
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde roekeloosheid, omdat het verkeersgedrag door de verdachte gelet op jurisprudentie niet als roekeloos kan worden gekwalificeerd.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de feiten 1 en 2
De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om de resultaten van het bloedonderzoek van het bewijs uit te sluiten. De door de raadsvrouw gestelde schendingen van artikel 163 WVW en artikel 13 van het Besluit ziet de rechtbank niet. In het proces-verbaal over de bloedafname en het verdere verloop van het bloedonderzoek relateert verbalisant [verbalisant] dat zij aan de verdachte toestemming heeft gevraagd voor het verrichten van een bloedonderzoek, dat de verdachte deze toestemming heeft gegeven en dat zij vervolgens aanwezig was bij de bloedafname. Dit proces-verbaal is vervolgens door verbalisant [verbalisant] gedateerd ondertekend, waarmee zij haar bijdragen aan de inhoud van dit proces-verbaal als verbalisant persoonlijk voor haar rekening heeft genomen. Daardoor voldoet dit proces-verbaal aan de eisen die artikel 153 lid 2 Sv aan een proces-verbaal stelt. Dat de naam van verbalisant [verbalisant] niet is vermeld in de aanhef en de afsluiting van het proces-verbaal, doet daar niet aan af.
Buiten het feit dat is voldaan aan de formele vereisten die worden gesteld aan een proces-verbaal, heeft de rechtbank ook geen reden om te twijfelen aan de inhoud van dat proces-verbaal over het geven van (ondubbelzinnige) toestemming door de verdachte.
Ten aanzien van feit 1
Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij artikel 6 van de Wegenverkeerswet (WVW) heeft overtreden, doordat hij schuld heeft gehad aan een verkeersongeval, waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Om deze schuld bewezen te kunnen verklaren, is het nodig dat kan worden vastgesteld dat dit verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat de verdachte zich als verkeersdeelnemer op zijn minst aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen. Hiervan is sprake, wanneer de verkeershandelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht.
Roekeloosheid
Bij de vaststelling van de mate waarin verdachte schuld aan het ongeval heeft, wordt in de rechtspraak onderscheid gemaakt tussen aanmerkelijk onvoorzichtig/onoplettend, zeer onvoorzichtig/onoplettend en roekeloos rijgedrag. Roekeloosheid is de zwaarste vorm van schuld.
Van roekeloosheid in de zin van de Wegenverkeerswet is sprake als door buitengewoon onvoorzichtig verkeersgedrag van de verdachte zeer ernstig gevaar is veroorzaakt, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was of had moeten zijn.
Artikel 175 WVW lid 2, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, bepaalt dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het verkeersgedrag van de verdachte ook als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.
Artikel 5a, eerste lid, van de WVW verbiedt verkeersdeelnemers om opzettelijk de verkeersregels zodanig te schenden, dat daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te verwachten is.
De vastgestelde gang van zaken
Op basis van de bewijsmiddelen, die in bijlage II zijn opgenomen, stelt de rechtbank het volgende vast.
In de avond/nacht van 22 november op 23 november 2024 heeft de verdachte samen met twee anderen verschillende cafés bezocht, waarbij de verdachte alcohol heeft gedronken. De verdachte trad hierbij op als chauffeur.
Omstreeks 5.35 uur rijdt de verdachte naar een tankstation en probeert daar een pakje sigaretten te kopen. Uit de camerabeelden van het tankstation en de verklaring van een medewerker daarvan blijkt dat de verdachte op dat moment zwaar onder invloed van alcohol is. Omstreeks 5.55 uur rijdt de verdachte uiteindelijk onverrichterzake weg bij het tankstation. De medewerker van het tankstation belt 112, om te melden dat de verdachte een gevaar op de weg is.
Omstreeks 6.10 uur neemt de verdachte met een snelheid van 117 km/u een flauwe bocht van de weg Parkhout in Nieuwegein, waar 50 km/u is toegestaan. De verdachte verliest de controle over zijn auto en de auto vliegt uit de bocht en komt tegen een boom tot stilstand. Hierdoor wordt zowel aan de verdachte als aan zijn passagier ernstig lichamelijk letsel toegebracht.
Uit onderzoek van het bloed van de verdachte blijkt vervolgens dat hij ten tijde van het ongeval acht keer zoveel alcohol, 3,8 keer zoveel cocaïne en 20% meer THC in zijn bloed had dan wettelijk is toegestaan.
De kwalificatie van het verkeersgedrag van verdachte
Niet ter discussie staat dat de verdachte met het hierboven beschreven verkeersgedrag ernstig is tekortgeschoten ten opzichte van het verkeersgedrag dat van een gemiddelde verkeersdeelnemer mag worden verwacht. Dat de verdachte schuld heeft gehad aan het ongeval staat dan ook vast. De vraag die aan de orde is, is welke schuldgradatie bewezen kan worden verklaard, met name of de kwalificatie roekeloosheid op zijn plaats is.
Zoals eerder vermeld is van roekeloosheid in ieder geval sprake, als het verkeersgedrag van de verdachte ook als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of het verkeersgedrag van de verdachte dat heeft geleid tot het ongeval, voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, WVW. Is dat het geval, dan bestaat de schuld daarmee uit roekeloosheid.
Voor de beantwoording van deze vraag moet worden beoordeeld of (a) de verdachte de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden, (b) of hij dat opzettelijk heeft gedaan, en (c) of daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te verwachten was.
a. Ernstige schending van de verkeersregels
Artikel 5a, eerste lid WVW benoemt een aantal verkeersgedragingen die gekwalificeerd kunnen worden als een ernstige schending van de verkeersregels. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan één van deze verkeersgedragingen, namelijk het in ernstige mate overschrijden van de maximumsnelheid.
In artikel 5a, tweede lid WVW is aangegeven dat bij de bepaling of van een ernstige schending van de verkeersregels sprake is, ook het alcoholgebruik en/of het gebruik van andere stoffen ten tijde van de in lid 1 genoemde verkeersgedragingen kan worden betrokken. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte ten tijde van het overschrijden van de maximumsnelheid meer dan acht keer zoveel alcohol, 20% meer THC en bijna vier keer zoveel cocaïne in zijn bloed had dan wettelijk is toegestaan.
Gelet op het bovenstaande heeft de verdachte zich, naar het oordeel van de rechtbank, schuldig gemaakt aan het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
b. Opzet
Voor een overtreding van artikel 5a, eerste lid WVW, moet het opzet van de verdachte gericht zijn op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
De rechtbank is van oordeel dat het rijden onder invloed en het overschrijden van de maximumsnelheid in de mate waarin de verdachte dat heeft gedaan, gedragingen zijn die – uitzonderingen daargelaten – niet anders dan opzettelijk kunnen worden verricht. Van uitzonderingen is in dit geval niet gebleken.
Bij het oordeel of de verdachte opzettelijk de verkeersregels in ernstige mate heeft overtreden, is verder de algehele instelling van de verdachte ten aanzien van zijn deelname aan het verkeer in dit concrete geval van belang. Ten aanzien hiervan merkt de rechtbank het volgende op.
Uit het dossier blijkt dat de verdachte ten tijde van het ongeval veel te hard reed en zwaar onder invloed was van alcohol. De verdachte was ook zwaar onder invloed van alcohol toen hij, ongeveer een half uur eerder, zijn auto parkeerde bij het tankstation en hier sigaretten probeerde te kopen. De medewerker van het tankstation, die verdachte van eerdere bezoeken kende, vermoedde op basis van het gedrag van verdachte dat hij onder invloed van alcohol was, zodanig dat de medewerker hierin aanleiding zag om 112 te bellen.
Verder zijn er aanwijzingen in het dossier dat de verdachte ook eerder die avond en nacht op meerdere momenten onverantwoord rijgedrag heeft vertoond. Uit de verklaringen van de verdachte en van passagier [slachtoffer] blijkt dat de verdachte tot ongeveer 1.30 uur ’s nachts, bij het uitgaan als chauffeur is opgetreden. Passagier [slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte daarbij meermaals de maximumsnelheid fors heeft overschreden, zelfs zodanig dat de auto bijna uit de bocht vloog. Ook de verdachte zelf heeft bij de politie verklaard dat hij tijdens deze eerdere rit te hard heeft gereden en op enig moment met zijn auto is weggegleden. Verder is het aannemelijk dat de verdachte bij dit chauffeuren al onder invloed was van alcohol, gelet op de verklaring van de verdachte bij de politie dat hij bij het uitgaan 5 à 6 biertjes had gedronken, gecombineerd met het feit dat hij een zeer hoog alcoholgehalte in zijn bloed had, dat ruim twee uur na het ongeval werd afgenomen. Ten slotte heeft de verdachte die avond en nacht een grote hoeveelheid cocaïne gebruikt, terwijl hij ook meer THC in zijn bloed had dan uit het oogpunt van verkeersveiligheid is toegestaan. Het is algemeen bekend dat dergelijk combinatiegebruik een sterk negatief effect heeft op het vermogen om op een veilige manier aan het verkeer deel te nemen.
De rechtbank leidt uit het bovenstaande af dat de grove snelheidsovertreding en het rijden onder invloed, die de directe oorzaak van het ongeval waren, niet op zichzelf stonden, maar die avond en nacht deel uitmaakten van een patroon van minachting van belangrijke verkeersregels door de verdachte. De rechtbank concludeert daarom dat de verdachte, door de bewezen verklaarde verkeershandelingen en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
c. Te verwachten gevaar
Voor een overtreding van artikel 5a, eerste lid WVW, moet door de opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels door de verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten zijn geweest. Om dit te kunnen vaststellen, moet dit gevaar ten tijde van de schending naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest.
De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Het rijden onder invloed van een dergelijke hoeveelheid alcohol, THC en cocaïne vertraagt immers de reactiesnelheid in aanzienlijke mate, terwijl bij een dergelijke overschrijding van de maximumsnelheid juist een hogere reactiesnelheid dan gebruikelijk benodigd is, om de auto onder controle te houden. Het was dan ook voorzienbaar dat de verdachte op enig moment de controle over zijn auto zou verliezen. Het op de openbare weg niet onder controle houden van een auto, bij een dergelijke snelheid en met een passagier in de auto, veroorzaakt een ernstig gevaar voor het leven van anderen. Dat gevaar heeft zich bovendien verwezenlijkt. Naast het feit dat de verdachte zelf ernstig letsel heeft opgelopen, heeft passagier [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten een gecompliceerde armbreuk, meerdere gebroken ribben en een klaplong.
Conclusie
Gelet op het voorgaande kan het verkeersgedrag van verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a, eerste lid WVW. Daarmee is de schuldgradatie van roekeloosheid gegeven.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:
feit 1:
op 23 november 2024 te Nieuwegein als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, merk Volkswagen Golf, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, Parkhout te Nieuwegein, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos te handelen, immers heeft hij, verdachte
- onder invloed van alcohol en andere stoffen, waarvan hij wist dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, gereden
- met een hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur gereden (te weten met een snelheid van rond de 117 km/u)
- onvoldoende zijn snelheid geminderd bij het naderen van een bocht, ten gevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig is gereden tegen een boom,
waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een
gecompliceerde armbreuk, 3 gebroken ribben en een klaplong werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede en vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 2:
op 23 november 2024 te Nieuwegein een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd, na gebruik van in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en
geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste
lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en tetrahydrocannabinol
(THC) en alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en alcohol:
38 microgram cocaïne per liter bloed en
1,2 microgram tetrahydrocannabinol per liter bloed en
1,64 milligram ethanol/alcohol per milliliter bloed bedroeg,
telkens een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
De rest van de tekst van de beschuldiging is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
4. De kwalificatie en de strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1 en feit 2:
eendaadse samenloop van:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat uit roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 eerste lid, tweede lid onderdeel b en vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994
en
overtreding van artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994
en
overtreding van artikel 8, tweede lid onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994
en
overtreding van artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van het feit en de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5. De op te leggen straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 30 maanden;
- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 5 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit om bij een bewezenverklaring met de volgende punten in strafmatigende zin rekening te houden.
De gevolgen van het verkeersongeval zijn ook voor de verdachte aanzienlijk geweest, op lichamelijk, geestelijk en financieel vlak. Sinds het ongeval, bijna anderhalf jaar geleden, is de verdachte niet meer in aanraking gekomen met justitie. Hij heeft zijn leven maatschappelijk gezien goed op orde, waardoor een strafrechtelijke sanctie verhoudingsgewijs hard in zijn leven zal ingrijpen.
Het lichamelijke letsel dat door het ongeval aan de bijrijder is toegebracht, is gedeeltelijk aan de bijrijder zelf te wijten. Hij heeft er immers voor gekozen in de auto te gaan zitten bij iemand van wie hij wist dat die niet in staat was om te rijden. Verder had de bijrijder zijn autogordel niet omgedaan, wat het toegebrachte letsel heeft verergerd.
De raadsvrouw heeft verzocht om de verdachte in elk geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Inleidende opmerkingen
Bij de oplegging van een straf of maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan roekeloos verkeersgedrag waarvan levensgevaar was te verwachten. Verdachte is zwaar onder invloed van alcohol en drugs in de auto gestapt en is met 117 km per uur een bocht in gereden waar een maximale snelheid van 50 km per uur gold. Als direct gevolg van dit roekeloze verkeersgedrag is hij in deze flauwe bocht de macht over het stuur verloren, uit de bocht gevlogen en met een snelheid van 75 km per uur tegen een boom aan gereden, waardoor zijn passagier en hijzelf ernstig, mogelijk blijvend, lichamelijk letsel hebben opgelopen. Zowel verdachte als zijn passagier heeft geluk gehad dat zij het ongeluk hebben overleefd. Ook mag verdachte van geluk spreken dat er geen andere verkeersdeelnemers bij dit ongeluk betrokken zijn geweest. Met zijn rijgedrag heeft de verdachte zijn passagier en de verkeersveiligheid op onacceptabele wijze in gevaar gebracht.
De persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij zich eerder schuldig heeft gemaakt aan strafbaar verkeersgedrag, namelijk het rijden onder invloed en een snelheidsovertreding, beide kort voor het bewezenverklaarde.
De reclassering heeft op 30 december 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Hierin constateert de reclassering enkele risicofactoren voor recidive, te weten de eerdere veroordelingen voor strafbaar verkeersgedrag, het mogelijke middelengebruik door de verdachte en - met name - zijn houding ten opzichte van het tenlastegelegde. De verdachte neemt daar weinig verantwoordelijkheid voor en bagatelliseert zijn aandeel en zijn eerdere veroordelingen. De verdachte accepteert geen confrontatie met zijn gedrag en de gevolgen daarvan, wat hulp bij gedragsverandering volgens de reclassering niet mogelijk maakt. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij helemaal geen alcohol meer drinkt. Hij heeft een goede baan in de ICT waarmee hij veel verdient. Hij heeft als gevolg van het verkeersongeval een schuld van € 62.000,- bij de leasemaatschappij van de VW Golf. Die schuld betaalt hij met € 1.000,- per maand af.
De verdachte heeft zijn rijbewijs nog niet terug, hij volgt nu een verplichte cursus bij het CBR. Voor zijn werk heeft hij eigenlijk zijn rijbewijs wel nodig. Hij gaat nu steeds met het openbaar vervoer naar zijn klanten. Dat gaat ook wel, maar is minder comfortabel dan met zijn eigen auto.
De op te leggen straf
Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor vergelijkbare feiten ongeveer dezelfde straf wordt opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging ontwikkeld (de LOVS-oriëntatiepunten). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval door roekeloos rijgedrag bestaat echter geen oriëntatiepunt, omdat roekeloosheid in het verkeer zich in veel verschillende vormen en gradaties kan voordoen, waardoor het moeilijk is daarvoor algemene uitgangspunten te formuleren.
Voor “zeer hoge mate van schuld” aan een verkeersongeval, de schuldgraad grenzend aan (de onderkant van) roekeloosheid, bestaat wel een LOVS-oriëntatiepunt. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar de mate van alcoholgebruik en het door het ongeval toegebrachte letsel. Dit oriëntatiepunt indiceert bij alcoholgebruik vanaf 1,3 mg/l (waar verdachte boven zat) en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen van vier jaar.
Hoewel het bij de schuldgraad roekeloosheid in de rede ligt om een hogere straf tot uitgangspunt te nemen dan die in de oriëntatiepunten is vermeld voor “zeer hoge mate van schuld”, zal de rechtbank dit in de onderhavige zaak niet doen. Een belangrijke factor bij de kwalificatie tot roekeloosheid was immers het alcoholgebruik van de verdachte. Dit alcoholgebruik wordt al in strafverzwarende zin meegewogen bij het eerder genoemde LOVS-oriëntatiepunt voor “zeer hoge mate van schuld”. De rechtbank zal daarom dit oriëntatiepunt als uitgangspunt nemen, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen van vier jaar.
De rechtbank ziet als strafmatigend dat het verkeersongeval ook voor de verdachte ingrijpende negatieve gevolgen heeft gehad. Hij heeft ernstig lichamelijk letsel opgelopen en is met een aanzienlijke financiële schadepost geconfronteerd. Daarnaast gaat de rechtbank uit van enige eigen schuld van het slachtoffer aan de ernst van het hem toegebrachte letsel, omdat hij zijn verplichte autogordel niet had omgedaan.
De rechtbank ziet de eerdere veroordelingen van de verdachte voor strafbaar verkeersgedrag als strafverzwarend. Het baart de rechtbank vanuit het oogpunt van recidive verder ernstig zorgen dat de verdachte ook ter zitting op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn roekeloze verkeersgedrag. Verdachte legt de oorzaak van het ongeval volledig buiten zichzelf en ziet zichzelf vooral ook als slachtoffer. Dit neemt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee. Daarnaast ziet de rechtbank daarin reden om aan de verdachte een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, als stevige waarschuwing voor de toekomst teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen en om te bevorderen dat verdachte blijft nadenken over zijn verantwoordelijkheid om op een veilige en verantwoorde wijze aan het verkeer deel te nemen. De rechtbank verbindt daaraan een proeftijd van 3 jaar.
De rechtbank zal, alles overwegende, aan de verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden opleggen, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar, met daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaar.
6. Toegepaste wetsartikelen
De beslissing berust op de artikelen:
- 6, 8, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;
- 14 a, 14b, 14c en 55 van het Wetboek van Strafrecht,
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
7. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten waarvan hij is beschuldigd heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.3.3 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid van de feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid van verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Dit vonnis is gewezen door mr. L.L. Veendrick, voorzitter, mr. J.F. Haeck en
mr. M. Pieplenbosch, rechters, in tegenwoordigheid van A. van der Zwan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 april 2026.
Bijlage I: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 23 november 2024 te Nieuwegein als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, merk Volkswagen Golf, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, Parkhout te Nieuwegein, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te handelen, immers heeft hij, verdachte
- onder invloed van alcohol en/of van een andere stof, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, gereden
- met een hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur gereden (te weten met een snelheid van rond de 117 km/u)
- onvoldoende zijn snelheid geminderd bij het naderen van een bocht, ten gevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig in botsing is gekomen met/is gereden tegen een boom,
waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een gecompliceerde armbreuk, en/of 3 gebroken ribben en/of een klaplong of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
2
hij op of omstreeks 23 november 2024 te Nieuwegein een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en/of tetrahydrocannabinol (THC) en/of alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed (of adem) bij iedere aangewezen stof en/of alcohol
38 microgram cocaïne per liter bloed
en/of 1,2 microgram tetrahydrocannabinol per liter bloed
en/of 1,64 milligram ethanol/alcohol per milliliter bloed bedroeg,
in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde
Bijlage II: De bewijsmiddelen
De politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd:
Op zaterdag 23 november 2024, omstreeks 6:10 uur, kregen wij een melding om te gaan naar Parkhout (te Nieuwegein). Aldaar zou een voertuig een ongeval hebben gehad.Omstreeks 6:16 uur kwamen wij ter plaatse. Ik zag dat het voertuig met de voorzijde tegen de boom stond. Ik zag dat het voertuig het volgende kenteken had: [kenteken] .Ter plaatse zagen wij twee personen in het voertuig zitten.
Later bleek de bestuurder te zijn:[verdachte] , geboren op [1976] te [geboorteplaats] .Later bleek de bijrijder te zijn:[slachtoffer] , geboren op [1983] te [geboorteplaats] .
Later begreep ik dat voor deze melding, een melding was geweest van een man welke onder invloed van alcohol achter het stuur gestapt zou zijn. Ik hoorde dat daarbij het kenteken [kenteken] werd genoemd.
Waarneming alcohol.
In voertuig lagen alcoholhoudende dranken.
Toestemming bloedonderzoek
Ik, [verbalisant] , heb de verdachte gevraagd toestemming te verlenen tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994.
De verdachte verleende daartoe toestemming.
Op zaterdag 23 november 2024 om 8.38 uur, heeft de verpleegkundige in aanwezigheid van mij, [verbalisant] , de verdachte [verdachte] bloed afgenomen conform het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.
Ik heb de buisjes bloed in de voorgeschreven verpakking, gewaarmerkt, direct verpakt en verzegeld, overeenkomstig het bepaalde in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.
Tevens heb ik het opdrachtformulier Toxicologisch onderzoek voorzien van een
genummerde en op naam gestelde SIN-sticker “Analyse” met het nummer TACZ0074NL.
De verzegelde verpakking is overeenkomstig het bepaalde in het Besluit alcohol, drugs
en geneesmiddelen in het verkeer verzonden naar Eurofins Forensics te Brugge (België).
In een rapport Alcohol en drugs in het verkeer van Eurofins Forensics staat het volgende:
Te onderzoeken materiaal: SIN TACZ0074NL.
Omschrijving: bloed van [verdachte] .
De resultaten van het onderzoek in het bloed van [verdachte] :
aangewezen stof: alcohol
grenswaarde indien in combinatie gebruikt: 0,2
eindresultaat in bloed: 1,64
rapportage-eenheid: milligram per milliliter
aangewezen stof: cannabis
grenswaarde indien in combinatie gebruikt: 1
eindresultaat in bloed: 1,2
rapportage-eenheid: microgram per liter
aangewezen stof: cocaïne
grenswaarde indien in combinatie gebruikt: 10
eindresultaat in bloed: 38
rapportage-eenheid: microgram per liter.
De politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd:
Wij stelden op 23 november 2024, omstreeks 7:30 uur, een onderzoek in naar de toedracht van het verkeersongeval.
Betrokken voertuig: personenauto
Fabrieksmerk: VolkswagenType: GolfKenteken: [kenteken] .
Uit de pre-crash data verkregen uit de airbagmodule, bleek dat de bestuurder van de Volkswagen harder had gereden dan ter plaatse was toegestaan. Uit het onderzoek/voertuigdata bleek dat de snelheid van de Volkswagen tussen 5 seconden en 2,5 seconden voor de botsing had gelegen tussen 90 en 115 km/u. Op 2 seconden voor de botsing werd een snelheid van 117 km/u opgeslagen.De toegestane maximumsnelheid was 50 km/u.
In een bocht naar rechts is de Volkswagen in de linker berm terechtgekomen en vervolgens met de linker voorzijde tegen een boom aangereden.
Het is aannemelijk dat een combinatie van snelheid en het rijden onder invloed de oorzaak zijn van deze aanrijding.
Wij verbalisanten bereden de Parkhout met onze dienstwagens en hebben gereden met 50 km/u en ter plaatse geremd, wij hebben geen vorm van gladheid bemerkt.Voor zover onderzocht is gebleken dat de oorzaak van het verkeersongeval niet is gelegen in de weergesteldheid, de infrastructuur, een technisch gebrek aan het voertuig noch een combinatie van vorenstaande.
Getuige [getuige] heeft het volgende verklaard:
Op zaterdag 23 november 2024 was ik werkzaam tijdens de nachtdienst bij de [tankstation] , gelegen langs de rijksweg A2 te Nieuwegein.
Rond 5.45 uur kwam er een man de winkel binnengelopen die ik herken omdat hij regelmatig hier sigaretten komt kopen.
Ik zag dat de man naar de kassa al zwalkend kwam aanlopen. Ik zag dat hij zwalkend liep en tegen het meubilair stootte. De man begon direct te schelden omdat ik niet snel genoeg hem kwam helpen. Ik zag dat de man zijn spullen op de balie legde wat er direct van af viel. Ik ken de man normaal als een rustige vriendelijke man. Door zijn gedrag had ik het vermoeden dat hij dronken was.De man wilde een pakje sigaretten kopen. Bij het afrekenen ging dit niet goed omdat zijn pinpas weigerde. Hierop is de man boos naar zijn voertuig gelopen. De man botste onderweg tegen een kast aan en heeft tegen een koeling geslagen. Ik zag dat de man vervolgens was ingestapt aan de bestuurderszijde van een auto. Ik zag dat dit een donkerkleurige Volkswagen Golf betrof, voorzien van het kenteken [kenteken] .Ik zag vervolgens dat de man, welke aan de bestuurderszijde was ingestapt, weer uitstapte en richting de winkel liep. Ik zag dat de man binnenkwam lopen en naar de kassa kwam. De man wilde het pakje sigaretten alsnog afrekenen, hierop voerde hij een foutieve pincode in waarop zijn pas werd geblokkeerd. De man werd hierop boos en begon te vloeken.
Ik zag dat de man zwalkend achteruit liep en struikelde over de barkrukken. Ik zag dat de man zijn middelvinger opstak en al vloekend en tierend de winkel uitliep.Ik zag vervolgens dat de man naar zijn auto liep en aan de bestuurderskant instapte.Ik zag dat de man zijn middelvingers opstak en tegen zijn autoruit drukte. Ik zag dat hij weg reed van de benzinepomp en zijn middelvinger in mijn richting opstak.
Hierop volgend heb ik 112 gebeld omdat ik het vermoeden had dat de bestuurder dronken was.
De politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd:
Ten behoeve van het onderzoek bekeek ik de beelden van het [tankstation] welke gevestigd is op de Rijksweg A2.
In het midden van het beeld staat een Volkswagen.
Om 05:35:19 uur is te zien dat het portier aan de bestuurderszijde geopend wordt.
Om 05:36:14 uur is te zien dat er een persoon uitstapt.
Om 05:36:16 uur is te zien dat de genoemde persoon de portier deur sluit, op de bewegende beelden is te zien dat deze persoon onvast ter been is.
Om 05:36:37 uur is te zien dat de genoemde persoon de Tankshop binnen gaat.
Om 05:38:00 uur is te zien dat de genoemde persoon de Tankshop uitloopt. De man is onvast ter been.
Om 05:38:17 uur is te zien dat de genoemde persoon in de stilstaande Volkswagen stapt. De man sluit vervolgens het portier.
Om 05:51:06 uur is te zien dat de bestuurder weer uitstapt.
Om 05:51:23 uur is te zien dat de bestuurder wederom de Tankshop binnenloopt.
Om 05:52:48 uur is te zien dat de bestuurder de Tankshop uitkomt, ik zie dat hij onvast ter been is.
Om 05:55:11 uur is te zien dat de bestuurder in de Volkswagen stapt als bestuurder van dit voertuig.
Om 05:55:30 uur is te zien dat de Volkswagen weg rijdt.
Getuige [slachtoffer] heeft het volgende verklaard:
V: U bent op zaterdag 23 november 2024 betrokken geweest bij een verkeersongeval op de Parkhout in Nieuwegein. Kunt u vertellen wat er gebeurd is?A: Ik was vrijdag 22 november in mijn stamkroeg in Utrecht, [café] . Ik denk dat zaterdagochtend rond een uurtje of 1:00 twee vrienden binnen kwamen. Dit waren [A] en [verdachte] . Ik ben vervolgens met hun naar Vianen gereden, ik zat rechts voorin, [A] zat achterin. [verdachte] reed. We reden in een snelle Volkswagen Golf.We reden bij Utrecht de snelweg, ik zag op de kilometerteller van de auto dat we 200 kilometer per uur reden, [A] en ik zeiden dat [verdachte] rustig moest rijden.Toen we bij Vianen de snelweg afreden zaten de verkeerslichten mee, onderin moesten we naar links. [verdachte] stuurde de bocht in en gaf zoveel gas dat we er bijna uitvlogen.We zijn naar [verdachte] zijn huis gereden. Ik zou bij [verdachte] op de bank slapen en de volgende dag naar huis gaan.[verdachte] wilde perse sigaretten hebben, we zijn naar het tankstation op de A2 gereden.[verdachte] bleek geen geld meer te hebben en kreeg geen sigaretten mee. We zijn vervolgens naar Nieuwegein gereden, bij het Fletcher hotel zijn we rechtsaf geslagen. We waren op weg naar [A] . Op een gegeven moment kwamen we op een weg met allemaal drempels. Tussen de drempels gaf [verdachte] elke keer veel gas. [verdachte] heeft heel de rit te hard gereden.
De verdachte heeft het volgende verklaard:
V: Heeft u 24 uur voorafgaande aan het verkeersongeval alcoholhoudende drank gedronken?A: Ik denk 5 of 6 biertjes. [A] was in de middag naar me toe gekomen met een 6-pack.
V: Uit dit onderzoek is gebleken dat u: ethanol 1,64 milligram per milliliter, waar 0,2 is toegestaan. THC 1,2 waar 1,0 is toegestaan, cocaïne 38 waar 10 is toegestaan.Wat kunt u hierover verklaren?A: De cannabis en de alcohol kan ik verklaren.
Ik was die avond met [A] wezen poolen. Ik ging samen met hem nog even een afzakkertje doen bij [café] . Ik ben even aan de bar gaan zitten, ik heb één biertje gedronken.
[A] en [slachtoffer] zijn een andere kroeg binnengelopen. Ze gingen nog een afzakkertje doen. Ik wilde niet onbeleefd zijn ik ben dus gebleven.
Ik ben na het afrekenen naar buiten gegaan, ik heb mijn auto opgehaald op de Singel.
Ik zag dat [A] op de bijrijdersstoel ging zitten, ik hoorde achter ook een portier opengaan
en ik zag dat [slachtoffer] ook instapte.
We zijn terug gereden naar Vianen. Onderaan de afrit bij Vianen wilde ik de bocht nemen, ik reed te hard en ik glee een beetje weg.
We zijn gestopt op een grote parkeerplaats en [A] stapte in zijn eigen auto en reed weg.
Ik ben ook uitgestapt en naar huis gelopen. Toen ik thuis was stond [slachtoffer] ineens achter me, hij moest naar het toilet. Dit was rond 1:00 of 1:30 uur.
Vanaf daar weet ik het allemaal niet meer goed. [slachtoffer] liep rond in mijn huis en ik wilde rusten.
Uiteindelijk dacht ik in de ochtend dat ik hem toch maar weg ging brengen. Toen is het ongeluk gebeurd.
Getuige [slachtoffer] heeft het volgende verklaard:
V: U bent op zaterdag 23 november 2024 betrokken geweest bij een verkeersongeval op de Parkhout in Nieuwegein, hoe gaat het met u?A: Ik heb 3 tot 3,5 weken in het ziekenhuis gelegen. Ik heb 2 operaties ondergaan.V: Wat is de aard van uw letsel?A: Ik heb mijn rechterarm op 2 plaatsen gebroken, daar zitten nu platen en schroeven in, ik heb 3 gebroken ribben en een klaplong. Over heel mijn lichaam kneuzingen.V: Wat is het uitzicht op en de duur van uw herstel?A: De revalidatie gaat 4 tot 7 maanden duren. V: Is er sprake van blijvend letsel en/of blijvende beperkingen?A: Dat weten ze nu nog niet. Ik heb 2 keer per week revalidatie therapie.
De politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd:
Op zaterdag 15 maart 2025 had ik telefonisch contact met [slachtoffer] . Ik vroeg hem naar de stand van zaken omtrent het letsel welke hij had opgelopen bij het verkeersongeval op zaterdag 23 november 2024 op de Parkhout te Nieuwegein. Ik hoorde dat hij het volgende verklaarde:
De plaat welke in mijn arm is aangebracht na het ongeval is gaan irriteren, dit heeft er toe geleid dat ik een ontsteking in mijn rechterarm heb gekregen. De medicijnen welke ik daarvoor heb gekregen hielpen niet. Vervolgens is er een abces ontstaan. Doordat de medicijnen niet aansloegen ben ik naar de spoedeisende hulp van het ziekenhuis gegaan. Ik heb toen 11 dagen in het ziekenhuis gelegen, ze hebben het abces operatief verwijderd.
Op 24 maart 2025 gaan ze de plaat verwijderen. Ik heb elke maandag en woensdag fysiotherapie. De verwachting is dat ik dit de komende 8 maanden nog moet doen. Of
mijn arm geheel zal herstellen is nog onzeker.