ECLI:NL:RBMNE:2026:144

ECLI:NL:RBMNE:2026:144, Rechtbank Midden-Nederland, 07-01-2026, 11757895

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 07-01-2026
Datum publicatie 23-01-2026
Zaaknummer 11757895
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almere

Samenvatting

Dexia; aandelenlease; tussenpersoon

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

zaaknummer: 11757895 MC EXPL 25-3515 D/954

Vonnis van 7 januari 2026

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij in conventie in de hoofdzaak,

verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en het incident,

gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),

tegen:

de besloten vennootschap

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verder ook te noemen Dexia,

gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,

eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,

gemachtigde: USG Legal Professionals.

1. Kern van de zaak

[eiser] heeft via tussenpersonen een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst(en) hield(en) het volgende in. [eiser] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [eiser] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moest [eiser] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [eiser] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [eiser] geleden schade helemaal moet vergoeden.

Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [eiser] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 11 juni 2025,

de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek;

de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;

de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;

de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.

De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren

Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3. 3. De feiten

[eiser] heeft de volgende leaseovereenkomsten (verder: de overeenkomsten) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:

Nr.

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

I.

[nummer 1]

18-12-1998

Triple Effect

II.

[nummer 2]

18-12-1998

Capital Effect

III.

[nummer 3]

01-11-2000

Capital Effect

Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

Betaald

I.

17-12-2001

€ 385,95

Ja, door Dexia

II.

19-01-2004

- € 3.482,53

€ 38,68 middels verrekening

III.

19-01-2004

- € 4.598,13

Nee

Volgens opgave van Dexia heeft [eiser] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 11.014,20 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eiser] € 1.623,45 aan dividenden ontvangen en € 2.634,71 aan fiscaal voordeel genoten. Op 24 februari 2025 heeft Dexia een bedrag van € 3.113,46, inclusief reeds verschenen rente aan [eiser] uitgekeerd, volgens Dexia een onverplichte uitbetaling.

De gemachtigde van [eiser] , Leaseproces, heeft bij brief van 19 juli 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.

4. De vorderingen en het verweer in de hoofdzaak en het verzoek in het incident

[eiser] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- in de hoofdzaak:

 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,

 voor recht zal verklaren dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,

 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser] van al datgene dat [eiser] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst(en), vermeerderd met de wettelijke rente daarover,

 voor recht zal verklaren dat [eiser] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,

 Dexia te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [eiser] bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,00,

 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser] , met rente,

 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.

Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, met een incidenteel verzoek, dat als een onvoorwaardelijk verzoek wordt aangemerkt, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- in het incident:

 [eiser] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eiser] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,

- in de hoofdzaak:

 [eiser] zal veroordelen om aan Dexia te betalen een bedrag van € 2.296,02, vermeerderd met wettelijke rente,

 voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan [eiser] verschuldigd is,

 [eiser] zal veroordelen in de proceskosten.

Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

5. 5. De beoordeling van de in de hoofdzaak en het verzoek in het incident

algemeen 5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser] .

De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

er is sprake van huurkoop;

er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

[eiser] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;

er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

verjaring

Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eiser] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.

tussenpersoon

[eiser] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersonen Belastingvrij Vermogensplan en Amsterdam Financieel Adviesbureau (AFAB) (verder ook: de tussenpersonen). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersonen niet beschikten over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.

De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersonen [eiser] hebben geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersonen [eiser] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies hebben verstrekt, rusten op [eiser] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.

[eiser] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:

[eiser] kwam in 1998 in contact met de adviseur van Belastingvrij Vermogensplan (hierna te noemen: ‘adviseur’) om zich te laten informeren over de financiële mogelijkheden voor het afsluiten van een hypotheek, het herschikken van kleine schulden en de perspectieven voor zijn toekomstige financiële situatie. Er werd een afspraak gemaakt voor een huisbezoek en vervolgens hebben er meerdere adviesgesprekken met de adviseur plaatsgevonden. Tijdens het eerste gesprek is er uitgebreid gesproken over de financiële situatie van [eiser] . Daarbij kwam onder ander het werk en inkomen van zowel [eiser] als zijn partner en zijn gezins- en woonsituatie ter sprake. Daarnaast is er ook gesproken over het vermogen, het spaargeld en de lopende leningen van [eiser] . [eiser] vertelde dat hij net een zoon gekregen had en zijn gezin goed wilde onderhouden en daarom de wens had om zekerheden te creëren en extra vermogen op te bouwen. De adviseur gaf aan dat hij daar geschikte producten voor wist en adviseerde om een Triple Effect en Capital Effect overeenkomst af te sluiten. Aan de hand van de hoogte van het spaargeld van [eiser] adviseerde de adviseur om voor de Triple Effect overeenkomst een bedrag van NLG 4.000,00 vooruit te betalen en om voor de Capital Effect overeenkomst een maandelijks bedrag van NLG 250,00 in te leggen. Volgens de adviseur kon [eiser] met deze overeenkomsten op een snellere manier vermogen opbouwen dan met een reguliere spaarrekening aangezien er een hoger rendement zou worden gegenereerd zonder dat hieraan risico’s waren verbonden. De adviseur gaf daarbij aan dat er zou worden belegd in betrouwbare fondsen, bestaande uit sterke Nederlandse bedrijven die er financieel gezond voor stonden. Volgens de adviseur was er geen enkele reden tot zorg en zou het in feite niet mis kunnen gaan. Daarnaast werd gewezen op een fiscaal voordeel waarvan [eiser] zou kunnen profiteren. De overeenkomsten zouden, mede gelet op de financiële positie van [eiser] en zijn doelstellingen, passend zijn, mede vanwege de verschillende looptijden en de flexibiliteit in de wijze van inleggen. De adviseur heeft zijn advies onderbouwd aan de hand van brochures en prognoses. [eiser] kwam in 2000 in contact met een adviseur van AFAB (hierna te noemen ‘adviseur’). Er is gesproken over de financiële situatie en wensen van [eiser] . Zo is er gesproken over reeds lopende producten en de wens om nog meer financiële zekerheid te verkrijgen. Daarnaast wilde [eiser] graag weten of de eerder afgesloten overeenkomsten nog steeds zo stabiel en betrouwbaar waren als destijds was aangegeven. De adviseur gaf aan dat de overeenkomsten nog steeds het verwachte rendement opleverden. Daarnaast adviseerde de adviseur om een Capital Effect overeenkomst af te sluiten met een maandelijkse inleg van NLG 200,00. Hiermee zou [eiser] nog meer vermogen kunnen opbouwen waardoor zijn doelstelling behaald kon worden. [eiser] had geen kennis van complexe financiële producten en heeft in vertrouwen het advies van de adviseurs opgevolgd. De aanvraag van de overeenkomsten is door de adviseurs verzorgd. De adviseurs hebben de aanvraagformulieren ingevuld en naar de bank verzonden. De overeenkomsten zijn op een later moment door [eiser] ondertekend. De getekende overeenkomst werden vervolgens door de adviseurs naar de Bank Labouchere verzonden.

[eiser] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, voor zover van belang gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een kopie van het aanvraagformulier van 15 december 1998 voor een Triple Effect overeenkomst op naam van [eiser] , waarop een stempel is geplaatst met de tekst “Belastingvrij Vermogensplan (…)” met de handgeschreven toevoeging “ [adviseur] ” en ATP-nummer [nummer 4] is ingevuld,

- kopieën van de overeenkomsten van 18 december 1998 met contractnummers [nummer 1] en [nummer 2] , voorzien van de tekst: “ [tekst 1] ”. - kopieën van een Prognose Capital Effect waarop de naam en de adresgegevens van [eiser] staan vermeld, alsmede “Belastingvrij Vermogensplan Adviseur [adviseur] ”, - een kopie van een uittreksel van de KvK van 15 september 2020 met als beschrijving van de werkzaamheden van Belastingvrij Vermogensplan, te weten: ‘verkopen van produkten met betrekking tot financiële dienstverlening, zoals spaar- en vermogensprodukten’,

- een kopie van het aanvraagformulier van 26 oktober 2000 voor een Capital Effect overeenkomst van Bank Labouchere op naam van [eiser] met een stempel met de naam en adres- en contactgegevens van AFAB en ATP-nummer [nummer 5] is ingevuld en verder met de mededeling: “Voor overleg en advies kunt u zich wenden tot uw adviseur: kantoor Amsterdam Financieel Advies Bureau”.

- een kopie van de overeenkomst van 1 november 2000 met nummer [nummer 3] voorzien van de tekst: “[tekst 2] ,

aanhoudingsverzoek

Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.

Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.

(nieuwe) argumenten Dexia

Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:

dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;

dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersonen;

dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en

dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.

Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiser] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseurs van de tussenpersonen steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eiser] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiser] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten) dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiser] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eiser] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser] en de adviseurs van de tussenpersonen, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eiser] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.

wetenschap Dexia 5.13. In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersonen aan [eiser] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [eiser] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eiser] voor rekening van Dexia.

aansprakelijkheid Dexia 5.14. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eiser] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eiser] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.

vorderingen van [eiser] 5.15. De door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [eiser] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersonen [eiser] niet alleen als klant aanbrachten maar [eiser] tevens persoonlijk hadden geadviseerd en de tussenpersonen geen vergunning daarvoor bezat, alsmede dat Dexia de dientengevolge geleden schade dient te vergoeden. De verklaring voor recht dat de restschuld niet verschuldigd is zal eveneens worden toegewezen.

Die door [eiser] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eiser] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). Dit geldt dus ook voor de betaling van 24 februari 2025 van Dexia aan [eiser] . De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).

Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.

BKR-registratie

Dexia zal - voor het geval Dexia met betrekking tot [eiser] een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven - worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [eiser] geen verplichtingen uit de overeenkomsten meer heeft. De daaraan te verbinden dwangsom wordt bepaald op € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot en maximum van € 10.000,00.

het incidentele verzoek van Dexia

Dexia verzoekt dat [eiser] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.

Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eiser] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.

De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 82,00.

vorderingen Dexia

Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.

proceskosten

Omdat [eiser] inhoudelijk grotendeels gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser] gevallen.

Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.

De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 144,47

- griffierecht € 90,00

- salaris gemachtigde € 542,00 (2 x tarief € 271,00)

- nakosten € 135,00

Totaal € 911,47.

De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

6. De beslissing

De kantonrechter

in het incident van Dexia

wijst het verzoek af,

veroordeelt Dexia in proceskosten van [eiser] , tot op heden begroot op € 82,00,

in conventie

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [eiser] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersonen [eiser] niet alleen als klant aanbrachten maar [eiser] tevens persoonlijk hadden geadviseerd en de tussenpersonen geen vergunning daarvoor bezaten,

verklaart voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,

verklaart voor recht dat [eiser] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,

veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.16.,

veroordeelt Dexia - voor het geval Dexia met betrekking tot [eiser] een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven – om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [eiser] geen verplichtingen uit de leaseovereenkomsten meer heeft, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot en maximum van € 10.000,00.

veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 911,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,

veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

typ:

coll:

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. van Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?