RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/264131-19
Tegenspraak (art. 279 Sv)
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] (Polen),
wonende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: [verdachte] ).
1. Het verloop van de procedure
Op de zitting van 1 april 2025 is de zaak voor het eerst aanhangig gemaakt. Op deze zitting heeft de vraag centraal gestaan of [verdachte] voldoende in staat was om op een effectieve manier aan het proces deel te nemen.
Op de zitting van 15 april 2025 heeft de rechtbank beslist dat onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat [verdachte] niet effectief aan het strafproces kan deelnemen. Er was dan ook geen reden om de vervolging van [verdachte] te schorsen. Ook het daarmee samenhangende verzoek om de zaak als geëindigd te verklaren, is afgewezen.
Op 22 september 2025 heeft vervolgens een regiezitting plaatsgevonden, waarin de rechtbank verschillende regiebeslissingen heeft genomen. Op een aantal verzoeken van de verdediging is niet meteen beslist, maar heeft de rechtbank nadere onderbouwing en verduidelijkingen gevraagd. In de daarop volgende correspondentie heeft de officier van justitie de rechtbank geïnformeerd over het standpunt van het slachtoffer en diens ouders dat er kort en goed op neerkomt dat niet langer voortzetting van de procedure wordt verlangd. De rechtbank heeft daarin aanleiding gezien opnieuw een zitting te bepalen op 10 maart 2026.
Dit vonnis is vervolgens gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de besloten zitting van 10 maart 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
feit 1 primair
op 15 juli 2019 in Woudenberg, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2013, heeft verkracht;
feit 1 subsidiair
op 15 juli 2019 in Woudenberg, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2013, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] .
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig en de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de beschuldiging. Ook zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging. De rechtbank blijft bij haar oordeel en de hieraan ten grondslag gelegde motivering, zoals neergelegd in het proces-verbaal van 15 april 2025.
Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat zij niet-ontvankelijk wordt verklaard in de (verdere) vervolging. Zij heeft hiertoe het volgende naar voren gebracht.
[verdachte] is gedagvaard omdat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden daartoe bij beschikking van 30 maart 2022 bevolen heeft in de zogenoemde artikel-12 procedure die de ouders van het slachtoffer hebben aangespannen. De ouders van het slachtoffer hebben deze procedure gestart omdat zij zich niet gehoord voelden door het Openbaar Ministerie, dat op 3 november 2020 de zaak had geseponeerd. Zij wilden bovendien helder krijgen wat er precies met hun zoon was gebeurd en wilden hem laten zien dat zij er alles aan gedaan hebben om erkenning voor hem te krijgen.
Inmiddels duurt het proces al lange tijd. Het hof had gelast dat nader onderzoek, waaronder DNA-onderzoek, moest worden verricht. Door het aanvullend forensisch dossier, waarin heftige bevindingen staan beschreven, hebben de ouders een duidelijk beeld gekregen van wat er is gebeurd. Ook hebben zij kunnen laten zien dat zij er alles aan hebben gedaan om erkenning voor hun zoon te krijgen. Het slachtoffer is inmiddels [leeftijd] jaar oud en wil zelf dat er een einde komt aan de zaak. Hij heeft last van de zittingen die inmiddels geweest zijn en die nog gaan komen, hij voelt dan de druk bij zijn ouders en de emoties die dit bij hen oproept. Ook wil het slachtoffer niet als getuige gehoord worden. Zijn ouders respecteren zijn standpunt en steunen hem hierin. Dit alles heeft ertoe geleid dat het slachtoffer en zijn ouders niet langer de wens hebben dat [verdachte] verder wordt vervolgd. Nu de ouders zelf hebben aangegeven dat zij geen prijs meer stellen op vervolging (en hun zoon ook niet), rest de vraag waartoe verdere vervolging nog wel dient.
Verdere vervolging lijkt niet in het belang van het slachtoffer te zijn, maar ook niet in het belang van [verdachte] is een jongeman van inmiddels [leeftijd] jaar oud, met veel problematiek. Uit rapportages van het NIFP en de Raad voor de Kinderbescherming volgt dat hij wordt opgevoed door zeer toegewijde en pedagogisch sterke ouders, die bereid zijn om hulp in te schakelen indien nodig. Zij houden zeer zorgvuldig toezicht op hem, zeker na de onderhavige beschuldiging. Uit onderzoek zijn geen gebieden naar voren gekomen waarvoor [verdachte] meer of andere zorg nodig is dan hij al krijgt. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat en [verdachte] is niet opnieuw bij de politie in beeld gekomen. In de rapportages worden geen bijzondere interventies geadviseerd om herhaling te voorkomen. Het maatschappelijk belang om [verdachte] verder te vervolgen lijkt dus ook zeer gering.
Nu voortzetting van deze vervolging niet in het belang is van het slachtoffer noch [verdachte] en bovendien het maatschappelijk belang om [verdachte] verder te vervolgen zeer gering lijkt, wordt met voortzetting van de vervolging onvoldoende strafrechtelijk belang gediend. De officier van justitie acht het daarom niet opportuun om met de zaak verder te gaan.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft te kennen gegeven zich aan te sluiten bij het standpunt van de officier van justitie dat de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging. Zij voert hiertoe aan dat er inmiddels onvoldoende belang bestaat om deze strafzaak voort te zetten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat dit een pijnlijke zaak is voor alle betrokkenen. Het is daarnaast ook een bijzondere zaak, aangezien de vervolging is gestart naar aanleiding van een klacht van de ouders van het slachtoffer over het niet vervolgen van [verdachte] . Nu, zoveel jaren later, hebben de ouders van het slachtoffer, in goed overleg met hun zoon en ook op zijn verzoek, aangegeven dat zij niet langer prijs stellen op verdere vervolging van [verdachte] .
De rechtbank stelt vast dat wat met [slachtoffer] (het slachtoffer) gebeurd is, nooit had mogen gebeuren. Dat staat los van de vraag of [verdachte] een strafrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. De rechtbank heeft bewondering voor de manier waarop de ouders van [slachtoffer] voor hem vervolging hebben afgedwongen – niet uit wrok, maar omdat zij erkenning zochten voor wat hun zoon is overkomen. Nu zij echter zelf geen prijs meer stellen op de verdere vervolging, heeft de rechtbank zich de vraag gesteld of er naast het belang van [slachtoffer] ook andere belangen aanwezig zijn voor verdere vervolging. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze er niet, althans in onvoldoende mate. De ernst van de feiten rechtvaardigt de ingezette vervolging, maar kijkend naar de persoon van [verdachte] is, als het zou komen tot een bewezenverklaring, hulpverlening meer passend dan het opleggen van een straf. Deze hulp is op dit moment in voldoende mate aanwezig en hoeft niet in een forensisch kader georganiseerd te worden. Dat betekent dat de strafdoelen vergelding en preventie niet of nauwelijks langer aan de orde zijn.
Gelet op het gegeven dat het Openbaar Ministerie zelf van mening is dat met voortzetting van de vervolging onvoldoende strafrechtelijk belang meer is gediend, de wens van het slachtoffer en zijn ouders om de zaak af te ronden en het ontbreken van (andere) strafdoelen, is de rechtbank van oordeel dat er inmiddels geen verder belang bij vervolging van [verdachte] meer is. Een lopende strafzaak kan echter niet zomaar ten einde komen, er moet een einduitspraak volgen. Om die reden ziet de rechtbank hiervoor geen andere juridische mogelijkheid dan het uitspreken van de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, zoals gevorderd.
4. De beslissing
De rechtbank:
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van [verdachte] .
Dit vonnis is gewezen door mr. J.O. Zuurmond, voorzitter tevens kinderrechter, mr. N.M.H. van Ek en mr. G.M.C. Klink, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M.L. den Hoedt als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 15 juli 2019 te Woudenberg, in elk geval in Nederland,
door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld
en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2013)
heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit
of mede bestonden uit het seksueel
binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
immers heeft verdachte
- een voorwerp en/of een lichaamsdeel in de anus van die [slachtoffer]
geduwd/gebracht en/of gehouden en/of
- een voorwerp en/of een lichaamsdeel in de mond van die [slachtoffer]
gepropt/geduwd/gebracht en/of gehouden,
en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met
geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte
- die [slachtoffer] heeft meegevoerd/gebracht naar zijn hut, althans een afgelegen
en/of rustige, locatie en/of
- de polsen van die [slachtoffer] heeft vastgebonden aan elkaar (met een touw en/of
bandje) en/of
- die [slachtoffer] heeft geblinddoekt en/of een doek over de ogen van die [slachtoffer]
heeft gedaan en/of (vervolgens) een duikbril op/over de ogen van die [slachtoffer]
gezet (waardoor het zicht van die [slachtoffer] werd ontnomen) en/of
- de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] naar beneden gedaan en/of
- die [slachtoffer] op zijn buik heeft laten liggen;
althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 15 juli 2019 te Woudenberg, in elk geval in Nederland,
met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2013,
die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,
een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede
bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
te weten
- het duwen/brengen en/of houden van een voorwerp en/of een lichaamsdeel in de
anus van die [slachtoffer] en/of
- het proppen/duwen/brengen en/of houden van een voorwerp en/of lichaamsdeel
in de mond van die [slachtoffer] .