RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2026 in de zaken tussen
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 26/1978 en UTR 26/1980
1. Fine Cooking Beheer B.V.gevestigd in Vianen,
2. [verzoeker sub 2] V.O.F.gevestigd in [vestigingsplaats]
verzoekers,
(gemachtigde: mr. R.M. Königel-de Pijper),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. J.A. Duijster).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), vergunninghouder.
(gemachtigde: J. Meijer)
1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de tijdelijke omgevingsvergunning die het college heeft verleend aan het COA voor het realiseren van een tijdelijke noodopvanglocatie voor de duur van twee jaar in de bestaande kantoorpanden aan de ir. D.S. Tuijnmanweg 1d en 3 in Vianen (hierna: de noodopvanglocatie). Verzoekers zijn het hier niet mee eens en verzoeken de voorzieningenrechter daarom om deze omgevingsvergunning te schorsen tot zes weken nadat het college op de bezwaren heeft beslist.
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt. Haar oordeel heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Procesverloop
3. Het COA heeft op 17 oktober 2025 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van de noodopvanglocatie. Het college heeft, nadat de raad van de gemeente Vijfheerenlanden op 16 december 2025 een positief bindend advies heeft gegeven, met het besluit van 19 december 2025 de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
4. Verzoekers zijn het niet eens met deze vergunning en hebben verzoeken om een
voorlopige voorziening ingediend.
5. De voorzieningenrechter heeft beide verzoeken op 31 maart 2026 op zitting behandeld.
Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers samen met
mr. A.J. Surewaard, de gemachtigde van het college samen met [A] ,
[B] , [C] en [D] en de gemachtigde van het COA samen met
[E] en [F] .
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wettelijk kader
6. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Partijen zijn het er over eens dat het realiseren van de noodopvanglocatie in strijd is met het bestemmingsplan De Biezen - De Hagen, dat nu tijdelijk deel uitmaakt van het Omgevingsplan gemeente Vijfheerenlanden (het omgevingsplan). Dat betekent dat voor het vergunnen van de noodopvanglocatie moet worden afgeweken van het omgevingsplan (de buitenplanse omgevingsplanactiviteit). Artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het college heeft de aanvraag ook nog getoetst aan het Paraplubestemmingsplan Archeologie Vijfheerenlanden en het Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren.
Omvang van de toetsing
7. Een voorlopige voorziening is een spoedmaatregel om te voorkomen dat er onomkeerbare dingen gebeuren als gevolg van een besluit, voordat op het bezwaar is beslist. Het gaat in deze zaken om verzoeken die zijn ingediend tijdens de bezwaarprocedure.
Dit betekent dat de voorzieningenrechter alleen voor de duur van de bezwaarprocedure een voorlopige voorziening kan treffen. In die periode moet dus sprake zijn van een situatie waarbij onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening noodzakelijk maakt om te voorkomen dat onomkeerbare gevolgen van het besluit ontstaan.
8. Het college heeft tijdens de zitting verklaard dat er zo’n 75 bezwaren zijn ingediend en dat naar verwachting half mei 2026 een beslissing op deze bezwaren zal worden genomen.
Ook de planning van de werkzaamheden aan de panden en de uitbreiding van het aantal asielzoekers is tijdens de zitting besproken. Het COA heeft verklaard dat er op dit moment 45 asielzoekers worden opgevangen en dat dit aantal niet zal worden uitgebreid totdat de gebouwen worden opgeleverd. De streefdatum voor deze oplevering is begin juni 2026 en daarna zullen vanaf medio juni 2026 geleidelijk meer asielzoekers worden ontvangen. Totaal kunnen in de noodopvanglocatie 250 asielzoekers worden opgevangen.
9. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan de verklaringen van het college en het COA te twijfelen. Dat betekent dat zij voor haar beoordeling van de verzoeken uitgaat van de huidige situatie waarin 45 asielzoekers worden opgevangen. Verder bespreekt zij alleen de argumenten van verzoekers die zien op parkeren, verkeer(smaatregelen), geluid en milieuzonering, omdat verzoekers tijdens de zitting hebben verklaard dat de overige onderwerpen van hun bezwaren door het college kunnen worden meegenomen in zijn heroverweging.
10. Bij haar beoordeling stelt de voorzieningenrechter voorop dat zij uit wat verzoekers hebben aangevoerd en wat tijdens de zitting is besproken, niet de indruk heeft gekregen dat op basis van dit aantal asielzoekers een situatie voor verzoekers is ontstaan, die maakt dat een spoedmaatregel moet worden getroffen om te voorkomen dat tot de beslissing op de bezwaren onomkeerbare dingen gebeuren. Met dat uitgangspunt zal zij de argumenten van verzoekers hierna bespreken.
Parkeren
11. Verzoekers voeren aan dat uit de besluitvorming niet kan worden afgeleid hoeveel parkeerplaatsen volgens het college daadwerkelijk nodig zijn voor dit plan. De verleende omgevingsvergunning gaat uit van 61 plaatsen en wijkt daarmee af van de ruimtelijke onderbouwing en ook van de gegevens van het COA. Volgens verzoekers blijft ook onduidelijk welk deel van de asielzoekers beschikt over een auto en in hoeverre rekening is gehouden met de parkeerbehoefte van onder andere personeel, bezoekers, leveranciers en vrijwilligers. Verzoekers voeren ook aan dat de 203 parkeerplaatsen die volgens het college beschikbaar zijn bij de noodopvanglocatie niet mogen worden gebruikt voor de opvang. Het bedoelde parkeerterrein maakt volgens de aanvraag geen deel uit van het initiatief en bovendien mogen deze parkeerplaatsen enkel worden gebruikt ten behoeve van een gebruik dat is toegestaan op grond van het bestemmingsplan. En dat laatste is hier niet het geval. Feitelijk zijn er dus helemaal geen parkeerplaatsen beschikbaar, zo stellen verzoekers.
12. De voorzieningenrechter volgt verzoekers hierin niet. Op de bij de vergunning gevoegde tekening van de nieuwe situatie is het parkeerterrein opgenomen en in bijlage 1 van de omgevingsvergunning heeft het college duidelijk vermeld dat voor de parkeerbehoefte is aangesloten bij de norm voor kamerverhuur, wat betekent dat de parkeerbehoefte voor de noodopvanglocatie met 250 asielzoekers 61 parkeerplaatsen is. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende duidelijk dat de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit óók ziet op het parkeerterrein. Het aantal van 61 parkeerplaatsen ligt daarnaast ruim boven het uitgangspunt van één parkeerplaats per tien bewoners dat het COA landelijk hanteert voor asielzoekerscentra in het algemeen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de parkeerbehoefte dan ook niet heeft onderschat. Voor zover verzoekers tijdens de zitting nog hebben gewezen op de parkeerbehoefte van kantoorgebouw 5, overweegt de voorzieningenrechter dat het college dit in de te nemen beslissing op bezwaar nog nader kan motiveren. Zij acht het in ieder geval niet aannemelijk dat met 203 beschikbare parkeerplaatsen niet in de parkeerbehoefte kan worden voorzien. Dat geldt al helemaal nu er tot aan de beslissing op bezwaar ‘slechts’ 45 asielzoekers opgevangen worden. Gelet hierop is er op dit punt geen reden om een voorlopige voorziening te treffen.
Verkeer(smaatregelen)
13. Verzoekers vinden de conclusie van het college dat het plan niet zal leiden tot verkeersoverlast onvoldoende onderbouwd. Het college is niet ingegaan op wat de verkeersgeneratie van het initiatief is en wat de verkeersgeneratie van het planologisch toegestaan gebruik is. Daardoor blijft onduidelijk of er sprake is van een toe- of afname en waarom geen sprake zal zijn van onaanvaardbare verkeershinder. Verder heeft het college te weinig aandacht gehad voor de gevolgen van de grote toename van menselijke aanwezigheid voor doorstroming, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. Het voetpad loopt over de in- en uitrit van het nog te realiseren Bedrijvenpark Brederode en ook daar lijkt het college geen rekening mee te hebben gehouden. Verzoekers maken zich ook zorgen over de verkeersveiligheid rondom de noodopvanglocatie, nu niet alle verkeersmaatregelen zijn overgenomen in de vergunningvoorschriften. Tot slot vinden zij de termijn van zes maanden voor realisatie van de verkeersmaatregelen veel te lang.
14. De voorzieningenrechter ziet ook op dit punt geen reden om de omgevingsvergunning te schorsen. Het standpunt van het college dat het aantal verkeersbewegingen behorend bij de noodopvanglocatie lager zal uitvallen dan dat van de planologisch toegestane bestemmingen, waaronder kantoren en (detailhandels)bedrijven, acht zij redelijk. Verzoekers hebben ook niet onderbouwd waarom de verkeersgeneratie (veel) hoger ligt dan het college heeft berekend. En ook hier geldt dat niet aannemelijk is dat de huisvesting van 45 asielzoekers tot aan de beslissing op bezwaar zal leiden tot een verkeersonveilige situatie. Daaraan voegt de voorzieningenrechter toe dat het college tijdens de zitting heeft verklaard dat inmiddels opdracht is verleend aan een aannemer en dat de uitvoering van de werkzaamheden (zoals de fietssuggestiestrook en de aanleg van voetpad met oversteekplaats) binnen zes tot acht weken afgerond zal zijn.
Geluid en milieuzonering
15. Verzoekers voeren aan dat geen sprake is van aanvaardbaar geluid op geluidgevoelige gebouwen, zoals vereist op grond van artikel 5.78s van het Bkl. Zij wijzen op de geluidsbelasting van 65/64 dB bij gebouw 1d en 69 dB bij gebouw 3, waardoor een niet leefbare situatie ontstaat. Dat, zoals het college stelt, het binnenniveau van 38 dB wordt gehaald, vinden verzoekers onvoldoende om het geluid aanvaardbaar te achten. Verder heeft het college volgens hen onvoldoende rekening gehouden met alle relevante geluiden in de omgeving en evenmin met de geluidruimte die nog beschikbaar zou zijn op het industrieterrein. Ook kunnen verzoekers hun maximale planologische mogelijkheden niet uitoefenen met de komst van de noodopvanglocatie.
16. De voorzieningenrechter stelt vast dat volgens artikel 5.78s van het Bkl tijdelijke geluidgevoelige gebouwen die worden toegelaten nabij geluidbronnen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat moeten hebben. Het college heeft zich, na advies van de Omgevingsdienst regio Utrecht, in het besluit op het standpunt gesteld dat voor de noodopvanglocatie een binnenniveau van 38 dB aanvaardbaar is. Daarbij heeft het college meegewogen dat dat het hier niet gaat om een normale woonfunctie, maar het een tijdelijke opvang van maximaal twee jaar betreft. Ook heeft het college een rol laten spelen dat bij de berekeningen is uitgegaan van een situatie waarin de geluidszone van het industrieterrein vol zou zitten, wat voor de komende twee jaar niet in de lijn der verwachtingen ligt. De voorzieningenrechter kan de redenering van het college volgen. Dat, zoals verzoekers stellen, uitsluitend de geluidsbelasting op de gevel bepaalt of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat blijkt verder nergens uit. Voor zover verzoekers hebben aangevoerd dat de komst van de noodopvanglocatie hun uitbreidingsmogelijkheden belemmert, overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken dat op dit moment sprake is van concrete plannen. Bij de te nemen beslissing op bezwaar kan het college hierop nog nader ingaan.
Belangenafweging door de voorzieningenrechter
17. De voorzieningenrechter stelt vast dat de noodzaak van extra opvangplekken voor asielzoekers door het college en het COA concreet is gemaakt, terwijl niet is gebleken dat de opvang van op dit moment 45 asielzoekers daadwerkelijk tot parkeer- en verkeersoverlast leidt. De voorzieningenrechter laat het algemene belang van opvang van deze 45 asielzoekers daarom in dit geval zwaarder wegen dan het belang van verzoekers, waarbij zij ook meeweegt dat geen sprake is van een onomkeerbare situatie. De verzoeken tot het schorsen van de tijdelijke omgevingsvergunning wijst de voorzieningenrechter dus af.
Conclusie en gevolgen
18. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de omgevingsvergunning in de periode tot de beslissing op bezwaar (naar verwachting rond half mei 2026) te schorsen. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken daarom af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
19. De voorzieningenrechter benadrukt dat dit oordeel is gebaseerd op de omstandigheden zoals die nu zijn en de verwachte situatie tot aan de beslissing op bezwaar. Mocht de beslissing op bezwaar later dan half mei 2026 worden genomen terwijl het aantal op te vangen asielzoekers vanaf medio juni 2026 wel wordt uitgebreid, dan gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat het college verzoekers daarover tijdig informeert. Zij kunnen dan als zij dat willen een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening indienen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: