RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11957544 \ MC EXPL 25-6049
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] (Zweden),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. D. Rezaie,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
[eiser] heeft op 31 oktober 2025 [gedaagde] gedagvaard om voor de kantonrechter te verschijnen. Daarbij heeft [eiser] drie producties meegestuurd. [gedaagde] heeft mondeling op de dagvaarding geantwoord. Daarbij heeft [gedaagde] twee bijlagen overgelegd. De kantonrechter heeft besloten dat de zaak op een zitting verder besproken moet worden.
De zaak is op 26 februari 2026 bij de kantonrechter besproken. [eiser] was verschenen. [eiser] werd bijgestaan door mr. Rezaie en zijn tolk de heer D. Hosseini (hierna: Hosseini). [eiser] , mr. Rezaie en Hosseini hebben via een Teams verbinding deelgenomen aan de mondelinge behandeling. [gedaagde] was verschenen. Zij werd vergezeld door haar echtgenoot de heer [A] (hierna: [A] ) en haar schoonzus [B] , die als tolk voor [gedaagde] en [A] optrad. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag schriftelijk uitspraak wordt gedaan.
2. De kern van het geschil
[eiser] heeft van een geldwisselkantoor in Iran het verzoek gekregen om een bedrag van € 4.000,00 over te maken naar de Nederlandse bankrekening van [gedaagde] . [gedaagde] heeft het geld ontvangen en weer doorgestort naar [A] . Die heeft op zijn beurt het geld doorgestort naar een derde partij. Het geld is door die derde partij overgemaakt aan een universiteit in Finland. [eiser] wil dat [gedaagde] hem het bedrag van € 4.000,00, met rente en kosten, terugbetaalt. Volgens [eiser] is [gedaagde] primair tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting uit de tussen partijen gesloten overeenkomst. Subsidiair stelt [eiser] dat er sprake is van onverschuldigde betaling en meer subsidiair is er sprake van ongerechtvaardigde verrijking. [gedaagde] is het om verschillende redenen niet eens met de vorderingen van [eiser] .
De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk. [gedaagde] hoeft het bedrag van € 4.000,00 niet aan [eiser] te betalen. [eiser] wordt in de proceskosten van [gedaagde] veroordeeld. Eerst zal ingegaan worden op de bevoegdheid van de kantonrechter en het toepasselijk recht en daarna volgt de inhoudelijke beoordeling van de vordering van [eiser] .
3. De beoordeling
De Nederlandse rechter is bevoegd
Omdat [eiser] in Zweden woont, zal ambtshalve worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht op het voorliggende geschil van toepassing is. [gedaagde] heeft haar woonplaats in Nederland en Nederland is lidstaat van de Europese Unie. Op grond van de EEX Verordening (EU) Nr. 1215/2012 wordt de gedaagde partij ( [gedaagde] ) in beginsel opgeroepen voor een gerecht van de lidstaat waarin hij woont. Dat betekent dat de Nederlandse rechter in dit geval rechtsmacht heeft. Gelet op de woonplaats van [gedaagde] is de kantonrechter van deze rechtbank bevoegd om van de vordering kennis te nemen.
Het Nederlands recht is van toepassing
De vraag welk recht van toepassing is moet worden beantwoorden aan de hand van de toepasselijke Verordening (EU) nr. 593/2008. Niet gesteld of gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben gedaan. Artikel 4 van de Verordening (EG) Nr. 593/2008 bepaalt in dat geval dat het Nederlands recht van toepassing is.
[gedaagde] hoeft geen € 4.000,00 aan [eiser] te betalen
Geen sprake van wanprestatie
[eiser] stelt dat [gedaagde] hem het bedrag van € 4.000,00 moet betalen. Volgens [eiser] is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting uit de overeenkomst van levering van diensten (wanprestatie). Op de zitting heeft [eiser] toegelicht dat [gedaagde] heeft nagelaten aan het geldwisselkantoor in Iran door te geven dat zij het geld van [eiser] heeft ontvangen. Doordat [gedaagde] dit niet aan het geldwisselkantoor heeft gemeld, heeft [eiser] van het geldwisselkantoor nog niet het bedrag van € 4.000,00 in Iraanse Rial in Iran terugontvangen. Daarom moet [gedaagde] hem het bedrag in euro’s nu terugbetalen. De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van wanprestatie door [gedaagde] en wel om het volgende.
[gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat zij tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst. Volgens [gedaagde] bestaat er tussen partijen geen overeenkomst van levering van diensten. Zij heeft nooit een overeenkomst met [eiser] gesloten. Zij kent [eiser] niet en heeft hem ook nooit gezien. Zij is dan ook niet bekend met enige verplichtingen tegenover [eiser] . Dat zij de verplichting zou hebben gehad om aan het geldwisselkantoor te melden dat zij het geld van [eiser] heeft ontvangen, zoals [eiser] stelt, is onjuist. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] had het wel op de weg van [eiser] gelegen om zijn standpunt dat die verplichting op [gedaagde] rustte nader te onderbouwen. Dat heeft [eiser] niet gedaan. De kantonrechter stelt vast dat niet vast is komen te staan dat [gedaagde] tegenover [eiser] tekortgeschoten is in de nakoming van enige verplichting uit een overeenkomst.
De vordering tot betaling van het bedrag van € 4.000,00 op grond van wanprestatie wordt afgewezen.
Geen sprake van onverschuldigde betaling
Subsidiair stelt [eiser] dat [gedaagde] het geldbedrag van € 4.000,00 onverschuldigd heeft ontvangen (6:203 BW). De kantonrechter is van oordeel dat van onverschuldigde betaling eveneens geen sprake is.
Vaststaat dat [eiser] in het kader van de geldwissel het bedrag van € 4.000,00 naar [gedaagde] heeft overgemaakt. [gedaagde] zou dit bedrag vervolgens doorstorten. Dat heeft [gedaagde] gedaan. Er was dus een grondslag voor de betaling van [eiser] aan [gedaagde] . Van onverschuldigde betaling is dan ook geen sprake.
De vordering tot betaling van het bedrag van € 4.000,00 op grond van onverschuldigde betaling wordt afgewezen.
Geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking
Meer subsidiair stelt [eiser] dat [gedaagde] met de ontvangst van het bedrag van € 4.000,00 ongerechtvaardigd is verrijkt (6:212 BW). De kantonrechter is van oordeel dat van ongerechtvaardigde verrijking geen sprake is.
[gedaagde] heeft onderbouwd gesteld dat zij geen voordeel heeft genoten van de betaling. Na ontvangst van het geldbedrag van € 4.000,00 van [eiser] heeft zij het geldbedrag direct doorgestort naar [A] . Die heeft het geld op zijn beurt weer doorgestort naar een derde partij. Uiteindelijk is de betaling verricht aan de universiteit in Finland. Daarbij heeft [gedaagde] verwezen naar de bankafschriften in bijlage 2 bij haar conclusie van antwoord. [eiser] heeft dit alles onvoldoende weersproken. De kantonrechter stelt vast dat niet vast is komen te staan dat [gedaagde] is verrijkt met de betaling van € 4.000,00 van [eiser] , zodat van ongerechtvaardigde verrijking geen sprake is.
De vordering tot betaling van het bedrag van € 4.000,00 op grond van ongerechtvaardigde verrijking wordt afgewezen.
Conclusie
Het voorgaande leidt er toe dat de hoofdsom wordt afgewezen. Dit betekent dat [gedaagde] het bedrag van € 4.000,00 niet aan [eiser] hoeft te betalen.
De nevenvorderingen worden ook afgewezen
Omdat de hoofdsom is afgewezen, worden ook de nevenvorderingen die zien op de buitengerechtelijke incassokosten en de verschenen rente afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
[eiser] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). [gedaagde] heeft zelf, zonder gemachtigde, geprocedeerd. Op grond van het bepaalde in artikel 238 lid 1 Rv komen dan voor vergoeding in aanmerking de noodzakelijke reis-, verblijf- en verletkosten. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [gedaagde] tot vandaag vast op € 100,00 (2 x € 50,00) in verband met het bijwonen van de rolzitting van 12 november 2025 en de mondelinge behandeling op 26 februari 2026.
De nakosten worden als hierna in de beslissing vermeld toegewezen.
4. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 100,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] ook de kosten van betekening betalen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
HHt/37278