RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/350169-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 april 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2000] in [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 27 maart 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 3 november 2024 in Biddinghuizen opzettelijk brand heeft gesticht in een kamer van een bungalow waardoor gevaar voor personen en goederen te duchten was;
feit 2
op 12 november 2024 in Biddinghuizen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft mishandeld.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 1. Ten aanzien van feit 2 heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken in paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feit 1
De rechtbank oordeelt dat feit 1 (brandstichting) is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Bewijsmiddelen feit 2
De rechtbank oordeelt dat feit 2 (mishandeling [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) ook bewezen is. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Bewijsoverweging feit 1
De advocaat heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat het opzet van de verdachte ontbreekt. De advocaat zet vraagtekens bij de uitlatingen van de verdacht ten tijde van de brand, omdat hij toen in een ernstige psychose verkeerde. Volgens de advocaat kan er aan deze uitlatingen geen waarde worden gehecht en zijn ze te onbetrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken. Als deze mededelingen wel voor het bewijs worden gebruikt, moet er volgens de advocaat zeer behoedzaam mee worden omgegaan.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte ten tijde van het incident leed aan een psychotische stoornis (zoals in 4.3.3. nader zal worden besproken). Gelet hierop moeten de verklaringen van de verdachte met de nodige voorzichtigheid te beoordelen. De rechtbank stelt vast dat de verdachte ter plaatse bij de brand volgens aangever [aangever] tweemaal heeft gezegd dat hij de brand had gemaakt. Zo zei hij eerst dat hij zijn kleding in brand had gestoken en kort daarna hij dat er een brandje was waarop hij zijn kleding had gegooid. Dit sluit aan bij het forensisch onderzoek, waaruit blijkt dat in de primaire brandhaard een aanzienlijke hoeveelheid verbrande kleding is aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat deze specifieke informatie in de mededelingen van de verdachte, namelijk over het ontstaan van de brand, alleen bekend kon zijn bij degene die de handelingen daadwerkelijk heeft verricht. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met een aansteker heeft gespeeld en dat hij een fikkie heeft gestookt. Daarbij heeft de verdachte op geen enkel moment een aannemelijk alternatief scenario aangevoerd, noch de suggestie gewekt dat het incident een ongeluk zou zijn geweest. Gelet op het voorgaande, oordeelt de rechtbank dat de verklaring van de verdachte tegenover aangever [aangever] , in samenhang met het forensisch onderzoek voldoende betrouwbaar voor het bewijs.
Aangezien de verdachte de brand heeft gesticht door kleding in de brand te steken, dan wel kleding op de brand te gooien, had hij naar het oordeel van de rechtbank vol opzet op de tenlastegelegde brandstichting.
De rechtbank is tevens van oordeel dat het handelen van de verdachte bij uitstek een situatie oplevert waarin naar algemene ervaringsregels gemeen gevaar voor de bungalow (inclusief de inboedel) te duchten was, welk gevaar zich ook heeft verwezenlijkt. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat er ernstige beschadiging is ontstaan aan goederen in de kamer van de verdachte en in een andere kamer. Ook is een kamer beschadigd geraakt door rook en roet. Gelet hierop oordeelt de rechtbank bewezen dat er gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Daarnaast was – gelet op het nachtelijke uur en de aanwezige bewoners en medewerkers in de bungalow en de aangrenzende gebouwen – naar algemene ervaringsregels op het moment van de brandstichting ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander voorzienbaar. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1
op 3 november 2024 te [plaats] , gemeente Dronten opzettelijk brand heeft gesticht in een kamer van een bungalow aan de [adres] (behorende aan [instelling] ) door een aansteker, althans open vuur in aanraking te brengen met kleding, ten gevolge waarvan het pand zelf geheel is verbrand, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor de in het pand aanwezige goederen en het pand zelf en de aangrenzende/omliggende panden//kamers, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was; en
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten medewerkers en aanwezigen in/nabij de aangrenzende/omliggende kamers en/of panden, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was te duchten was;
feit 2
op 12 november 2024 te Almere [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft mishandeld door te slaan tegen het gezicht en hoofd.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
Verbeterde lezing van het onder feit 2 tenlastegelegde
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de onder feit 2 tenlastegelegde pleegplaats sprake is van een kennelijke verschrijving en dat is bedoeld de pleegplaats [plaats] ten laste te leggen. De rechtbank zal de tenlastelegging in zoverre verbeterd lezen. In het licht van de inhoud van het dossier kan hierover geen misverstand bestaan. Het tenlastegelegde feit heeft immers betrekking op de mishandeling die heeft plaatsgevonden bij [locatie] in [plaats] . Door de verdediging is ter terechtzitting hierover ook niets opgemerkt. Tijdens de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat het voor de verdachte duidelijk was welke feit hem werd verweten, zodat de verdachte door deze verbetering niet in zijn belangen is geschaad.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is en gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
feit 2
mishandeling, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie sluit aan bij de conclusie van de deskundigen om de verdachte ten aanzien van feit 1 in zeer sterkte mate verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren en ten aanzien van feit 2 de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte aansluiting gezocht bij de conclusies van de deskundigen.
Oordeel van de rechtbank
Bij het beoordelen van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank onder meer kennisgenomen van de volgende rapporten die over verdachte zijn opgemaakt:
een Pro Justitia psychologisch en psychiatrisch onderzoek van 30 april 2025, opgemaakt door een GZ-psycholoog en een psychiater;
een Pro Justitia psychologisch onderzoek van 28 januari 2026, opgemaakt door een GZ-psycholoog.
Uit het onderzoek van 30 april 2025 blijkt onder meer dat bij de verdachte sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum stoornis, recent samengaand met katatonie. Ook is er sprake van een stoornis in het gebruik van cannabis en zijn er aanwijzingen voor een licht verstandelijke beperking. De stoornis in het gebruik van cannabis is nu in de huidige detentie- en behandelomgeving in gedwongen remissie. Tijdens de tenlastegelegde feiten was er sprake van een psychotisch beeld en tijdens het tweede feit ook van katatonie welke mogelijk ook tijdens het eerste feit al aanwezig was. Deze stoornissen beïnvloedden het denken, de emoties en het handelen van de verdachte aanzienlijk. Door deze psychotische toestand en katatonie had de verdachte verminderd overzicht, is hij zijn impulscontrole verloren en was hij nauwelijks in staat tot realiteitstoetsing. Hierdoor kon de verdachte de consequenties van zijn handelen niet goed inschatten en waren zijn oordeels- en kritiekvermogen ernstig aangetast. De deskundigen hebben niet volledig zicht gekregen op het denken en de beweegredenen van de verdachte ten tijde van feit 1 waardoor zij niet met zekerheid kunnen zeggen dat dit feit volledig niet aan de verdachte kan worden toegerekend, hoewel dit ook niet kan worden uitgesloten. Over het feit 2 waar volledig zicht is verkregen op het denken en beweegredenen van de verdachte wordt geconstateerd dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is.
Uit het onderzoek van 28 januari 2026 trekt de psycholoog dezelfde conclusies over de eerder vastgestelde stoornissen van de verdachte en trekt daarmee dezelfde conclusies over de mate van toerekening.
De rechtbank stelt op basis van deze rapportages vast dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten leed aan een psychische stoornis. De psychotische decompensatie waarin de verdachte zich toen bevond, had een ingrijpende en allesbepalende invloed op zijn gedragskeuzes en gedragingen. Het causale verband tussen de psychische toestand van de verdachte en het bewezenverklaarde is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk. Hoewel de deskundigen geen volledig inzicht hebben kunnen verkrijgen in het denken en de beweegredenen van de verdachte ten tijde van feit 1 en daarom niet met zekerheid kunnen zeggen dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar was, kan dit evenmin worden uitgesloten. Gelet op de conclusies van de deskundigen ten aanzien van de toerekenbaarheid bij feit 2, alsmede de door hen beschreven ernstige psychotische stoornis waaraan de verdachte ook ten tijde van feit 1 leed, oordeelt de rechtbank dat ook feit 1 niet aan de verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bewezenverklaarde onder feit 1 en feit 2 in zijn geheel niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend en dat hij vanwege die volledige ontoerekenbaarheid niet strafbaar is. De rechtbank zal de verdachte daarom voor het bewezenverklaarde ontslaan van alle rechtsvervolging.
5. Maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat aan de verdachte wordt opgelegd tbs met voorwaarden, waarbij het - kort samengevat - gaat om de volgende voorwaarden:
geen strafbare feiten plegen;
meewerken aan reclasseringstoezicht;
meewerken aan time-out;
niet naar het buitenland;
opname in een zorginstelling;
ambulante behandeling;
verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
verbod verdovende middelen;
dagbesteding.
De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).
De officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte wordt opgelegd een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel, conform artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden kunnen worden toegepast na beëindiging van de gemaximeerde tbs-maatregel, omdat op voorhand niet valt in te schatten of de verdachte na beëindiging van de tbs-maatregel, zonder voorwaarden, behandeling of toezicht op een verantwoorde wijze terug kan keren in de maatschappij.
Tot slot eist de officier van justitie de rechtbank om het verzoek tot het opleggen van een zorgmachtiging toe te wijzen.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt primair om de verdachte bij een vrijspraak voor de brandstichting volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren ten aanzien van de mishandelingen. Dit brengt met zich mee dat de verdachte geen (verdere) gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Nu deze feiten relatief “licht” zijn, acht de verdediging het voortzetten van de reeds bestaande zorgmachtiging voldoende om eventuele recidive te voorkomen.
Subsidiair verzoekt de advocaat de zorgmachtiging te laten doorlopen indien de verdachte wordt veroordeeld voor de brandstichting en de mishandeling.
Meer subsidiair verzoekt de advocaat de rechtbank om het advies van de deskundigen van het NIFP te volgen en aan de verdachte – naast het toewijzen van de zorgmachtiging – een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daarbij de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering (in het kader van een voorwaardelijke tbs-maatregel). De verdediging is van mening dat de combinatie van een zorgmachtiging en een voorwaardelijke gevangenisstraf (onder bijzondere voorwaarden) een voldoende “stok achter de deur” is om het herhalingsgevaar in de toekomst te ondervangen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij haar oordeel rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en mishandeling. Hij heeft ‘s nachts bij de GGZ-instelling waar hij verbleef brand gesticht door kleding in de brand te steken. Hiermee heeft hij niet alleen zijn eigen leven in gevaar gebracht, maar ook het leven van zijn medebewoners en medewerkers van de instelling. Op de foto’s in het procesdossier is te zien wat voor een enorme schade de brand heeft aangericht. Het mag een gelukkig afloop heten dat er geen slachtoffers zijn gevallen. Daarnaast heeft de verdachte twee medewerkers van de kliniek mishandeld terwijl zij, tijdens de uitvoering van hun werkzaamheden, aanwezig waren om zorg te verlenen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 14 januari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de eerdergenoemde Pro Justitia rapportages en van het reclasseringsadvies van 23 maart 2026.
Rapporten psycholoog en psychiater
Uit de rapporten van de psychiater en de psychologen volgt dat bij verdachte sprake is van stoornissen en verstoringen zoals hiervoor (in paragraaf 4.3) is omschreven.
Uit het onderzoek van 30 april blijkt verder dat de deskundigen het recidiverisico hoog achten voor gewelddadig gedrag op lange termijn zonder adequate behandeling en medicatie, matig-hoog voor ernstig lichamelijk letsel en laag-matig voor acuut dreigend geweld. Tegelijkertijd beschikt de verdachte over enige mate van empathie, motivatie voor behandeling en een beperkte positieve houding ten aanzien van autoriteit en financieel beheer. Het ontbreekt hem echter aan sociale contacten, dagbesteding en een stabiele woonomgeving.
De verdachte heeft naar verwachting vanwege zijn kwetsbaarheid langdurig (gedwongen) zorg, begeleiding en toezicht nodig. De deskundigen adviseren dan ook dat de verdachte langdurige, gedwongen zorg en begeleiding ontvangt binnen een gestructureerde, beschermde woonomgeving, bij voorkeur onder een zorgmachtiging in het kader van de Wet verplichte ggz. Behandeling dient te bestaan uit medicatie-inname, psycho-educatie over psychotische kwetsbaarheid, begeleiding naar abstinentie van middelen en het opbouwen van sociale en beschermende factoren. Deze behandeling kan plaatsvinden onder een zorgmachtiging in het kader van de Wet verplicht ggz. Daarbij dient de zorg wel aangescherpt te worden, met een betere inbedding van de medicatie inname. Verder is van belang dat de verdachte voordat hij detentie verlaat een plek voor hem gevonden is binnen beschermd wonen. Indien opname onder een zorgmachtiging niet mogelijk is, wordt geadviseerd – in geval van verminderde toerekenbaarheid – een voorwaardelijk strafdeel in combinatie met medicatieverplichting en langdurige proeftijd van maximaal tien jaar op te leggen, dan wel een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel conform artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Uit het onderzoek van 28 januari 2026 trekt de psycholoog dezelfde conclusies over de eerder vastgestelde stoornissen van de verdachte en het recidiverisico. De deskundige adviseert dat de noodzakelijke behandeling en begeleiding van de verdachte kan plaatsvinden binnen een zorgmachtiging in het kader van de Wet verplichte ggz. Deze zorgmachtiging voorziet in medicatietoediening, beschermd wonen en opname in een GGZ-instelling bij psychotische ontregeling. Indien de verdachte niet volledig toerekeningsvatbaar wordt geacht, kan ervoor worden gekozen de behandeling en begeleiding vorm te geven binnen bijzondere voorwaarden, aangevuld met een zorgmachtiging voor medicatietoediening. Mochten bijzondere voorwaarden en zorgmachtiging onvoldoende mogelijkheden bieden voor de benodigde langdurige en verplichte zorg, begeleiding en toezicht, dan kan een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) worden overwogen. In beide kaders kan aanvullende forensische expertise worden ingezet, zoals plaatsing in een beschermde woonvorm en expliciete aandacht voor delictanalyse binnen de behandeling.
De deskundige benadrukt dat een hoog beveiligingsniveau niet noodzakelijk is, maar dat psychotische decompensatie de voornaamste risicofactor vormt voor recidiverend gewelddadig gedrag. Medicatie is cruciaal om decompensatie te voorkomen, maar de verdachte is naar verwachting niet altijd gemotiveerd en in staat om volledig medicatietrouw te zijn. Een zorgmachtiging biedt dan de mogelijkheid tot medicamenteuze dwangbehandeling. De deskundige is van oordeel dat een tbs-maatregel met dwang bij deze jonge verdachte, die niet negatief staat ten opzichte van autoriteit en die een relatief geringe justitiële voorgeschiedenis heeft, niet passend. Indien de rechtbank een tbs-kader noodzakelijk acht, adviseert de deskundige om een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen in combinatie met een zorgmachtiging voor de medicatie-toediening.
De reclassering adviseert om bij een bewezenverklaring een maatregel van tbs met voorwaarden op te leggen aan de verdachte. De reclassering acht binnen dit kader voldoende mogelijkheden aanwezig om de risico’s van recidive te beperken en gedragsverandering bij de verdachte te bewerkstelligen. De noodzakelijke langdurige forensische behandeling kan zo worden gecombineerd met een stapsgewijze resocialisatie naar een geschikte woonvorm, waarbij het behandel- en resocialisatietraject op een verantwoorde en geleidelijke manier kan worden vormgegeven. Dit kader houdt bovendien rekening met de risico’s van een mogelijke (psychotische) decompensatie, waardoor de verdachte op een veilige wijze behandeld en begeleid kan worden. Ten opzichte van een behandeling in het kader van reguliere voorwaarden biedt een tbs-kader meer ruimte en tijd voor intensieve behandeling gericht op het voorkomen van recidive, terwijl het civiele traject primair op resocialisatie is gericht. De deskundige heeft ter terechtzitting toegelicht dat de reclassering het kader binnen een zorgmachtiging onvoldoende acht. De problematiek van de verdachte is van ernstige aard en al in een vroegere levensfase begonnen. Een langdurige klinische behandeling wordt noodzakelijk geacht om het risico op recidive in te perken. De behandeling dient daarom zowel gericht te zijn op psychische stabilisatie, inclusief medicamenteuze therapie, als op het voorbereiden van een geleidelijke doorstroom naar begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Vanwege de wisselende houding van de verdachte, die zich eerder soms weigerend opstelde maar later weer meewerkend was, is een flexibel behandel- en begeleidingskader nodig dat kan inspelen op deze wisselingen. Psychische decompensatie brengt aanzienlijke risico’s met zich mee, die door de tbs-maatregel en het forensisch kader beter beheersbaar zijn dan binnen reguliere behandelvormen. Ten aanzien van de medicatie en zorg wordt geadviseerd een zorgmachtiging te verlenen, zodat de medicatietoediening kan worden gegarandeerd. Eén van de voorwaarden van het tbs-traject is opname in een zorginstelling binnen een forensisch kader, zodat voldoende intensieve behandeling en toezicht geboden kunnen worden. Via de forensische zorg is een Indicatiestelling Forensische Zorg door de reclassering aangevraagd, waarna de verdachte mogelijk kan worden geplaatst binnen een forensisch psychiatrische kliniek om hem van een passende woonplek te voorzien.
Oplegging maatregel
Gezien het oordeel van de rechtbank dat de feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend, wordt aan de verdachte geen straf opgelegd. De rechtbank is ook bevoegd om een maatregel op te leggen en oordeelt dit in het onderhavige geval noodzakelijk en passend om zowel de verdachte te behandelen als de samenleving te beschermen.
De rechtbank zal daarom aan de verdachte opleggen: tbs met voorwaarden, zoals door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal dit oordeel hieronder toelichten.
Tbs-maatregel
Voor het kunnen opleggen van de tbs-maatregel (met voorwaarden) dient de rechtbank eerst na te gaan of aan de volgende vereisten is voldaan:
er dient sprake te zijn van een tbs-waardig delict: een misdrijf bedreigd met ten minste 4 jaar gevangenisstraf, of dat is genoemd in 37a eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht;
er dient sprake te zijn van een verdachte bij wie ten tijde van het delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens;
de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van de maatregel (gevaarscriterium);
verdachte dient zich bereid te hebben verklaard tot naleving van de voorwaarden;
er is een recente multidisciplinaire gedragsrapportage opgemaakt.
De rechtbank stelt vast dat de bewezen verklaarde brandstichting een misdrijf is waarvoor op grond van artikel 37a eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht oplegging van de tbs-maatregel mogelijk is.
Bij verdachte was ten tijde van dit bewezen verklaarde feit sprake van een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De rechtbank volgt daarbij de hierboven genoemde conclusies van de gedragsdeskundigen en legt die ten grondslag aan haar oordeel.
De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de tbs-maatregel vereist. Gelet op de inhoud van de hierboven besproken rapporten heeft verdachte te maken met zodanige problematiek dat het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is om hem onbehandeld in de maatschappij te laten terugkeren. Het risico op recidive op de lange termijn wordt door alle deskundigen ingeschat als hoog als passende behandeling (inclusief medicamenteuze behandeling) en begeleiding ontbreken. De psychologen en psychiater zijn van oordeel dat behandeling en begeleiding van de verdachte plaats kan vinden binnen een zorgmachtiging in het kader van de Wet verplichte zorg. De rechtbank leest dit advies echter zo dat een succesvolle uitvoering van een dergelijk traject slechts mogelijk is als aan alle voorwaarden voor de zorgmachtiging wordt voldaan. Daartoe behoort onder meer een passende woonplek voor de verdachte. Zonder een geschikte woonvoorziening is een ambulant behandeltraject moeilijk uitvoerbaar. De rechtbank verwijst hierbij naar de stukken die zijn overgelegd in het kader van de zorgmachtiging. De rechtbank weegt daarnaast mee dat de verdachte een strenger kader nodig heeft. Tot op heden is gebleken dat de reeds verleende zorgmachtiging onvoldoende is geweest, nu de verdachte binnen dat kader de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd. Gezien deze omstandigheden biedt volgens de rechtbank uitsluitend de tbs-maatregel met voorwaarden voldoende zekerheid dat de verdachte daadwerkelijk zal worden behandeld, een passende woonplek zal verkrijgen en dat de kans op recidive voldoende zal worden ingeperkt.
De verdachte heeft zich op de zitting uitdrukkelijk bereid verklaard om de geadviseerde voorwaarden na te leven. Het voorgaande maakt dat aan de vereisten voor oplegging van de tbs-maatregel is voldaan.
Alles overwegende vindt de rechtbank de oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden passend en noodzakelijk. De rechtbank zal de maatregel met de daarbij in het dictum vermelde voorwaarden opleggen. De rechtbank is van oordeel dat dit de meest passende oplossing is voor de verdachte om voldoende hulp en begeleiding te krijgen. De rechtbank zal vanwege het geconstateerde recidivegevaar bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Dat betekent dat de verdachte de voorwaarden gelden, ook als de zaak nog niet onherroepelijk is omdat er sprake is van een tegen dit vonnis ingesteld hoger beroep.
De rechtbank stelt vast dat de bewezenverklaarde brandstichting gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dat betekent dat indien de tbs-maatregel met voorwaarden wordt omgezet in een tbs-maatregel met dwangverpleging, deze niet gemaximeerd zal zijn.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
Om het recidivegevaar in te perken, kan een maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd. Deze maatregel houdt in dat verdachte zich na afsluiting van de tbs met voorwaarden aan gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelen dient te houden en zich moet conformeren aan langdurig toezicht door de reclassering, zodat het risico op herhaling wordt geminimaliseerd.
Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. De rechtbank gelast immers de tbs-maatregel met voorwaarden van de verdachte en gelet op de aard van de stoornissen en de risico’s is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van personen en goederen. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig onder welke voorwaarden, zal in de laatste fase van de aan de verdachte opgelegde tbs-maatregel met voorwaarden plaatsvinden.
Zorgmachtiging
Het verzoekschrift van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging is gelijktijdig met deze strafzaak behandeld. In de beschikking die de rechtbank tegelijk met dit vonnis wijst, wordt dat verzoek toegewezen en de zorgmachtiging verleend.
Voorlopige hechtenis
De verdachte bevindt zich op dit moment nog in voorlopige hechtenis. Weliswaar legt de rechtbank geen gevangenisstraf op, maar met de oplegging van de tbs-maatregel is sprake van oplegging van een maatregel die vrijheidsbeneming kan meebrengen. De rechtbank is daarom niet gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. In plaats daarvan zal de rechtbank de voorlopige hechtenis schorsen met ingang van het moment dat de verdachte zal worden opgenomen in een forensische kliniek. De rechtbank licht dit hierna toe.
Het met onmiddellijke ingang schorsen van het bevel tot voorlopige hechtenis zou leiden tot een periode waarin de verdachte onbehandeld terugkeert in de samenleving en effectieve handhaving van de gestelde voorwaarden onvoldoende zeker gesteld kan worden. Als hoger beroep wordt ingesteld kan die toezichtloze periode, mede gelet op de huidige wachttijd voor opname in forensische klinieken en de wachttijd voor overbruggingszorg, enkele maanden duren. Een dergelijke situatie zou naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de problematiek van de verdachte en de noodzaak van behandeling, onverantwoorde risico’s voor de algemene veiligheid van personen en voor de gezondheid en veiligheid van de verdachte opleveren. Door schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van het moment dat de verdachte zal worden opgenomen in een forensische kliniek (onder dezelfde voorwaarden als gesteld in het kader van artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht) wordt ervoor gezorgd dat er op een effectieve manier toezicht kan worden gehouden op de tbs-maatregel met voorwaarden en wordt er een vangnet gecreëerd zolang dit vonnis nog niet onherroepelijk is. De rechtbank verzoekt de betrokken instanties bij plaatsing, behandeling en tenuitvoerlegging van de voorwaarden om alles wat redelijkerwijs mogelijk is te doen om de verdachte zo snel mogelijk op te nemen in een passende kliniek.
6. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 6.000,- bestaande uit immateriële schade, ten gevolge van het aan de verdachte onder feit 2 tenlastegelegde.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] geconcludeerd dat de vordering dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 1.500,-. Het toegewezen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en daarbij moet de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd. Voor het overige gevorderde verzoekt de officier van justitie de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. De benadeelde partij krijgt hiermee de mogelijkheid om de vordering aan te brengen bij de burgerlijke rechter.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag aan de hoge kant ligt. De advocaat verzoekt om een lager bedrag aan schadevergoeding toe te kennen en verzoekt daarbij om geen dagen gijzeling vast te stellen in het kader van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 aanhef en sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. De benadeelde partij heeft gesteld dat hij meerdere weken een blauw oog heeft gehad, en onzekerheid heeft over blijvend letsel. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 800,- billijk is. Ter oriëntatie heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse schaal, binnen de bandbreedte van de categorie ‘licht letsel’ met een herstelperiode van ongeveer twee maanden). De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van de vordering. Hij heeft de stelling over mogelijk blijvend letsel en/of een litteken namelijk niet onderbouwd. Hij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 12 november 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 800,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 november 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de gebruikelijke berekening met betrekking tot gijzeling en wijst daarmee het verzoek van de advocaat af. De rechtbank beslist dat als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van acht dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde maatregel is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 36f, 38, 38a, 38z, 157 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging;
maatregel
- gelast dat de verdachte terbeschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:
de verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
- de verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
- de verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van de verdachte vast te stellen;
- de verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
- de verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
- de verdachte werkt mee aan huisbezoeken;
- de verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
- de verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
- de verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;
- geeft opdracht aan reclassering de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voormelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;
- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 2)
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 800,-
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat
€ 800,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 november 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 8 dagen gijzeling;
voorlopige hechtenis
- schorst het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de verdachte kan worden opgenomen in een forensische kliniek of een soortgelijke instelling.
Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden dezelfde voorwaarden verbonden als de eerder genoemde voorwaarden die gesteld worden bij de tbs-maatregel.
De beschikking tot verlening van een zorgmachtiging zal separaat worden opgemaakt en aan het vonnis worden gehecht.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.A. Groeneveld, voorzitter, mrs. H.C. Piet en
S.M. van Meer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. van Dieren als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
De voorzitter en de oudste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op of omstreeks 3 november 2024 te [plaats] , gemeente Dronten opzettelijk brand heeft gesticht in/aan (een kamer(s)van een) woning/pand/bungalow aan de [adres] (behorende aan [instelling] ) door een aansteker, althans open vuur in aanraking te brengen met kleding, althans met één of meerdere brandbare stof(fen) ten gevolge waarvan de inboedel en/of overige in het pand aanwezige goederen en/of het pand zelf geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor de in het pand aanwezige goederen en/of het pand zelf en/of de aangrenzende/omliggende panden/percelen/kamers, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was; en/of -levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten medewerker(s) en/of aanwezige(n) in/nabij de aangrenzende/omliggende kamers en/of panden/percelen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was te duchten was;
feit 2 hij op of omstreeks 12 november 2024 te [plaats] , gemeente Dronten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door te slaan en/of stompen tegen het gezicht en/of hoofd.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Bewijsmiddelen feit 1
Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 27 maart 2026:
Ik heb met een aansteker gespeeld.
Uit het proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 3 november 2024 volgt, zakelijk weergegeven:
Toen ik op de locatie kwam, [slachtoffer 1] ik vrij snel naar [verdachte] gelopen. Ik vroeg wat er was gebeurd. [verdachte] was erg in zijn eigen wereld. Hij zei eerst dat hij de asbak op een randje had gezet. Toen ik vroeg waar hij die asbak had gezet, reageerde hij niet en liep hij weg. Ik vroeg het nog een keer aan hem toen zei hij: "Wil je echt weten wat ik heb gedaan? Ik heb die hele kankerbende in de fik gestoken". Ik vroeg hoe hij dit heeft gedaan. Hij zei dat hij eerst een klein brandje had gemaakt, door zijn kleding in de brand te hebben gestoken. Hij zou ook zijn kast en koelkast in de fik hebben gestoken. Ik weet niet hoe hij dit heeft gedaan maar hij is in het bezit van een aansteker, hij rookt. Ik vroeg nog een keer aan [verdachte] hoe het is ontstaan. Hij zei dat het eerst een klein brandje was en dat hij toen zijn kleding daarop had gegooid.
Uit het proces-verbaal (forensisch onderzoek plaats delict [adres] [plaats] ) met de daarbij horende fotobijlage van 23 november 2024 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
Op 3 november 2024 kwamen wij, naar aanleiding van een brandstichting, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres] , [plaats] .
Het scenario van brandstichting lijkt ons het meest aannemelijke scenario. In de primaire brandhaard werd veel verbrande kleding aangetroffen. De enige mogelijkheid dat er brand is ontstaan is het bijbrengen van open vuur. De brand is ontstaan bij de rechterzijde van de radiator bij de vloer. Door ons werd op deze plek heen houten boomstam aangetroffen welke aangetast was door de brand. Op deze plek werd door ons ook verbande kleding aangetroffen. De brand heeft zich vanaf de radiator langs de rechter- en de linkerzijde van de muur verplaatst. Aan de rechterzijde bevond zich een kledingkast. Aan de linkerzijde bevond zich een bed met beddengoed. Er zijn door de brandhonden geen aanwijzingen gevonden die duiden op de aanwezigheid van ontbrandbare vloeistoffen. In de primaire brandhaard werd veel verbrande kleding aangetroffen. De enige mogelijkheid dat er brand is ontstaan is het bijbrengen van open vuur. Het brandbeeld komt overéén met de verklaring van de verdachte. Door ons zijn geen aanwijzingen aangetroffen die wijzen op een brand door kortsluiting of andere technische oorzaak. Het weer heeft geen invloed gehad of is niet de oorzaak geweest van het ontstaan van de brand.
Bij de brand in kamer [nummer] zijn de aanwezige goederen ernstig beschadigd. Tevens zijn de
goederen in kamer [nummer] en kamer [nummer] beschadigd geraakt door rook en beroeting. Derhalve
was er gevaar voor goederen. Uit de beschreven situatie en het aangetroffen brandbeeld bleek dat bij deze brand tevens levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was geweest. De woning betrof een paviljoen welk geschakeld was met twee andere paviljoens. Gezien het tijdstip van de brand is het aannemelijk dat het merendeel van de aanwezige bewoners van het huizenblok zouden liggen te slapen. Door de zuurstof aanvoer, de aanwezige brandstofpakketten en het dakbeschot heeft het vuur en de hete rookgassen kamer [nummer] in zijn geheel in de brand gezet. Hierbij is de hal, waaraan de kamers [nummer] en [nummer] ook lagen, ook mee gaan doen in de brand. De brand is doorgeslagen in kamer [nummer] via de bovenzijde van de scheidingsmuur. De brand is ook doorgeslagen in de slaapkamer van kamer [nummer] van paviljoen [nummer] ook via de bovenzijde van de scheidingsmuur en het dakbeschot. Door het aanwezige brandalarmsysteem cq rookmelders konden de bewoner op tijd de kamers verlaten .
Bewijsmiddelen feit 2
Uit het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] met de daarbij horende foto’s van 15 november 2024 volgt, zakelijk weergegeven:
Ik [slachtoffer 1] werkzaam in de GGZ-instelling van [locatie] te [plaats] . Op 12 november 2024 [slachtoffer 1] ik begonnen met werken.
Wij waren nog aan het overleggen en ik hoorde dat [verdachte] stil was. Ineens kwam hij van achter naar mij toe rennen en kreeg ik van hem een vuistslag in mijn gezicht bij mijn oogkas aan de rechterkant. Na de klap [slachtoffer 1] ik achter hem aangelopen en sloeg hij nog wat om zich heen. Ik voelde toen nog wat klappen op mijn achterhoofd en op mijn wang. Ook heeft hij mij nog op mijn rechterwang geraakt daar had ik een klein vlekje. [slachtoffer 2] is gelijktijdig ook achter [verdachte] aangelopen en heeft nog een paar klappen van hem gehad. Ik hoorde later dat hij ook een paar flinke klappen had gehad.
Uit de letselverklaring van 12 november 2024 opgemaakt door triagist van de spoedpost Almere volgt, zakelijk weergegeven:
Objectief : Alg: helder en adequaat, oogvolgbewegingen normaal, visus normaal, gezichtsvelden globaal intact, scheurwond craniaal van re wenkbrauw, 3cm lang, door huid en subcutis, ligt mooi aan. fors hematoom tpv bovenste ooglid, oogkas geen trappetjes palpabel
Evaluatie : scheurwond en contusie oogkas na trauma
Plan : wond geplakt met wondlijm en steristrips, komende dagen droog houden, tav oog: bij lichtflitsen, wazig zien, vlekken zien of andere problematiek zeer laagdrempelig contact, tav trauma capitis: bij hevige hoofdpijn, braken of andere klachten contact. Ook bij wondproblematiek contact opnemen.
Uit het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 12 november 2024 volgt, zakelijk weergegeven:
Ineens draaide hij zich om en ging hij direct [slachtoffer 1] te lijf en zag ik dat hij op [slachtoffer 1] in sloeg met gebalde vuisten. Ik zag dat hij maar bleef slaan. Ik sprong ertussen om [slachtoffer 1] te ontzetten en toen begon hij ook op mij in te slaan. Ik zag dat het bloed uit het gezicht van [slachtoffer 1] gutste. Ik [slachtoffer 1] er opnieuw tussengesprongen waar hij ook naar mij toe sloeg. Ik [slachtoffer 1] geraakt door [verdachte] op mijn gezicht aan de rechterkant en op mijn rug, mijn zij en op mijn buik. Ik voelde pijn van de klappen die hij mij gaf.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.