RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 12079505 UC EXPL 26-823 RvdH/1037
Vonnis van 1 april 2026
inzake
[eiser] ,
wonende in [woonplaats] (Zweden),
hierna te noemen: [eiser] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. J. Bouter,
tegen:
[gedaagde] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. G. Gabrelian.
1. De procedure
[eiser] heeft [gedaagde] gedagvaard. De dagvaarding is voorzien van producties 1 tot en met 7, met uitzondering van productie 6. Die productie ontbrak en [eiser] heeft die later toegestuurd. [gedaagde] heeft gevraagd om uitstel voor het geven van antwoord, maar vervolgens niet binnen de daarvoor gegeven (uitgestelde) termijn geantwoord.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.
2. De kern van de zaak
[gedaagde] huurde een kamer van [eiser] . [gedaagde] heeft de huurcommissie verzocht om de aanvangshuurprijs te toetsen. De voorzitter van de huurcommissie heeft uitspraak gedaan en die is op 29 december 2023 verzonden. [eiser] is het niet eens met de uitspraak van de voorzitter van de huurcommissie en hij heeft zich daarom tot de kantonrechter gewend en gevorderd dat die de uitspraak vernietigt en een verklaring voor recht geeft over de huurprijs.
3. De beoordeling
De Nederlandse rechter is bevoegd en het Nederlands recht is van toepassing
Omdat [eiser] in Zweden woonachtig is en de vordering daardoor een internationaal karakter draagt, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend op grond van artikel 24 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX-Vo 2012), nu het gehuurde in Nederland (Utrecht) is gelegen.
Ten aanzien van het op de onderhavige vordering toepasselijke recht overweegt
de kantonrechter, dat uit de onweersproken stellingen van [eiser] volgt dat op
de vordering het Nederlands recht van toepassing is.
[eiser] is niet-ontvankelijk in zijn vorderingen
De kantonrechter verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen, omdat hij die te laat heeft ingediend.
Op grond van artikel 20 lid 6 Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (hierna: Uhw) kan een van de partijen binnen drie weken na verzending van de uitspraak van de voorzitter van de Huurcommissie in verzet gaan bij de huurcommissie. De Hoge Raad heeft daarnaast bepaald dat het na een voorzittersuitspraak ook mogelijk is om binnen acht werken in verzet te gaan bij de kantonrechter, zonder eerst verzet in te stellen bij de huurcommissie.
[eiser] heeft beide termijnen ongebruikt gelaten, naar eigen zeggen omdat hij pas op 4 december 2025 heeft kennisgenomen van de uitspraak, via de toenmalige advocaat van [gedaagde] . Anders dan in een verzetprocedure na een dagvaarding, kent de procedure na een uitspraak van (de voorzitter van) de huurcommissie niet de mogelijkheid om de start van de verzettermijn te laten aanvangen op de het moment waarop de partij (heeft laten weten dat hij) bekend is met de inhoud van de uitspraak. [eiser] voert aan dat hem de kans op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM is onthouden, maar daarvoor ziet de kantonrechter geen aanknopingspunten. Dat [eiser] pas na de wettelijke termijnen door toedoen van de (voorzitter van de) huurcommissie en/of de huurder, kennis heeft kunnen nemen van de procedure en/of uitspraak is namelijk niet gesteld en acht de kantonrechter niet aannemelijk. Uit de overgelegde uitspraak in een soortgelijke zaak blijkt namelijk dat [eiser] vaker met de huurcommissie van doen heeft en de contacten dan via zijn administratiebureau liepen. Voor de hand ligt dat dit in dit geval ook zo is geweest. [eiser] heeft bovendien aangevoerd dat hij enige tijd geleden is getroffen door een herseninfarct waardoor hij zijn zaken niet heeft kunnen waarnemen. Dat zou ook de reden zijn geweest dat hij de borg waarop [gedaagde] recht had bij het verlaten van het gehuurde niet tijdig heeft terug betaald. Omdat [gedaagde] het gehuurde al verlaten had op het moment dat de voorzitter van de huurcommissie een oordeel in deze zaak moest geven, zou dus het niet reageren op de huurcommissie te wijten kunnen zijn geweest aan de gestelde ziekte van [eiser] . Dat is een omstandigheid die voor zijn risico moet blijven. Zeker omdat dit niet verklaart waarom [eiser] nadien wel in staat is gebleken actie te ondernemen in de soortgelijke zaak die hij aanhaalt.
De voorzittersuitspraak met verzenddatum 29 december 2023 blijft daarom in stand. De kantonrechter stelt geen huurprijs vast en een verwijzing terug naar de huurcommissie is niet mogelijk. [eiser] wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
Omdat [eiser] in het ongelijk is gesteld, moet hij de proceskosten van [gedaagde] betalen en die worden begroot op nihil.
4. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.