RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.016247.23 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[veroordeelde]
geboren op [2000] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: veroordeelde.
1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 31 maart 2026, gelijktijdig met het onderzoek van de strafzaak.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. G.A. Hoppenbrouwers en van hetgeen veroordeelde en mr. D.J. Kops, advocaat te Breukelen, naar voren hebben gebracht.
2. VORDERING
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op een bedrag van € 60.720,- en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat bedrag. De officier van justitie baseert zich hierbij op de berekening en conclusie in het ontnemingsrapport.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt het te bepalen wederrechtelijk verkregen voordeel te matigen, door de bedragen ten aanzien van de zaken van aangevers [aangever 1] , [aangever 2] en [aangever 3] waarvoor vrijspraak is bepleit van het totaal bedrag af te trekken en dit bedrag door vieren te delen omdat er in totaal vier verdachten betrokken zijn geweest. Daarnaast heeft de verdediging verzocht de eventuele vorderingen tot schadevergoeding er af te halen.
3. BEOORDELING VAN DE VORDERING
De grondslag van de vordering
De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit de strafbare feiten die de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht).
De veroordeelde is bij vonnis van 14 april 2026 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor de volgende strafbare feiten:
t.a.v. feit 1 primair: medeplegen van oplichting, meerdere malen gepleegd;
t.a.v. feit 2 primair : diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, meerdere malen gepleegd;
in de periode van 21 juni 2021 t/m 26 augustus 2021.
Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank – voor zover niet anders wordt vermeld – tot uitgangspunt wat is opgenomen in het ontnemingsrapport.
In de periode van 21 juni 2021 tot en met 26 augustus 2021 heeft de veroordeelde samen met zijn mededader bankhelpdeskfraude gepleegd. Zij hebben uit deze strafbare feiten meerdere geldbedragen ontvangen, in totaal € 60.720,-. Daarmee hebben zij wederrechtelijk voordeel genoten.
Toerekening van het voordeel
Uit het procesdossier blijkt dat veroordeel de bankhelpdeskfraude heeft gepleegd samen met een andere dader. De betrokkenheid van meer daders kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het totale gestolen bedrag gelijkelijk is verdeeld over veroordeelde en zijn mededader. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarom voor de helft toegerekend aan de veroordeelde, dat wil zeggen voor het bedrag van € 30.360,-.
De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening te houden met eventuele veroordeling tot vergoeding van schade van benadeelde partijen en deze bedragen in mindering te brengen.
De rechtbank zal geen rekening houden met de in de strafzaak toegewezen vordering van benadeelde partijen ING Bank N.V., ABN AMRO bank N.V., SNS Bank N.V. en [benadeelde] . Uit artikel 36e lid 9 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) volgt dat de bedragen die veroordeelde aan de benadeelde partijen moet betalen pas op het wederrechtelijk verkregen voordeel in vermindering kunnen worden gebracht als zij daadwerkelijk zijn voldaan. Daarom worden de nog betalen vergoedingen van de benadeelde partijen niet op voorhand afgetrokken. De verrekening met de vordering benadeelde partij kan in de executie fase plaatsvinden.
Betalingsverplichting
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 30.360,-.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan voormeld bedrag moet worden gematigd en zal veroordeelde dan ook verplichten tot betaling van het bedrag van € 30.360,-.aan de staat.
4. TOEGEPAST WETSARTIKEL
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5. BESLISSING
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 30.360,-.
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 30.360,.aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 303 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mrs. J.E.S. Dolmans en M.J. Terstegge, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.R. Kroonbergs als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.