RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/605902 / KG ZA 26-30
Vonnis in kort geding van 31 maart 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.A. Hupkes,
tegen
1. DE VENNOOTSCHAP NAAR HET RECHT VAN DE BRITSE MAAGDENEILANDEN [gedaagde sub 1] ,
te [plaats] , Britse Maagdeneilanden,
hierna: [gedaagde sub 1] ,2. DE VENNOOTSCHAP NAAR HET RECHT VAN DE BRITSE MAAGDENEILANDEN [gedaagde sub 2],
te [plaats] , Britse Maagdeneilanden,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,3. DE VENNOOTSCHAP NAAR HET RECHT VAN DE BRITSE MAAGDENEILANDEN [gedaagde sub 3],
te [plaats] , Britse Maagdeneilanden,
hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen,- de producties van [eiser] ,- de verstekverlening tegen [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] .
2. De kern van het kort geding
[eiser] heeft met tussenkomst van een derde belegd in crypto valuta. [eiser] stelt zich op het standpunt dat daarbij sprake is geweest van beleggingsfraude (boilerroomfraude).
[eiser] heeft een bedrijf ingeschakeld ( [bedrijf] ) om te achterhalen waar zijn crypto valuta zich op dit moment bevinden. [bedrijf] is op grond van haar onderzoek dat is gebaseerd op het “follow the money” principe tot de conclusie gekomen dat de crypto valuta van [eiser] zich bevinden in een wallet (een digitale portemonnee) van een derde (de mogelijke oplichter(s) bij [gedaagden] . Deze wallet is gekoppeld aan een account dat deze derde bij [gedaagden] heeft. [gedaagden] is een platform voor het verhandelen van crypto valuta en verrichten van betalingen met crypto valuta ook wel aangeduid als een “crypto exchange” of een custodian (bewaarder).
[eiser] wil met dit kort geding bereiken dat hij een procedure kan starten tegen de vermoedelijke oplichter(s) en dat hij zijn schade op deze vermoedelijke oplichter(s) kan verhalen. [eiser] vordert daarom in dit kort geding dat [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk:
1. worden veroordeeld om aan [eiser] te verstrekken:
a. de volledige voornamen, de achternaam, het adres, de postcode, de woonplaats, de nationaliteit en het e-mailadres (hierna: de NAW gegevens) van de gebruiker(s) van het onder 2.1 bedoelde account,
b. de transactieoverzichten van het onder 2.1 bedoelde account over de periode van 26 augustus 2025 tot en met datum van bekendmaking van het vonnis,
2. worden veroordeeld om het onder 2.1 bedoelde account te bevriezen en bevroren te houden, onder de voorwaarde dat [eiser] binnen 4 maanden na bekendmaking van de onder 1 a bedoelde NAW gegevens een procedure tegen die persoon/personen aanhangig maakt,
3. worden verboden om de gebruiker van het account dat door [gedaagden] moet worden bevroren (zie 2) voorafgaand aan die bevriezing op de hoogte te brengen dat het account zal worden bevroren,
4. worden veroordeeld om binnen 4 dagen na de bevriezing zoals bedoeld onder 2:
a. opgave te doen van het aantal en soort cryptovaluta en/of liquiditeiten die door de bevriezing zijn getroffen,
b. een met een datum voorziene schermafbeelding van het bevroren account te verstrekken.
[eiser] vordert dat al deze vorderingen worden versterkt met een dwangsom van € 25.000,- voor iedere overtreding te vermeerderen met een dwangsom van € 25.000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, en met een maximum van € 500.000,-.
[eiser] baseert zijn vorderingen (onder andere) op een (dreigende) onrechtmatige daad van [gedaagden] .
3. De beoordeling
Verstekverlening 3.1. Tijdens de mondelinge behandeling is tegen [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] verstek verleend.
De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of:
1. de dagvaardingen met inachtneming van het bepaalde in artikel 55 lid 1 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn betekend,
2. de voorschriften zoals vermeld in het Haags Betekeningsverdrag 1965 en de Uitvoeringswet Betekeningsverdrag 1965 zijn nageleefd, en
3. de dagvaardingen binnen de daarvoor vereiste termijn zijn betekend.
De voorzieningenrechter is op grond van deze beoordeling tot de conclusie gekomen dat verstek kan worden verleend. Daarbij geldt het volgende.[eiser] heeft niet het in artikel 15 lid 1 Haags betekeningsverdrag 1965 bedoelde bewijs van betekening of kennisgeving van de dagvaarding aan [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] overgelegd, omdat hij dit bewijs nog niet had ontvangen. Uitgangspunt is daarom dat geen verstek kan worden verleend. Dat leidt echter uitzondering als sprake is van een spoedeisend geval zoals bedoeld in artikel 15 lid 3 Haags Betekeningsverdrag 1965, en voldoende is gewaarborgd dat [gedaagden] de dagvaarding daadwerkelijk heeft bereikt en ook zo tijdig dat zij de mogelijkheid heeft gehad om in dit kort geding verweer te voeren. Van deze uitzondering is in dit geval sprake.
Uit de aard van de vorderingen van [eiser] volgt dat sprake is van een spoedeisend geval.
Uit de door [eiser] in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie volgt onder meer dat:
de advocaat van [eiser] in een e-mail van 21 januari 2026 [gedaagden] heeft laten weten dat dit kort geding zal worden gestart als [gedaagden] niet vrijwillig zou overgaan tot bevriezing van het account van de mogelijke oplichter(s),
de advocaat van [eiser] in diezelfde e-mail van 21 januari 2026 [gedaagden] heeft verzocht om verhinderdata voor dit kort geding op te geven,
[gedaagden] op deze e-mail van 21 januari 2026 heeft gereageerd,
de advocaat van [eiser] bij aangetekende e-mail van 23 januari 2026 aan [gedaagden] de datum, het tijdstip en de plaats waar het kort geding zal worden gehouden heeft doorgegeven, en bij deze e-mail een (concept)dagvaarding als bijlage heeft gevoegd.
[eiser] heeft bewijs overgelegd dat deze laatste e-mail van 23 januari 2026 door [gedaagden] is ontvangen. [gedaagden] is dus ook tijdig van dit kort geding op de hoogte gebracht.
Rechtsmacht
Het gaat in dit kort geding om een geschil met een internationaal karakter. [eiser] woont in Nederland, terwijl [gedaagden] woonplaats heeft op de Britse Maagdeneilanden.
De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ofwel bevoegd is om over het geschil tussen partijen te oordelen. Die beoordeling moet voor elke vordering afzonderlijk worden gemaakt.
Beoordeling rechtsmacht aan de hand van de artikelen 1 tot en met 14 Rv 3.4. De rechtsmacht moet in dit geval worden beoordeeld aan de hand van het Nederlandse procesrecht en in het bijzonder de artikelen 1 tot en met 14 Rv.
Dat komt, omdat:
de Brussel I bis verordening in dit geval niet van toepassing is, en
er geen tussen Nederland en de Britse Maagdeneilanden geldende verdragen zijn die regels over de rechtsmacht geven, en
geen sprake is van een volkenrechtelijke immuniteit zoals bedoeld in artikel 13a Wet Algemene bepalingen. (zie artikel 1 Rv).
Geen rechtsmacht op grond van de hoofdregel van artikel 2 Rv
Op grond van de in artikel 2 Rv neergelegde hoofdregel heeft de Nederlandse rechter in dit geval geen rechtsmacht. Die hoofdregel houdt in dat in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid (zoals dit kort geding), de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft als de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Dat is hier niet het geval, aangezien [gedaagden] woonplaats heeft op de Britse Maagdeneilanden.
Wel rechtsmacht op grond van artikel 6 onder e Rv
Daarmee wordt toegekomen aan de beoordeling van de vraag of de rechtsmacht, zoals [eiser] stelt, kan worden ontleend aan artikel 6 onder e Rv. In dit artikel is bepaald dat de Nederlandse rechter eveneens rechtsmacht heeft in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen. De uitkomst is dat de Nederlandse rechter op grond van deze bepaling voor alle vorderingen rechtsmacht heeft.
Bij uitleg artikel 6 onder e Rv kan de vaste rechtspraak over (de voorlopers van) artikel 7 lid 2 Brussel I bis een rol spelen
De voorlopers van artikel 7 lid 2 Brussel I bis hebben model gestaan voor artikel 6 onder e Rv. Daarom kan de vaste rechtspraak die door het Europese Hof van Justitie/Hof van Justitie EU is gewezen over de uitleg van de (voorlopers van) artikel 7 lid 2 Brussel I bis een richtsnoer zijn voor de uitleg van artikel 6 onder e Rv. Dit betekent echter niet dat die rechtspraak altijd maatgevend is voor de uitleg van artikel 6 onder e Rv.
Rechtsverhouding kwalificeert als een verbintenis uit onrechtmatige daad
Voor de beoordeling van de vraag of de Nederlandse rechter in dit geval op grond van artikel 6 onder e Rv rechtsmacht toekomt, moet eerst worden vastgesteld of de rechtsverhouding die [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag legt, kwalificeert als een onrechtmatige daad zoals bedoeld in artikel 6 onder e Rv. Benadrukt wordt dat het daarbij gaat om de rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagden] en dus niet om de rechtsverhouding tussen [eiser] en de mogelijke oplichter(s).
Of de door [eiser] gestelde rechtsverhouding kwalificeert als een onrechtmatige daad moet worden bepaald aan de hand van het Nederlandse recht en in het bijzonder artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtsmacht wordt in dit geval bepaald aan de hand van nationaal (Nederlands) recht. Het ligt niet voor de hand om voor de uitleg van het begrip “onrechtmatige daad” aan te sluiten bij de veel ruimere uitleg die het Europese Hof van Justitie/Hof van Justitie EU geeft aan dit begrip.
[eiser] voert aan dat [gedaagden] “onrechtmatig” tegenover hem handelt door te weigeren:
1. de NAW gegevens te verstrekken van de gebruiker(s) van het in 2.1 genoemde account, terwijl:a. er een sterk vermoeden is dat deze gebruiker(s) [eiser] heeft (hebben) opgelicht,
b. [gedaagden] over deze gegevens beschikt, en
c. [eiser] door deze weigering van [gedaagden] niet in staat is om een procedure te starten tegen zijn vermoedelijke oplichter(s) en zijn schade op deze vermoedelijke oplichter(s) te verhalen,
2. de transactiegegevens van de account te verstrekken, terwijla. er een sterk vermoeden is dat is dat deze gebruiker(s) [eiser] heeft (hebben) opgelicht, b. [gedaagden] over deze gegevens beschikt, en c. [eiser] door deze weigering niet in staat is om zijn schade in kaart te brengen en in een procedure tegen zijn vermoedelijke oplichter(s) te onderbouwen,
3. de account van de hiervoor bedoelde gebruiker(s) te bevriezen, terwijl a. er een sterk vermoeden is dat deze gebruiker(s) [eiser] heeft (hebben) opgelicht,
b. [gedaagden] op grond van de contractuele relatie met de gebruiker van het account bevoegd is om het account te bevriezen, en c. het dreigend vrijgeven door [gedaagden] van de zich op dat account bevindende cryptovaluta ertoe leidt dat [eiser] geen of minder verhaalsmogelijkheden heeft op zijn vermoedelijke oplichter(s).
De hiervoor onder 1 tot en met 3 genoemde weigeringen van [gedaagden] kwalificeren als een (dreigende) onrechtmatige daad, omdat deze weigeringen in relatie met de onder a tot en met c opgesomde omstandigheden in strijd zijn met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (zie artikel 6:162 lid 2 BW).
Schadebrengend feit heeft zich in Nederland voorgedaan
Dan moet nog worden beoordeeld of het schadebrengend feit zich in Nederland heeft voorgedaan of kan voordoen. Alleen als dat het geval is dan heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 6 onder e Rv rechtsmacht.
Anders dan bij de uitleg van het begrip “onrechtmatige daad” speelt bij de uitleg van het begrip “schadebrengend feit” de Europese rechtspraak over dit begrip wel een rol.
Op grond van deze rechtspraak valt onder het begrip “schadebrengend feit”:
zowel de rechter van de plaats van de schadeveroorzakende handeling (Handlungsort),
als de rechter van de plaats waar de door deze handeling direct ontstane schade zich heeft voorgedaan (het “Erfolgsort”).
De schadeveroorzakende handelingen (ofwel de in 3.10 onder a tot en met c genoemde onrechtmatige weigeringen) vinden in dit geval op de Britse Maagdeneilanden plaats.
Het erfolgsort doet zich in alle drie de gevallen (van onrechtmatige weigering) voor in Nederland.
Het is aannemelijk dat [eiser] door de onrechtmatige weigeringen (kans)schade lijdt. De weigeringen ontnemen hem de kans om een procedure tegen de mogelijke oplichter(s) te starten, de schade met succes te onderbouwen, en de (volledige) schade op deze oplichter(s) te verhalen.
De door de onrechtmatige weigeringen van [gedaagden] direct ontstane (kans)schade doet zich voor in Nederland. [eiser] woont in Nederland en heeft daar zijn centrum van vermogen. Meespeelt verder dat [gedaagden] een wereldwijd actief platform is en dat het voor [gedaagden] gelet op de aard van haar werkzaamheden redelijkerwijs voorzienbaar is dat zij in een ander land wordt gedagvaard voor vorderingen tot afgifte van gegevens (NAW gegevens en transactieoverzichten) en bevriezing van het account van een derde (freezing order) en daarmee samenhangende vorderingen.
Inhoudelijke beoordeling 3.18. Dan is aan de orde de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiser] .
Maatstaf: toewijzing vorderingen tenzij onrechtmatig of ongegrond
In het kader van een verstek geldt dat de vorderingen moeten worden toegewezen, tenzij deze onrechtmatig of ongegrond voorkomen (zie artikel 139 Rv).
Toepasselijk recht 3.20. Voor de beoordeling van de vraag of de vorderingen onrechtmatig of ongegrond voorkomen is in dit geval nog van belang aan de hand van welk recht dit moet worden beoordeeld: het Nederlands recht of het recht van de Britse Maagdeneilanden. De uitkomst is dat dit het Nederlandse recht is.
Het toepasselijke recht moet worden bepaald aan de hand van de Rome II verordening. Deze verordening heeft een universeel karakter (zie artikel 3 Rome II Verordening). Op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Rome II Verordening is in dit geval het Nederlandse recht van toepassing. Die hoofdregel houdt in dat het recht van het land waar de schade zich voordoet van toepassing is, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Uit wat hiervoor onder de rechtsmacht is overwogen, volgt dat de schade zich in Nederland voordoet. Niet gebleken is dat sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 4 lid 2 en 3 Rome Verordening.
Volgens de hoofdregel is dus het Nederlandse recht van toepassing.
Toewijzing vorderingen
De vorderingen van [eiser] worden op de in de beslissing te noemen manier toegewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde dwangsommen. Alleen de dwangsom die is gevorderd in verband met het verbod om de gebruiker(s) van het account vooraf van de bevriezing van het account op de hoogte te brengen, wordt gedeeltelijk toegewezen. Het gaat hier niet om een verbod dat gerepareerd kan worden door alsnog na te komen zodat er geen dwangsom kan worden toegewezen voor de situatie dat de overtreding voortduurt.
Proceskosten
[eiser] heeft in de dagvaarding uitdrukkelijk verzocht om [gedaagden] niet in de proceskosten te veroordelen. Dat wordt daarom niet gedaan.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om binnen vier dagen na kennisgeving van dit vonnis en de Engelse vertaling daarvan per e-mail of betekening, aan [eiser] mede te delen de volledige voornamen, achternaam, het adres, de postcode en de woonplaats, de nationaliteit en het emailadres van de gebruiker(s) die op zijn of haar naam heeft staan het account dat gekoppeld is aan:
- depositadres: [nummer] , en/of
- de verwerkte transacties met de navolgende transactiehashes:
[nummer]
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 25.000,- voor overtreding van de veroordeling genoemd in 4.1. te vermeerderen met een dwangsom van € 25.000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt,
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om, binnen twee dagen na kennisgeving van dit vonnis en de Engelse vertaling daarvan per email of betekening, het onder 4.1 bedoelde account te bevriezen en bevroren te houden, onder de voorwaarde dat [eiser] binnen vier maanden na bekendmaking van de onder 4.1. bedoelde informatie een procedure start tegen de bedoelde gebruiker(s),
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 25.000,- voor overtreding van de veroordeling genoemd in 4.3. te vermeerderen met een dwangsom van € 25.000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt,
verbiedt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] om de gebruiker(s) van het account vooraf op de hoogte te brengen van de in 4.3. bedoelde bevriezing van het in 4.1. bedoelde account,
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 25.000,- voor overtreding van de veroordeling genoemd in 4.5.,
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om, binnen vier dagen na het geven van uitvoering aan de in 4.3. genoemde veroordeling, aan [eiser] opgave te doen van het aantal en de soort cryptovaluta en/of liquiditeiten die door de bevriezing van de onder 4.1. bedoelde account zijn getroffen en een gedateerde schermafbeelding van het bevroren account bij te voegen,
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 25.000,- voor overtreding van de veroordeling genoemd in 4.7. te vermeerderen met een dwangsom van € 25.000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt,
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om, binnen vier dagen na toezending van dit vonnis per e-mail of betekening, transactieoverzichten aan [eiser] te verstrekken over de periode 26 augustus 2025 tot en met de datum van bekendmaking van het vonnis,
veroordeelt [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 25.000,- voor overtreding van de veroordeling genoemd in 4.9. te vermeerderen met een dwangsom van € 25.000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
4374