ECLI:NL:RBMNE:2026:1523

ECLI:NL:RBMNE:2026:1523

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer UTR 25/3946 T en UTR 25/5810 T
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Wabo. Tussenuitspraak. Beroep tegen verleende omgevingsvergunning voor herontwikkeling. Het college heeft met 1,7 meter mogen afwijken van de maximale bouwhoogte van 25 meter in het bestemmingsplan. Het college heeft in de bestreden besluiten de voorwaarde geschrapt dat vergunninghouder huurovereenkomsten voor 20 jaar moet overleggen voor de benodigde parkeerplaatsen. In plaats daarvan gaat het college, in afwijking van de beleidsregels, akkoord met reserveringsovereenkomsten. Het college stelt zich op het standpunt dat de gevolgen van de voorwaarde om huurovereenkomsten voor een periode van minimaal 20 jaar te verstrekken onevenredig zijn voor vergunninghouder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in de bestreden besluiten onvoldoende gemotiveerd dat toepassing van de beleidsregels in dit concrete geval tot onevenredige gevolgen leidt bij vergunninghouder, in verhouding tot de met die beleidsregels te dienen doelen. De bestreden besluiten kennen op dit punt een gebrek. Het college krijgt de gelegenheid het gebrek te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaken tussen

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Silverpoint B.V., uit Hoofddorp,

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 25/3946 T en UTR 25/5810 T

1. [eiser sub 1],

2. [eiser sub 2],

allebei uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. I.H. van den Berg),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder

(gemachtigde: mr. C.M.E. Janssen).

(gemachtigde: mr. D.S.P. Roelands-Fransen).

Partijen worden hierna aangeduid als eiser 1, eiser 2 en gezamenlijk eisers, het college en vergunninghouder.

In deze tussenuitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen twee beslissingen op bezwaar van 4 juni 2025 (de bestreden besluiten), waarin het college heeft beslist op de bezwaren tegen de verleende omgevingsvergunning voor de herontwikkeling van het gebouw Silverpoint op het adres [adres] in [plaats] (het perceel). Eisers wonen in het naastgelegen gebouw [naam] en zijn het niet eens met de vergunning. Eiser 2 vindt dat sprake is van windhinder en eisers zijn van mening dat niet wordt voldaan aan de parkeereis.

De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat sprake is van een gebrek in de bestreden besluiten, omdat het college zonder goede motivering afwijkt van de toepasselijke beleidsregels. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Op 17 februari 2021 heeft de vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor de herontwikkeling (sloop en nieuwbouw) van het gebouw Silverpoint naar 145 middeldure huurappartementen en 536 m² commerciële ruimte op de begane grond.

Met het besluit van 25 oktober 2021 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten:

- het bouwen van een bouwwerk;

- het binnenplans afwijken van de voorschriften van het bestemmingsplan; en

- het maken/wijzigen van een uitweg.

Met het besluit van 15 juni 2022 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van het bouwplan. Met de bestreden besluiten van 4 juni 2025 heeft het college de bezwaren van eisers tegen de (gewijzigde) omgevingsvergunning ongegrond verklaard.

Daartegen hebben eisers beroep ingesteld. Het beroep van eiser 1 is geregistreerd onder zaaknummer UTR 25/3946. Het beroep van eiser 2 is geregistreerd onder zaaknummer UTR 25/5810. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft de beroepen op 10 februari 2026 gelijktijdig, maar niet gevoegd, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser 1 en de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college, vergezeld door [A] (parkeeradviseur bij de gemeente Hilversum), de gemachtigde van vergunninghouder en mr. [B] (bedrijfsjurist).

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht

2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning in deze zaken is ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Toetsingskader

3. Op het perceel is het bestemmingsplan ‘Binnenstad 2013’ (het bestemmingsplan) van toepassing. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan wegens:- het overschrijden van de toegestane bouwhoogte;- onvoldoende parkeerplaatsen op eigen terrein.

Bouwhoogte

4. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, van de Wabo in samenhang met de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 60.1, aanhef, en onder a, van het bestemmingsplan. Artikel 60.1 van het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid af te wijken van de maximum bouwhoogte met ten hoogste 10%, met dien verstande dat hoogtematen met niet meer dan 2,00 meter mogen worden overschreden.

Parkeren

5. Toen het college de (gewijzigde) omgevingsvergunning verleende was het plan 'Binnenstad 2013 - wijzigingsplan parkeernormen 2017’ van toepassing. Op 19 december 2023 heeft het college het Wijzigingsplan ‘Binnenstad 2013 – wijzigingsplan parkeernormen 2023’ (het Wijzigingsplan 2023) vastgesteld. Als bijlage bij het Wijzigingsplan 2023 is de Nota parkeernormen 2023 bijgevoegd (de Nota).

6. In een beslissing op bezwaar is het college gehouden om het recht toe te passen zoals dat op dat moment geldt (de zogenaamde 'ex nunc' beoordeling). Dit betekent dat het college bij zijn heroverweging heeft moeten toetsen of het bouwplan past binnen het Wijzigingsplan 2023. In artikel 6.2 van de bijbehorende Nota is een overgangsregeling opgenomen. Hierin is bepaald dat aanvragen voor een omgevingsvergunning die zijn ingediend voordat de Nota formeel in werking is getreden, nog worden getoetst aan de 'Beleidsregels Parkeren bij ruimtelijke ontwikkelingen Hilversum 2017' (de Beleidsregels 2017) en, indien van toepassing, aan de 'Beleidsnotitie Parkeernormering OV-knooppunten' (de Beleidsnotitie). Door de ligging van het bouwplan tegenover het Centraal Station van Hilversum is de Beleidsnotitie van toepassing.

7. Het aantal vereiste parkeerplaatsen dient op grond van het Wijzigingsplan 2023 in samenhang met artikel 6.2 van de Nota te worden bepaald aan de hand van de Beleidsregels 2017 en de Beleidsnotitie. Uit de Beleidsregels 2017 volgt dat door de aanwezigheid van de openbare parkeergarages het bezoekersdeel van ontwikkelingen in het centrum afgewenteld kunnen worden op de aanwezige parkeergelegenheid. Hierdoor valt de parkeereis lager uit. In de Beleidsregels 2017 is eveneens opgenomen dat de aanwezige parkeergelegenheid alleen kan worden gebruikt voor het oplossen van de parkeereis indien sprake is van een duurzame oplossing (huurovereenkomsten voor meer dan 20 jaar) en gelegen binnen een straal van 400 meter (Centrum).

De beoordeling van de beroepsgronden

Beroepsgronden – omvang van het geding

8. Voordat de rechtbank ingaat op de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden bespreekt zij eerst welke beroepsgronden op de zitting zijn ingetrokken. Eisers hebben aangevoerd dat het college ten onrechte van mening is dat het windhinderonderzoek onverplicht is gedaan, omdat een windhinderonderzoek pas verplicht is vanaf 30 meter. Volgens eisers had het college voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit onderzoek naar windhinder moeten (laten) verrichten. Deze beroepsgrond heeft de gemachtigde van eisers op de zitting ingetrokken. Daarnaast heeft eiser 1 op de zitting alle overige beroepsgronden met betrekking tot wind(hinder) ingetrokken. Eisers hebben ten aanzien van het parkeren ook de beroepsgrond dat in het Wijzigingsplan 2023 geen ontheffingsmogelijkheid is opgenomen op de zitting ingetrokken. De rechtbank zal deze beroepsgronden daarom verder onbesproken laten.

9. Aan de hand van wat partijen naar voren hebben gebracht, zal de rechtbank beoordelen of het college de omgevingsvergunning voor de herontwikkeling van het gebouw Silverpoint heeft kunnen verlenen.

10. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

Afwijken van de bouwhoogte

Is het windhinderonderzoek zorgvuldig?

11. Vergunninghouder heeft op 8 april 2022 onderzoek laten verrichten naar het windklimaat door [adviesbureau 1] B.V.Op 3 november 2025 heeft [adviesbureau 2] een aanvullend windhinderonderzoek verricht waarbij het huidige windklimaat in kaart is gebracht. Daaruit volgt dat op de bovengelegen galerijen van het naastgelegen gebouw [naam] sprake zal zijn van een hinderlijk windklimaat, maar van een gevaarlijk windklimaat is volgens dit onderzoek geen sprake.

12. Eiser 2 stelt zich op het standpunt dat de onderzoeken niet zorgvuldig zijn tot stand gekomen. Volgens eiser 2 is in het windhinderonderzoek onvoldoende aandacht besteed aan de wederzijdse samenhang tussen verschillende vergunde projecten in de omgeving. Ook is onvoldoende aandacht besteed aan nauwe corridors en hoogteverschillen die zorgen voor onverwachte en snelle windstromen. Tot slot wijst hij nog op de wind op de westwaartse muur. Uit het onderzoek van 8 april 2022 volgt volgens hem niet dat dit is onderzocht. De horizontale windbelasting had ook moeten worden onderzocht. Het windhinderonderzoek vertoont dus gebreken volgens eiser 2. Omdat het windonderzoek onzorgvuldig is, is het besluit om af te wijken van het bestemmingsplan onzorgvuldig tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd.

13. Het college verwijst in zijn verweerschrift naar de reactie van [adviesbureau 2] van 8 december 2025 op het beroepschrift. Daaruit volgt dat het windhinderonderzoek is uitgevoerd volgens de methodiek zoals beschreven in NEN 8100. De resultaten van het windhinderonderzoek laten zien dat op de galerijen de grens voor windgevaar niet wordt overschreden. Daarnaast kan uit het windhinderonderzoek worden opgemaakt dat de berekende windhinder op de galerijen door wind uit zuidwestelijke richting wordt veroorzaakt. Wind uit deze richting wordt niet beïnvloed door de nieuwe ontwikkeling en er kan met grote mate van zekerheid op voorhand worden aangenomen dat er nu ook al een slecht windklimaat heerst. De door de herontwikkeling van Silverpoint eventueel ontstane corridors en hoogteverschillen zijn onderdeel van het onderzoek. Of andere vergunde projecten mogelijk invloed hebben op het windklimaat nabij de gebouwen [naam] en Silverpoint is situatieafhankelijk en dient door een windhinderdeskundige beoordeeld te worden. Tot slot benadrukt [adviesbureau 2] dat het beschouwen van horizontale windbelasting geen onderdeel is van de NEN 8100.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende onderbouwd dat het windhinderonderzoek zorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan afgaan op het advies van een deskundige, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. De enkele stelling dat nader onderzoek verricht moet worden naar de horizontale windbelasting, omdat eiser 2 een technische achtergrond heeft is onvoldoende. De gemachtigde van eiser 2 heeft naar aanleiding van vragen van de rechtbank op de zitting aangegeven niet te kunnen uitleggen wat wordt bedoeld met de vergunde projecten in de omgeving, omdat zij eiser 2 daarover niet meer voor de zitting heeft gesproken. Eiser 2 heeft ook geen andere aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan aanleiding bestaat om te twijfelen aan de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid of conclusies van het onderzoek. De rechtbank geeft eiser 2 geen gelijk. De beroepsgrond slaagt niet.

Strijd met een goede ruimtelijke ordening en belangenafweging

15. Eiser 2 voert aan dat het windklimaat zodanig is dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat de belangenafweging anders had moeten uitpakken in die zin dat het college de omgevingsvergunning om die reden had moeten worden weigeren.

16. Het college stelt zich op het standpunt dat op grond van het bestemmingsplan een rechtstreeks recht bestaat om te bouwen tot een maximale bouwhoogte van 25 meter. Het bouwplan is circa 1,7 meter hoger dan deze maximaal toegestane hoogte. In het bestemmingsplan is de mogelijkheid opgenomen om binnenplans af te wijken met ten hoogste 10%, waarbij de hoogtemaat met niet meer dan 2 meter wordt overschreden. Aan deze voorwaarden voldoet het bouwplan. Alleen de overschrijding van de maximale bouwhoogte moet voldoen aan het criterium van een goede ruimtelijke ordening, dus dit geldt alleen ten aanzien van de afwijking van 1,7 meter. Ook de belangenafweging ziet alleen op de afwijking van 1,7 meter.

17. De rechtbank is van oordeel dat het college heeft kunnen vinden dat de afwijking in de bouwhoogte van 1,7 meter aan het criterium van een goede ruimtelijke ordening voldoet en dat de belangenafweging in het voordeel van vergunninghouder uitvalt. Uit beide onderzoeken blijkt dat er ‘lokaal op de galerijen’ van de bestaande hoogbouw wel een hinderlijk windklimaat optreedt, maar dat er geen sprake is van een gevaarlijk windklimaat. Het college heeft op basis van deze onderzoeken voldoende gemotiveerd waarom hij het afwijken van de maximale bouwhoogte van 25 meter in het bestemmingsplan aanvaardbaar vindt. Eiser 2 heeft, zoals hiervoor ook al is vastgesteld door de rechtbank, geen contra-expertise overgelegd waaruit anders blijkt. De beroepsgrond slaagt niet.

Parkeren

18. Eisers voeren aan dat onduidelijk is hoe het stappenplan, dat tot een reductie van 45% heeft geleid, is toegepast. Ter zitting hebben zij daar nog aan toegevoegd dat deze reductie van 45% wel uit de Beleidsregels 2017 volgt, maar dat nergens uit blijkt dat het redelijk is om in combinatie daarmee ook nog de ontheffing van het bezoekersdeel van de woningen toe te passen. Het college heeft volgens eisers ontoereikend gemotiveerd dat ze gebruik mogen maken van deze ontheffing uit de Beleidsregels 2017.

19. In eerste instantie heeft het college de parkeereis op basis van de parkeerberekening aan de hand van de Beleidsregels 2017 en de Beleidsnotitie vastgesteld op afgerond 108 parkeerplaatsen. Daarbij is een reductiepercentage van 45% toegepast op de parkeereis van de woningen op basis van de Beleidsnotitie. Het college heeft het bezoekersdeel niet in mindering gebracht, omdat al gebruik wordt gemaakt van de reductie uit de Beleidsnotitie. Aan de (gewijzigde) omgevingsvergunning is de voorwaarde verbonden dat voor de vereiste 108 parkeerplaatsen huurovereenkomsten voor ten minste de duur van 20 jaar in de naastgelegen Q-parkgarage moeten worden ingediend. Een andere voorwaarde is dat bij het wegvallen van de parkeerplaatsen door bijvoorbeeld sloop van de garage, deze 108 parkeerplaatsen gecompenseerd worden. Tot slot geldt als laatste voorwaarde dat de bewoners geen recht hebben op een parkeervergunning op straat.

20. Het college heeft de parkeereis in de bestreden besluiten omlaag gebracht van 108 naar 61 parkeerplaatsen. Op grond van de Beleidsregels 2017 kan het bezoekersdeel van de commerciële ruimten in mindering worden gebracht op de parkeereis, als gevolg waarvan het aantal parkeerplaatsen voor de commerciële ruimten wordt teruggebracht. Met betrekking tot het bezoekersdeel voor de woningen ziet het college aanleiding om toch af te wijken van de parkeereis voor de woningen. In de parkeereis is het bezoekersdeel verdisconteerd, terwijl de bezoekers geen gebruik (kunnen) maken van gereserveerde parkeerplaatsen in de naastgelegen parkeergarage. Bezoekers van de woningen die met een auto op bezoek komen, zullen betaald moeten parkeren in deze parkeergarage of een andere openbare parkeergarage in de buurt. Het blijven vasthouden aan het bezoekersdeel in de parkeernorm is volgens het college in dit concrete geval onevenredig. Gelet hierop heeft het college 0,3 parkeerplaats per woning in mindering gebracht op de parkeereis. Na het in mindering brengen van het bezoekersdeel wordt op de parkeernorm de reductie van 45% op grond van de Beleidsnotitie toegepast.

21. De rechtbank is van oordeel dat het college in de bestreden besluiten voldoende heeft gemotiveerd waarom en hoe het college de ontheffing die volgt uit de Beleidsregels 2017 heeft toegepast op het bezoekersdeel van de woningen. Eisers hebben onvoldoende duidelijk gemaakt dat deze motivering niet klopt.. De rechtbank overweegt daarnaast dat het college in de bezwaarfase een volledige heroverweging maakt van zijn eerdere besluit. Daarbij kan het college tot de conclusie komen dat de motivering van de vergunning verbeterd moet worden of dat de vergunning op bepaalde punten aanpassing behoeft. De beroepsgrond slaagt niet.

Reserveringsovereenkomsten

22. Eisers voeren aan dat het onduidelijk is hoe gegarandeerd zal worden dat er, ook in de toekomst, voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn. In de Beleidsregels 2017 staat dat in de omgevingsvergunning een voorwaarde moet worden opgenomen dat het benodigde aantal parkeerplaatsen moet worden aangelegd en in stand moet worden gehouden ten behoeve van het parkeren van gebruikers van het nieuwe pand. In dit geval zal moeten vaststaan dat het benodigde aantal parkeerplaatsen is gereserveerd en duurzaam beschikbaar wordt gehouden. Het uitsluitend overleggen van (onbepaalde) reserveringsovereenkomsten is volgens eisers onvoldoende.

23. Het college heeft in de bestreden besluiten de voorwaarde geschrapt dat vergunninghouder huurovereenkomsten voor 20 jaar moet overleggen voor de benodigde parkeerplaatsen in de naastgelegen Q-parkgarage. In plaats daarvan gaat het college akkoord met reserveringsovereenkomsten. Het college wijkt hiermee af van de Beleidsregels 2017.

24. Op zitting is toegelicht dat de Q-parkgarage met de reserveringsovereenkomsten garandeert dat voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor de nieuwe bewoners op het moment van oplevering van het bouwplan. De naastgelegen Q-parkgarage reserveert deze parkeerplaatsen na het ondertekenen van een reserveringsovereenkomst tot het moment van oplevering van het bouwplan voor vergunninghouder en geeft deze parkeerplaatsen niet uit aan derden. De nieuwe bewoners van de woningen maken vervolgens de keuze tussen het wel of niet afnemen van een parkeerplaats in deze Q-parkgarage. Als het aantal afgenomen parkeerplaatsen lager is dan de parkeereis, dan hoeft het surplus aan parkeerplaatsen na oplevering niet meer achter de hand te worden gehouden. Het college stelt zich op het standpunt dat de gevolgen van de voorwaarde om huurovereenkomsten voor een periode van minimaal 20 jaar te verstrekken onevenredig zijn voor vergunninghouder in vergelijking met latere initiatieven die vallen onder nieuwe regelgeving waarin het college dit niet meer eist. Het is minder duurzaam om parkeerplaatsen voor 20 jaar door middel van huurovereenkomsten vast te houden, terwijl de kans bestaat dat een deel van de parkeerplaatsen ongebruikt zullen blijven. De adressen komen op de GROP-lijst (Geen Recht Op Parkeervergunning) te staan, waardoor het recht op een parkeervergunning op straat is uitgesloten. Volgens het college is dat een duurzame oplossing. Het college legt de verantwoordelijkheid voor het aantal beschikbare parkeerplaatsen bij vergunninghouder.

25. Het college moet op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) handelen overeenkomstig zijn beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de te dienen doelen. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling kunnen omstandigheden die bij het opstellen van een beleidsregel zijn verdisconteerd, dan wel moeten worden geacht te zijn verdisconteerd, niet alleen al daarom buiten beschouwing worden gelaten. In de praktijk blijkt dat ook al heeft het betrokken bestuursorgaan bij het opstellen van de beleidsregel deze omstandigheden bezien, het daarmee niet heeft kunnen voorzien of deze omstandigheden alleen of tezamen in een concreet geval niettemin tot onevenredige gevolgen leiden. De rechtbank zal daarom beoordelen of de toepassing van het beleid in het concrete geval leidt tot onevenredige gevolgen.

26. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in de bestreden besluiten onvoldoende gemotiveerd dat toepassing van de Beleidsregels 2017 in dit concrete geval tot onevenredige gevolgen leidt voor vergunninghouder, in verhouding tot de met die beleidsregels te dienen doelen. De bestreden besluiten kennen op dit punt een gebrek. De toelichting in het verweerschrift en tijdens de zitting zijn onvoldoende om dit gebrek te kunnen passeren, omdat deze geen blijk geven van een voldoende gemotiveerde afweging. Daarbij acht de rechtbank van belang dat bij het opstellen van het Wijzigingsplan 2023 overgangsrecht is opgenomen dat inhoudt dat huurovereenkomsten voor de duur van 20 jaar vereist zijn. Als de voorwaarde om huurovereenkomsten voor 20 jaar over te leggen onwenselijk was, dan had dit moeten worden uitgesloten in het overgangsrecht. Daarvoor is blijkbaar niet gekozen. Verder geldt dat vergunninghouder vanaf het begin op de hoogte was van de voorwaarde dat huurovereenkomsten met de duur van 20 jaar moeten worden afgesloten. Dat het voor vergunninghouder gunstiger is om reserveringsovereenkomsten af te sluiten met Q-parkgarage is begrijpelijk, maar maakt niet dat zijn belang daarom ook zwaarder weegt. De beoogde reserveringsovereenkomsten zijn naar het oordeel van de rechtbank geen duurzame manier om in de parkeerbehoefte te voorzien. Tot slot heeft het college naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende gemotiveerd op welke manier rekening wordt gehouden met de parkeerbehoefte als vergunninghouder, na oplevering van het gebouw, uit beeld is. Onduidelijk blijft hoe wordt voorzien in de parkeerbehoefte als bijvoorbeeld een eerste bewoner zonder parkeerplek op korte termijn verhuist en zijn opvolger wel een parkeerplek wenst. Het college heeft dit ook op de zitting onvoldoende kunnen motiveren.

Conclusie en gevolgen

27. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat de bestreden besluiten gebrekkig zijn, namelijk ten aanzien van de onderbouwing voor het afwijken van de Beleidsregels 2017 en het college niet heeft mogen vinden dat toepassing van deze beleidsregels in het geval van vergunninghouder ten aanzien van de huurovereenkomsten onevenredig is.

28. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek in de bestreden besluiten te herstellen of te laten herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering, of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van de nu bestreden besluiten. Om het gebrek te herstellen, moet het college toereikend onderbouwen dat voor het bouwplan op een andere, duurzame manier in de parkeerbehoefte wordt voorzien. Dat kan in ieder geval door alsnog de voorwaarden uit de Beleidsregels 2017 die gelden met betrekking tot de parkeerplaatsen op het bouwplan toe te passen.

29. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek van de bestreden besluiten kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

30. Het college moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers en vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

31. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.

32. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt het college op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.

De griffier is verhinderd

de uitspraak mede te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.C.A. van Kuijeren

Griffier

  • mr. M.A. Barmentlo

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?