ECLI:NL:RBMNE:2026:1435

ECLI:NL:RBMNE:2026:1435

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 23-02-2026
Datum publicatie 09-04-2026
Zaaknummer C/16/603981
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Intieme terreur. (Nog) geen strafrechtelijke veroordeling maar wel vaststelling fors huiselijk geweld door civiele rechter: uitleg verschil bewezenverklaring strafrecht vs feitenvaststelling civiel recht. Verdrag van Istanbul. Schorsing gezag vanwege contactverbod en risico dat kinderen locatie zouden prijsgeven.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Lelystad

zaaknummer: C/16/603981 / FL RK 25-1254

Gezag en omgang

Beschikking van 23 februari 2026

in de zaak van:

[moeder] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. R.G. Jagesar,

tegen

[vader] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J. Nederlof.

1. De procedure

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

het verzoekschrift van de moeder (met bijlagen 1 tot en met 9), binnengekomen op 8 december 2025;

het verweerschrift van de vader (met bijlagen 1 tot en met 4) met daarin een aantal zelfstandige verzoeken, binnengekomen op 21 januari 2026;

het F9-formulier met aanvullende bijlagen (genummerd 1 tot en met 4) van de moeder, binnengekomen op 22 januari 2026;

het F9-formulier met aanvullende bijlage 5 van de moeder, binnengekomen op 26 januari 2026.

De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 26 januari 2026. Daarbij waren aanwezig: de moeder (via een Teams-verbinding, met haar camera uit op advies van Veilig Thuis) en haar advocaat, de vader en zijn advocaat, en [A] en [B] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

De rechtbank heeft aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de zoons van de ouders, niet gevraagd wat zij van de verzoeken vinden. Dat komt omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zes jaar en vijf jaar zijn, en de rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2. Waar de procedure over gaat

De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn nu uit elkaar.

Zij hebben samen twee kinderen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] .

De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hen moeten nemen.

De moeder wil voortaan alleen het gezag over de kinderen uitoefenen. Ook wil zij, samengevat, dat de rechtbank bepaald dat er geen contact tussen de vader en de kinderen is.

De vader is het hier niet mee eens. Hij vraagt, samengevat, de rechtbank om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem zal zijn, en om een zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen om de week een weekend bij de moeder zijn. Als de rechtbank de hoofdverblijfplaats niet bij de vader zou bepalen, wil hij dat de kinderen om de week een weekend bij hem zijn. Voor het geval de rechtbank het eenhoofdig gezag aan de moeder zou toewijzen, vraagt de vader de rechtbank om de moeder te verplichten hem minimaal één keer per maand te informeren over de kinderen. De vader vraagt daarnaast voorlopige voorzieningen: hij wil dat de rechtbank een voorlopige zorgregeling vaststelt, die geldt tijdens de looptijd van deze procedure.

3. De beoordeling

Kern van de beslissing van de rechtbank

De rechtbank zal de Raad opdracht geven om een onderzoek te doen naar welke beslissing in het belang van de kinderen is. Daarom neemt de rechtbank nog geen definitieve beslissing over het gezag. Wel zal de rechtbank bepalen dat de moeder tijdelijk alleen het gezag over de kinderen uitoefent en dat het gezag van de vader tijdelijk is geschorst. De rechtbank neemt ook nog geen definitieve beslissing over de zorgregeling, omdat de Raad daar onderzoek naar moet doen. Een voorlopige zorgregeling of een voorlopige informatieregeling komt er in de tussentijd niet. Het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen, zal de rechtbank afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij deze beslissingen neemt.

Vooropgesteld: de situatie tussen de ouders

De verzoeken in deze zaak, en de beslissingen daarover, houden allemaal verband met wat er zich tussen de ouders heeft afgespeeld. De rechtbank gaat daarom eerst daarop in. De moeder heeft, kort gezegd, verteld dat de vader haar tijdens een lange periode ernstig fysiek heeft mishandeld. Zij heeft verteld dat sprake is van intieme terreur. De vader heeft haar onder andere geslagen, ook met een wapenstok, geschopt en verwurgd. De vader heeft dit eerder stellig ontkend, en ontkent dit nog steeds.

De moeder heeft aangifte gedaan. De vader is gearresteerd en heeft in voorlopige hechtenis gezeten. Op 7 januari 2026 is de voorlopige hechtenis geschorst. Daarbij zijn schorsingsvoorwaarden bepaald waaraan de vader zich moet houden. Zo moet hij zich laten behandelen in een polikliniek voor forensische psychiatrie en mag hij geen contact met de moeder hebben, behalve via hulpverleners of advocaten als het over de kinderen gaat.

Van een strafrechtelijke veroordeling van de vader is dus op dit moment geen sprake. Dat betekent niet dat de rechtbank in deze civiele zaak ook nog geen feiten kan vaststellen; dat kan de rechtbank wel. Dat komt omdat de civielrechtelijke manier waarop feiten worden vastgesteld, anders is dan de manier waarop de strafrechter tot een bewezenverklaring komt. Voor een strafrechtelijke veroordeling is nodig dat de rechter de overtuiging heeft dat de verdachte heeft gedaan wat hem wordt verweten: dat moet ‘buiten redelijke twijfel’ zijn. Er moet, met andere woorden, een zeer grote mate van waarschijnlijkheid zijn. Voor de civiele rechter is dat anders: de civiele rechter moet feiten als vaststaand beschouwen als ze niet, of niet voldoende gemotiveerd, betwist zijn. De rechter heeft daarbij een grote mate van vrijheid bij het waarderen van de onderbouwing door partijen. Feiten moeten ‘voldoende aannemelijk’ zijn. Met andere woorden: waarschijnlijker wel, dan niet.

Hoewel de rechtbank niet precies kan vaststellen wat er precies tussen partijen is gebeurd, vindt de rechtbank het in deze civielrechtelijke procedure voldoende aannemelijk dat er in ieder geval fors huiselijk geweld (waarschijnlijk met een wapenstok) heeft plaatsgevonden om de volgende redenen:

De moeder heeft bij de politie gedetailleerd verklaard over wat er is gebeurd, onder meer over het slaan met een wapenstok;

De vader heeft bij de politie erkent dat hij een wapenstok in huis heeft;

De moeder heeft verschillende foto’s laten zien, waarop zij ernstig letsel heeft;

De vader heeft bij de politie verteld dat de moeder zichzelf letsel heeft toegebracht en een aantal keer is gevallen, waarbij de verbalisant heeft opgemerkt dat het letsel op de foto’s past bij verwondingen toegebracht met een wapenstok;

De kinderen hebben tegen de hulpverlening gezegd ‘mama had een blauw oog’ en ‘dat had de knuppel van papa gedaan. Papa zei ‘dat mogen we niet zeggen’ en ‘de knuppel van papa sloeg tegen mama aan op vakantie’.

De rechtbank stelt bovendien vast dat de situatie door alle betrokken instanties zeer serieus wordt genomen:

De vader heeft enkele maanden in voorlopige hechtenis gezeten;

De moeder en de kinderen wonen sinds enkele maanden op een geheime locatie. Daarbij wordt geheimhouding zo belangrijk gevonden, dat zelfs haar advocaat niet weet waar de moeder is;

Sinds de voorlopige hechtenis van de vader is geschorst, staat de moeder bij de politie ‘onder code rood’. Dat betekent onder andere dat zij en de kinderen niet naar buiten mogen en de gordijnen op hun geheime locatie dicht moeten houden;

De politie heeft contact met de school van de kinderen opgenomen en de school gevraagd om elk contact met de vader direct door te geven;

De school heeft op 12 januari 2026 aan de politie doorgegeven dat de vader contact met de school had opgenomen om te vragen of de kinderen nog ingeschreven stonden;

In het ‘afwegingsformat’ van de hulpverlening staat dat vader moeder blijft bedreigen met de dood, ook bij de politie;

In het ‘afwegingsformat’ staat dat de hulpverlening de volgende risico’s ziet: intieme terreur, acuut gevaar, risico op dodelijke afloop, risico kinderontvoering, directe kindermishandeling. Dit ziet de hulpverlening als reden om nu geen vader-kind-contact vorm te geven;

Veilig Thuis heeft geadviseerd om de moeder tijdens de zitting niet op beeld zichtbaar te laten zien, omdat dit voor de vader ‘een trigger’ zou kunnen zijn;

Het voorgaande vormt voor de rechtbank het uitgangspunt voor het nemen van haar beslissingen. Daarbij betrekt de rechtbank nadrukkelijk het Verdrag van Istanbul. Dit is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden. In dit verdrag is onder andere vastgelegd dat er maatregelen moeten worden genomen bij het vaststellen van contactregelingen om te zorgen dat dit niet ten koste gaat van de rechten en veiligheid van slachtoffers van huiselijk geweld of de kinderen.

Gezag: nog geen definitieve beslissing, wel schorsing

Het uitgangspunt is dat ouders samen het gezag over hun kinderen uitoefenen, ook als zij geen relatie meer hebben. De rechtbank kan in uitzonderingsgevallen beslissen dat een van de ouders het gezag voortaan alleen uitoefent. Daarvoor moeten, kort gezegd, de omstandigheden zijn gewijzigd sinds het moment dat ze samen het gezag kregen. Als dat zo is, moet bovendien sprake zijn van een situatie waarbij een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet snel lijkt te gaan verbeteren, of waarbij het om andere redenen in het belang van het kind nodig is het gezag te veranderen.

De omstandigheden zijn, sinds de vader het gezag kreeg, gewijzigd: partijen zijn namelijk uit elkaar gegaan. Of er ook sprake is van een uitzonderingsgeval waarbij het gezag van de vader kan worden beëindigd, kan de rechtbank op dit moment nog niet vaststellen. Daarom zal de rechtbank de Raad vragen om onderzoek te doen naar de vraag welke beslissing over het gezag in het belang van de kinderen is. De Raad kan daarbij ook de uitkomst van de strafzaak meewegen, mocht die al bekend zijn.

In de tussentijd is het naar het oordeel van de rechtbank wel noodzakelijk voor de kinderen dat de moeder tijdelijk alleen gezagsbeslissingen kan nemen. De vader verkeert namelijk tijdelijk in de onmogelijkheid het gezag uit te oefenen, en dat is op grond van de wet een reden om te bepalen dat zijn gezag is geschorst en de moeder tijdelijk het gezag alleen uitoefent. Die onmogelijkheid komt omdat de vader op grond van de schorsingsvoorwaarden geen contact met de moeder mag hebben. Dat maakt het voeren van overleg over gezagsbeslissingen erg moeilijk. Eventueel zou dit op grond van de schorsingsvoorwaarden nog via advocaten of hulpverleners kunnen, maar in de praktijk is ook dit onmogelijk. De vader mag namelijk niet weten waar de moeder en de kinderen zich bevinden; dit wordt door onder andere de politie als een te groot risico gezien. Dat betekent dat de moeder aan de vader geen toestemming kan vragen voor bijvoorbeeld de inschrijving van de kinderen op een nieuwe school, of bij de huisarts. De vader zou dan immers weten waar de kinderen naar school gaan of wonen.

De schorsing van het gezag van de vader geldt tot de rechtbank hierover een andere beslissing neemt.

Zorgregeling: Raadsonderzoek, geen voorlopige zorgregeling

De rechtbank neemt ook nog geen beslissing over de zorgregeling. Op grond van de wet moet de rechtbank bij het nemen van een beslissing over de zorgregeling namelijk bezien wat in het belang van de kinderen wenselijk is. Daarbij is het uitgangspunt dat kinderen een recht hebben op contact met hun ouders, en andersom. Alleen in uitzonderingsgevallen kan de rechtbank bepalen dat dat contact er niet mag zijn. De rechtbank kan nu nog niet vaststellen of sprake is van zo’n uitzondering en wat in het belang van de kinderen is. Daarom zal de rechtbank de Raad vragen om te onderzoeken welke beslissing over de zorgregeling in het belang van de kinderen is.

De vader heeft de rechtbank gevraagd om voor de tussentijd een voorlopige zorgregeling te bepalen, maar dat verzoek wijst de rechtbank af. Vanwege de ernst van de verdenkingen tegen de vader en de risicoschatting door de hulpverlening en de politie vindt de rechtbank het nu niet in het belang van de kinderen om een voorlopige zorgregeling te bepalen, zelfs niet zonder contact met de moeder en onder begeleiding. Vanwege de jonge leeftijd van de kinderen zou dit onder andere het risico meebrengen dat zij vertellen waar zij wonen en naar school gaan. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat dit belastend voor de moeder zou zijn, en haar belang verdient op grond van het Verdrag van Istanbul ook bescherming.

Hoofdverblijfplaats: geen hoofdverblijfplaats bij vader

Het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen, wijst de rechtbank af. De rechtbank vindt dit niet in het belang van de kinderen. Dit verzoek, waarbij primair ook een weekendregeling voor de moeder is verzocht, wijst op een zorgelijk gebrek aan inzicht in de ernst van de situatie. Daarom vindt de rechtbank het nodig om het verzoek nu al af te wijzen, en de Raad niet te vragen ook de vraag naar de hoofdverblijfplaats te onderzoeken.

Nog geen beslissing over de informatieregeling

Het verzoek van de vader om een informatieregeling vast te stellen is voorwaardelijk gedaan, namelijk voor het geval de moeder alleen het gezag krijgt. Omdat de rechtbank nog geen definitieve beslissing over het gezag neemt, zal de rechtbank ook over de informatieregeling nog geen beslissing nemen. De rechtbank ziet geen reden om ene voorlopige informatieregeling te bepalen. De komt omdat de vader, zoals hiervoor is beschreven, niet mag weten waar de moeder en de kinderen zijn. Het is daarom niet goed mogelijk om hem te informeren.

Raadsonderzoek

Zoals hiervoor beschreven, vraagt de rechtbank de Raad om te onderzoeken:

Welke beslissing over het gezag in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is;

Welke beslissing over de zorgregeling in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is.

Uiterlijk binnen 6 maanden vanaf de datum van deze beschikking wil de rechtbank graag het advies van de Raad ontvangen. Na ontvangst van het Raadsrapport zal de rechtbank de advocaten van partijen in de gelegenheid stellen om schriftelijk te reageren op de inhoud van dat rapport.

De uitvoerbaarheid bij voorraad

De rechtbank zal de beslissing voor zover de wet dat toelaat uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.

Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4. De beslissing

De rechtbank:

schorst het gezag van de vader en bepaalt dat het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanaf de datum van deze beschikking alleen toekomt aan de moeder, tot de rechtbank daarover een andere beslissing neemt;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de (verdere) beslissingen over het gezag, de zorgregeling en de informatieregeling aan voor de duur van zes maanden, in afwachting van de uitkomst van het Raadsonderzoek;

verzoekt de Raad om te onderzoeken:- Welke beslissing over het gezag in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is;

- Welke beslissing over de zorgregeling in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is.

wijst het verzoek van de vader om voorlopige voorzieningen te treffen af;

wijst het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen af.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, (kinder)rechter, in samenwerking met F. Arbeider, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

23 februari 2026.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?