RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11979232 \ MC EXPL 25-6407
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Trust Krediet Beheer B.V.,
tegen
[gedaagde] , handelende onder de naam [handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 november 2025 met producties 1 tot en met 4;- de conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek met producties 5 tot en met 9;- de conclusie van dupliek.
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.
2. De kern van de zaak
[eiseres] heeft een huurovereenkomst met [gedaagde] gesloten voor een reclameruimte op een lichtmast. De huurovereenkomst is aangegaan voor vijf jaren. De jaarlijkse huurprijs is € 1.795,00 exclusief btw / € 2.171,95 inclusief btw. Na het sluiten van de huurovereenkomst heeft [gedaagde] aangegeven geen gebruik te willen maken van de overeengekomen reclameruimte voordat de plaatsing daadwerkelijk had plaatsgevonden. Op grond van de algemene voorwaarden is [gedaagde] gehouden om in dat geval een eenmalige afkoopsom ter hoogte van éénmaal de overeengekomen jaarhuur aan [eiseres] te betalen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. [eiseres] wil dat [gedaagde] het bedrag van € 2.171,95, met rente en kosten, alsnog betaalt. [gedaagde] is het om verschillende redenen niet eens met de vordering van [eiseres] .
De kantonrechter geeft [eiseres] gelijk. [gedaagde] moet het bedrag van € 2.171,95 met wettelijke handelsrente betalen. De buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten worden afgewezen.
3. De beoordeling
[gedaagde] moet het bedrag van € 2.171,95 aan [eiseres] betalen
[eiseres] heeft haar vordering gebaseerd op de tussen partijen gesloten overeenkomst en de daarbij behorende algemene voorwaarden. [eiseres] meent dat [gedaagde] op grond van artikel 3.6. van de algemene voorwaarden gehouden is haar het bedrag van € 2.171,95 te betalen, omdat [gedaagde] vóór plaatsing van de reclame-uiting te kennen heeft gegeven geen gebruik te willen maken van de reclameruimte. [gedaagde] heeft diverse gronden aangevoerd op grond waarvan [gedaagde] meent dat de overeenkomst en/of algemene voorwaarden vernietigbaar zijn. De kantonrechter gaat niet mee met wat [gedaagde] heeft aangevoerd. De kantonrechter is van oordeel dat de overeenkomst en de algemene voorwaarden tussen partijen in stand blijven. [gedaagde] moet het bedrag van € 2.171,95 aan [eiseres] betalen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
Er is geen sprake van dwaling
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van [eiseres] . [gedaagde] stelt dat de huurovereenkomst onder dwaling tot stand is gekomen (artikel 6:228 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). Volgens [gedaagde] is er geen uitleg gegeven over de kosten, de duur, de verplichtingen, annuleringsmogelijkheden of algemene voorwaarden. Hij is de Nederlandse taal verder ook niet machtig, wat tot dit misverstand heeft geleid en hem heeft verhinderd om te begrijpen wat hij heeft getekend. [gedaagde] doet in dat kader een beroep op vernietiging van de huurovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat van dwaling geen sprake is en wel om het volgende.
De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] een beroep doet op artikel 6:228 lid 1 onder b BW. Artikel 6:228 lid 1 onder b BW bepaalt dat een overeenkomst vernietigbaar is wanneer die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, als de wederpartij in verband met wat zij over de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten. De stelplicht en bewijslast hiervan ligt op [gedaagde] . Daar heeft [gedaagde] niet aan voldaan.
[eiseres] heeft onderbouwd gesteld dat de overeenkomst op zorgvuldige en reguliere wijze tot stand is gekomen. Er was geen sprake geweest van een éénmalig, gehaast of druk staand verkoopmoment. Integendeel, [eiseres] had uitdrukkelijk rekening gehouden met de taalbarrière van [gedaagde] en de inhoud van de overeenkomst in duidelijke bewoordingen met [gedaagde] besproken. Volgens [eiseres] volgt uit de dossierlogs bovendien dat al sinds 2023 contact bestond met [gedaagde] over de overeenkomst (zie productie 5 van [eiseres] ). De overeenkomst was omstreeks juli 2023 aan [gedaagde] toegezonden, waarna er meerdere contactmoment waren ingepland voordat tot ondertekening was overgegaan. Een eerste afspraak vond plaats op 7 juni 2024 in de praktijk van [gedaagde] (zie productie 6 van [eiseres] ). Tijdens deze afspraak was [gedaagde] uitgebreid geïnformeerd over de diensten van [eiseres] en de daaraan verbonden overeenkomst. [gedaagde] had toen expliciet aangegeven over het aanbod te willen nadenken. De overeenkomst was die dag niet gesloten. Pas bij een vervolgafspraak op 25 oktober 2024 had [gedaagde] definitief de overeenkomst ondertekend. De gesprekken waren in het Engels gevoerd. Zowel de vertegenwoordiger van als ook [gedaagde] beheersten het Engels op voldoende tot goed niveau. Tijdens de contactmomenten zou [gedaagde] te kennen hebben gegeven het aanbod te begrijpen en had [gedaagde] actief meegedacht over de invulling van de reclame. [eiseres] meent, gelet op het voorgaande, dat [gedaagde] op correcte wijze was geïnformeerd en had de overeenkomst welbewust en met voldoende inzicht in de inhoud daarvan aangegaan.
Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft [gedaagde] slechts in algemene bewoordingen gesteld dat er sprake zou zijn van dwaling, maar dat is onvoldoende. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn standpunt op dit punt nader toe te lichten. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Bovendien is een eventuele taalbarrière een omstandigheid dat in de risicosfeer van [gedaagde] ligt en kan [eiseres] niet tegengeworpen worden.
Het bovenstaande leidt ertoe dat niet vast is komen te staan dat er sprake is dwaling. Het beroep op dwaling faalt dan ook.
Er is geen sprake van misleidende of agressieve handelspraktijken
[gedaagde] stelt dat de overeenkomst vernietigbaar is, omdat er sprake zou zijn van misleidende of agressieve handelspraktijken (artikelen 6:193a – 6:193j BW). Hij heeft de huurovereenkomst onder tijdsdruk moeten ondertekenen. De kantonrechter is van oordeel dat van misleidende of agressieve handelspraktijken geen sprake is en wel om het volgende.
Nog daargelaten dat [eiseres] gemotiveerd dit standpunt van [gedaagde] heeft betwist (zie hiervoor onder 3.4.), heeft [gedaagde] zijn standpunt dat er sprake zou zijn van misleidende of agressieve handelspraktijken onvoldoende toegelicht en/of onderbouwd. Dit had wel op de weg van [gedaagde] gelegen om dit te doen, maar dat heeft [gedaagde] nagelaten.
Het bovenstaande leidt ertoe dat niet vast is komen te staan dat er sprake is van misleidende of agressieve handelspraktijken. Het beroep op misleidende of agressieve handelspraktijken faalt dan ook.
Er is geen sprake van misbruik van omstandigheden
[gedaagde] stelt dat de overeenkomst vernietigbaar is, omdat er sprake zou zijn van misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW). Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] gebruik gemaakt van zijn kwetsbare positie, in dit geval zijn beperkte taalvaardigheid en gebrek aan begrip. De kantonrechter is van oordeel dat van misbruik van omstandigheden eveneens geen sprake is en wel om het volgende.
[eiseres] heeft gemotiveerd betwist dat zij misbruik van de taalbarrière heeft gemaakt. [eiseres] heeft gesteld dat zij juist rekening heeft gehouden met de taalbarrière door de gesprekken in het Engels te voeren. [gedaagde] heeft dit niet weersproken. Dat [eiseres] misbruik van de taalbarrière zou hebben gemaakt en [gedaagde] heeft bewogen de overeenkomst te ondertekenen, is de kantonrechter dan ook niet gebleken. [gedaagde] heeft zijn standpunt op dit punt ook niet nader onderbouwd.
Het bovenstaande leidt ertoe dat niet vast is komen te staan dat er sprake is van misbruik van omstandigheden. Het beroep op misbruik van omstandigheden faalt dan ook.
Het beroep op redelijkheid en billijkheid faalt
[gedaagde] heeft een beroep op de redelijkheid en billijkheid gedaan vanwege de taalbarrière (artikel 6:248 BW). [gedaagde] verwijt [eiseres] dat zij geen redelijke inspanning heeft geleverd om begrip te waarborgen. Ook dit beroep van [gedaagde] faalt en wel om het volgende.
Zoals hiervoor is overwogen is een eventuele taalbarrière een omstandigheid die in de risicosfeer van [gedaagde] ligt. [gedaagde] heeft ook een risico genomen door als ondernemer een overeenkomst te tekenen terwijl hij kennelijk niet precies begrijpt wat die overeenkomst inhoudt. [eiseres] heeft aangevoerd dat al in juli 2023 de overeenkomst aan [gedaagde] was toegestuurd en dat die op 25 oktober 2024 pas is ondertekend. [gedaagde] had dus alle tijd om de overeenkomst door te lezen met iemand die de Nederlandse taal begrijpt of om de overeenkomst via internet te laten vertalen.
Tussenconclusie
De door [gedaagde] aangevoerde gronden leiden niet tot vernietiging van de overeenkomst tussen partijen. De huurovereenkomst tussen partijen blijft dus in stand.
Het beroep op vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden faalt
De kantonrechter stelt voorop dat als onweersproken vaststaat dat partijen de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [eiseres] zijn overeengekomen. [gedaagde] heeft zich echter op het standpunt gesteld dat de algemene voorwaarden moeten worden vernietigd, omdat de algemene voorwaarden niet aan hem ter hand zijn gesteld. De kantonrechter gaat hier niet in mee en wel om het volgende.
Uit de wet volgt dat de gebruiker van algemene voorwaarden aan de wederpartij een redelijke mogelijkheid moet bieden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen (artikel 6:233 aanhef en sub b BW). In artikel 6:234 BW is ‘het bieden van een redelijke mogelijkheid om van de algemene voorwaarden kennis te nemen’ uitgewerkt. Daaronder valt de letterlijke terhandstelling, maar ook het langs elektronische weg toegankelijk maken of langs elektronische weg ter beschikking stellen op zodanige wijze dat de algemene voorwaarden kunnen worden opgeslagen voor latere kennisneming (artikel 6:234 lid 1 en 2 BW). [eiseres] heeft haar algemene voorwaarden naar het oordeel van de kantonrechter voldoende toegankelijk gemaakt, in ieder geval door middel van de QR-code bij de huurovereenkomst. Daar komt bij dat uit de huurovereenkomst volgt dat [gedaagde] heeft getekend, althans een vinkje heeft gezet, voor het behoorlijk kennis te hebben genomen van de algemene voorwaarden en deze onvoorwaardelijk te hebben geaccepteerd. Ook heeft [gedaagde] met de ondertekening uitdrukkelijk toestemming gegeven om via elektronische weg (QR-code) kennis te nemen van de algemene voorwaarden. Dat de QR-code op pagina 2 van de overeenkomst, zoals [gedaagde] heeft gesteld, achteraf is toegevoegd, is de kantonrechter niet gebleken. Temeer in de overeenkomst op pagina 1, waarvan [gedaagde] de inhoud daarvan niet heeft betwist, is verwezen naar de QR-code voor het raadplegen van de algemene voorwaarden. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] voldoende heeft gesteld om aan te nemen dat pagina 2 van de overeenkomst – waarop de QR-code is vermeld – niet achteraf is toegevoegd. [gedaagde] heeft onvoldoende tegenover gesteld om daar anders over te denken. De kantonrechter stelt dan ook vast dat de algemene voorwaarden voor of bij de totstandkoming van de overeenkomst wél aan [gedaagde] ter hand zijn gesteld.
Het beroep op vernietiging van de algemene voorwaarden, omdat ze niet ter hand zouden zijn gesteld, wordt dan ook verworpen.
De conclusie
Omdat de overeenkomst tussen partijen en de algemene voorwaarden in stand blijven en [gedaagde] niet heeft betwist dat hij vóór plaatsing te kennen heeft gegeven geen gebruik te willen maken van de reclameruimte, is [gedaagde] gehouden een eenmalige afkoopsom ter hoogte van één jaarhuur van € 2.171,95 aan [eiseres] te betalen. De vordering tot betaling van € 2.171,95 wordt dan ook toegewezen.
[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente betalen, maar niet de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten
[gedaagde] is rauwelijks gedagvaard
[gedaagde] stelt dat hij, afgezien van een e-mail waarin hem verzocht was een logo aan te leveren, nooit een herinnering of bericht van [eiseres] heeft ontvangen. Meer dan anderhalf jaar later heeft hij onverwachts de dagvaarding ontvangen. De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde] zo dat [gedaagde] meent dat hij rauwelijks is gedagvaard. Dit verweer van [gedaagde] slaagt en de kantonrechter overweegt als volgt.
Met toepassing van de zogenoemde ontvangsttheorie, zoals opgenomen in artikel 3:37 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), heeft een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring alleen werking wanneer vast staat dat die verklaring de betrokken persoon ook daadwerkelijk heeft bereikt. Als de ontvangst van de verklaring wordt betwist, moet de afzender feiten en omstandigheden stellen – en zo nodig te bewijzen – waaruit volgt dat de verklaring door haar is verzonden naar een adres waarvan zij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar kon worden bereikt én dat de verklaring is aangekomen.
Gelet op de betwisting van [gedaagde] , had het op de weg van [eiseres] gelegen om haar standpunt – dat de factuur, herinneringen en/of sommaties naar [gedaagde] zijn verzonden –, [gedaagde] wél hebben bereikt – op dit punt nader te onderbouwen. Dat heeft [eiseres] niet gedaan. Als [eiseres] er zeker van had willen zijn dat haar brieven [gedaagde] zouden bereiken, had [eiseres] de brieven aangetekend per post / per e-mail moeten versturen. Dit heeft [eiseres] echter nagelaten, ook nadat zij geen reactie van [gedaagde] had ontvangen.
Het bovenstaande leidt ertoe dat niet vast is komen te staan dat de correspondentie van [eiseres] [gedaagde] hebben bereikt. [gedaagde] is dan ook rauwelijks gedagvaard.
De wettelijke handelsrente
[gedaagde] is te laat met de betaling van het bedrag van € 2.717,95. De wettelijke handelsrechte wordt toegewezen vanaf datum van dit vonnis, omdat, zoals hiervoor is overwogen, niet is gebleken dat de correspondentie van [eiseres] voorafgaand aan deze procedure [gedaagde] heeft bereikt. Hierdoor was [gedaagde] niet eerder op de hoogte geraakt van de vordering van [eiseres] op hem dan door de dagvaarding in deze zaak.
De buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten worden afgewezen
Omdat er sprake is van rauwelijks dagvaarden, ziet de kantonrechter aanleiding om de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten af te wijzen.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 2.171,95, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 1 april 2026 tot de voldoening,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
HHt/37278