ECLI:NL:RBMNE:2026:1528

ECLI:NL:RBMNE:2026:1528

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer 16.059543.25; 16.026459.24; 16.062347.24; 16.134546.24; 16.251621.24; 16.072837.21 (vord. tul); 16.032046.23 (vord. tul) (t.t.z. gevoegd)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Minderjarige. Bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot zware mishandeling, openlijke geweldpleging, een poging tot woninginbraak, twee beledigingen van agenten, bedreiging van agenten, bedreiging met behulp van een wapen, en ten slotte het voorhanden hebben van een echt vuurwapen en van een nabootsing van een vuurwapen. Aan de verdachte wordt opgelegd een jeugddetentie van 84 dagen, met aftrek van het voorarrest, een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 uren, en een voorwaardelijke PIJ-maatregel, die dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Ook moet de verdachte aan twee benadeelde partijen schadevergoeding betalen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16.059543.25; 16.026459.24; 16.062347.24; 16.134546.24; 16.251621.24; 16.072837.21 (vord. tul); 16.032046.23 (vord. tul) (t.t.z. gevoegd)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 april 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2008] in [geboorteplaats] ,

verblijvende op het adres [adres ] in [woonplaats] ,

(hierna: [verdachte] ).

1. Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 17 maart 2026. Het onderzoek is, met instemming van de officier van justitie en advocaten van [verdachte] , enkelvoudig gesloten op 15 april 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:

Parketnummer 16.366284.24

1.

op 10 maart 2025 in Lelystad samen met een ander [slachtoffer 1] heeft gestompt, geslagen en geschopt, een kussen op haar gezicht heeft gedrukt, haar keel heeft dichtgeknepen, haar met een schaar heeft gestoken of gekrast en haar heeft getrapt waardoor zij van de trap is gevallen;

primair is dit ten laste gelegd als het medeplegen van een poging tot doodslag;

subsidiair is dit ten laste gelegd als het medeplegen van een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade;

2.

op 10 maart 2025 in Lelystad, samen met een ander, een auto en een telefoon van [slachtoffer 1] heeft gestolen;

3.

op 9 november 2024 in Lelystad, samen met een ander of anderen, een vuurwapen van categorie III onder 1 en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;

Parketnummer 16.026459.24

1. hierna: feit 4)

op 21 januari 2024 in Lelystad [hoofdagent] , werkzaam als hoofdagent bij de politie, heeft beledigd;

2. ( hierna: feit 5)

op 21 januari 2024 in Lelystad [agent] , werkzaam als agent bij de politie, heeft beledigd;

Parketnummer 16.062347.24 (hierna: feit 6)

op 21 februari 2024 in [woonplaats] , samen met anderen, heeft geprobeerd om uit een woning aan de [adres ] goederen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] te stelen door middel van braak en/of verbreking;

Parketnummer 16.134546.24

1. hierna: feit 7)

op 6 maart 2024 in Almere [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

2. ( hierna: feit 8)

op 2 februari 2024 in Lelystad, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 5] .

Parketnummer 16.251621.24

1. hierna: feit 9)

op 20 juli 2024 in Lelystad, samen met één of meer anderen, [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

2. ( hierna: feit 10)

op 31 juli 2024 in Lelystad een wapen van categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat [verdachte] de feiten 1 primair en 2 tot en met 10 heeft gepleegd. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht [verdachte] voor enkele geweldshandelingen onder 1 primair gedeeltelijk vrij te spreken.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaten hebben de rechtbank verzocht om [verdachte] vrij te spreken van de feiten 1 primair, 2 en 8. Zij hebben de rechtbank verder verzocht [verdachte] gedeeltelijk vrij te spreken van een deel van de geweldshandelingen, van de voorbedachte raad in feit 1 subsidiair en van het voorhanden hebben van de munitie in feit 3.

De advocaten hebben verschillende verweren gevoerd over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank oordeelt dat feit 1 primair (poging tot doodslag) niet bewezen is en zal [verdachte] daarvan vrijspreken. Dit wordt gemotiveerd in paragraaf 3.3.3, waarin ook wordt uitgelegd dat de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt van feit 1 subsidiair.

De rechtbank oordeelt daarnaast dat feit 2 (diefstal van auto en telefoon) niet is bewezen en zal [verdachte] daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom zij voor dit feit tot een vrijspraak komt. Uit het dossier volgt dat het medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) is geweest die de autosleutel van [slachtoffer 1] heeft weggenomen en met de auto is weggereden. Wat hierbij de rol van [verdachte] is geweest, is onduidelijk. Over de diefstal van de telefoon van [slachtoffer 1] bestaat ook veel onduidelijkheid; zo is de telefoon niet bij één van de verdachten aangetroffen. De rechtbank vindt dat onder die omstandigheden de onder 2 ten laste gelegde diefstal niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat voor dit feit vrijspraak zal volgen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank oordeelt dat de overige feiten (1 subsidiair en 3 tot en met 10) zijn bewezen en baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

[verdachte] heeft bekend dat hij de feiten 4, 6, 7, 9 en 10 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom ten aanzien van deze feiten alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert in bijlage II van dit vonnis.

Bewijsoverwegingen voor de feiten 1, 3 en 8

Feit 1 (poging zware mishandeling)

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] in haar woning door [verdachte] en [medeverdachte] meermalen tegen haar lichaam en hoofd is geslagen/gestompt en geschopt. Ook vindt de rechtbank bewezen dat [slachtoffer 1] als gevolg van het geweld door [verdachte] en [medeverdachte] van de trap is gevallen en/of zich van de trap heeft laten vallen, om aan het geweld te ontkomen. Uit de bewijsmiddelen volgt namelijk dat het heftige geweld door [verdachte] en [medeverdachte] begon op de eerste verdieping, en dat [slachtoffer 1] tijdens het geweld beneden is beland. De val van de trap is dus gebeurd in het geheel van het door [verdachte] en [medeverdachte] gepleegde geweld en de daardoor bij [slachtoffer 1] ontstane angst en paniek.

De rechtbank vindt niet bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] gedurende langere tijd een kussen op het gezicht van [slachtoffer 1] hebben gedrukt. De bloedvlekken van [slachtoffer 1] op het roze kussen zijn onvoldoende steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 1] dat er een kussen in haar gezicht is gedrukt. [slachtoffer 1] is namelijk geslagen en gestompt op haar bed, waar ook het roze kussen lag. Zij heeft verklaard dat zij een haartransplantatie heeft ondergaan, waardoor zij veel bloedde. De bloedvlekken op het kussen kunnen dus ook zijn ontstaan door het slaan en stompen en wijzen er niet direct op dat die het gevolg zijn van het drukken van het kussen in het gezicht van [slachtoffer 1] . Ook de beschreven emoties bij [slachtoffer 1] zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steunbewijs, omdat deze ook door het andere geweld kunnen zijn veroorzaakt.

Verder bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs dat [verdachte] of [medeverdachte] de keel van [slachtoffer 1] hebben dichtgeknepen of haar met een schaar hebben gestoken of gekrast. Dit volgt bijvoorbeeld niet uit de letselrapportage van de GGD, waarin alleen vuistslagen, stompen, slaan en schoppen als toedracht worden genoemd bij de beoordeling van de passendheid van de letsels bij de toedracht.

Het meermalen met kracht slaan en stompen tegen het hoofd en lichaam en het meermalen trappen en schoppen tegen het lichaam en de val van de trap leveren geen poging tot doodslag op, zodat [verdachte] van feit 1 primair zal worden vrijgesproken. Er was naar het oordeel van de rechtbank namelijk geen aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] als gevolg van dit geweld zou overlijden. Wel vindt de rechtbank bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte] heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] met dit geweld zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zodat het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Dat [verdachte] dit ook met voorbedachten rade heeft gedaan, blijkt onvoldoende uit het dossier, zodat van dit onderdeel van de tenlastelegging onder feit 1 subsidiair vrijspraak zal volgen.

Feit 3 (voorhanden hebben wapen en munitie)

De rechtbank zal [verdachte] vrijspreken van het voorhanden hebben van munitie. Hoewel het DNA van [verdachte] is aangetroffen op een patroonhuls, kunnen de in het dossier genoemde onderzochte kogelpatronen niet in verband worden gebracht met [verdachte] . Voor het bij feit 3 ten laste gelegde onderdeel ‘in vereniging’ bestaat eveneens onvoldoende bewijs, zodat ook van dat onderdeel vrijspraak zal volgen.

Feit 8 (openlijke geweldpleging)

Op verzoek van de advocaten heeft de rechtbank in raadkamer gekeken naar de camerabeelden in de [winkel] en van de openlijke geweldpleging tegen aangever [slachtoffer 5] . De waarneming van de rechtbank is dat zij [verdachte] herkent op de beelden van de openlijke geweldpleging als de jongen die als tweede aan komt rennen, na de jongen met de blauwe jas. De rechtbank herkent hem aan zijn haardracht, postuur, donkere kleding en het tasje dat hij ook draagt op de beelden bij de [bestandsnaam] in de [winkel] . [verdachte] heeft op de zitting bevestigd dat hij op deze beelden in de [winkel] staat. Verbalisant Limburg heeft [verdachte] ook herkend op deze beelden.

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank de onder 8 ten laste gelegde openlijke geweldpleging wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :

1. subsidiair

op 10 maart 2025 te Lelystad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, aan een persoon, genaamd [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- meermalen met kracht tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestompt en geslagen en

- meermalen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft getrapt en/of geschopt en

- die [slachtoffer 1] in de richting van de trap heeft getrapt en/of geschopt, als gevolg waarvan zij van de trap is gevallen en/of zich heeft moeten laten vallen om zich aan deze handelingen te onttrekken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3

op 9 november 2024 te Lelystad een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (pistool) van het merk Blow, type TR92, kaliber 9mm P.A.K., voorzien van het wapennummer [wapennummer] , voorhanden heeft gehad;

4

op 21 januari 2024 te Lelystad opzettelijk een ambtenaar, te weten [hoofdagent] , werkzaam als hoofdagent bij de politie Eenheid Midden-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen:

- " je kankermoeder",

- " je kankervader",

- " je kankermoeder gaat naar de hel",

- " je kankervader gaat naar de hel",

- " kankerbolle",

- “ je bent een dikke kankerlijer” en

- “ bolle kankerlijer met je dikke reet”.

5

op 21 januari 2024 te Lelystad opzettelijk een ambtenaar, te weten [agent] , werkzaam als agent bij de politie Eenheid Midden-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen:

- " je verkoopt je kontje en je mondje voor geld, hoer" en

- " ook jouw kankervader en kankermoeder gaan naar de hel".

6

op 21 februari 2024 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om uit een woning gelegen aan de [adres ] , goederen van hun gading, die aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , toebehoorden, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, naar die woning zijn toegegaan en met een breekijzer in de sluitnaad van de deur een of meermalen hebben gewrikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7

op 6 maart 2024 te Almere [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] dreigend de woorden toe te voegen "ik zoek je op' en 'ik maak je kapot' en 'ik pak je straat' en 'ik maak je dood' en 'ik vind jou op straat' en 'ik onthoud je hoofd';

8

op 2 februari 2024 te Lelystad openlijk, te weten nabij de [adres ] (achterkant van [winkel] supermarkt), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 5] door hem meermalen te slaan en te schoppen tegen het gezicht en lichaam;

9

op 20 juli 2024 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een op een vuurwapen gelijkend voorwerp uit zijn, verdachtes tasje, te halen en vervolgens met voornoemd (vuur)wapen dreigend in de richting van die [slachtoffer 6] te lopen;

10

op 31 juli 2024 te Lelystad een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasdrukpistool, merk Glock, Model 17, Kaliber 6mm voorhanden heeft gehad.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 subsidiair: medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Feiten 4 en 5: eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Feit 6: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Feit 7: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;

Feit 8: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Feit 9: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Feit 10: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid feiten en [verdachte]

De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.

5. Straf en maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:

een jeugddetentie van 79 dagen, met aftrek van het voorarrest;

een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;

een voorwaardelijke PIJ-maatregel met een proeftijd van 2 jaar en met de voorwaarden zoals die door de Raad en SAVE zijn geadviseerd.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de bijzondere voorwaarden bij de PIJ-maatregel direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).

Standpunt van de verdediging

De advocaten hebben verzocht om aan [verdachte] een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest van 83 dagen op te leggen en daarnaast een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Aan [verdachte] moet daarnaast niet ook nog een taakstraf worden opgelegd, gelet op zijn beperkte belastbaarheid.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan [verdachte] een jeugddetentie op van 84 dagen, met aftrek van het voorarrest, daarnaast een taakstraf in de vorm van en werkstraf van 120 uren, en ten slotte een voorwaardelijke PIJ-maatregel, die dadelijk uitvoerbaar zal worden verklaard.

Bij het bepalen van deze straffen en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan negen strafbare feiten, namelijk het medeplegen van een poging tot zware mishandeling, openlijke geweldpleging, een poging tot woninginbraak, twee beledigingen van agenten, bedreiging van agenten, bedreiging met behulp van een wapen, en ten slotte het voorhanden hebben van een echt vuurwapen en van een nabootsing van een vuurwapen.

Tijdens de poging tot zware mishandeling heeft [verdachte] samen met [medeverdachte] het slachtoffer tientallen keren met kracht geslagen, gestompt en getrapt. Het slachtoffer is een vrouw die [verdachte] goed kende. Zij kon geen kant op toen [verdachte] en [medeverdachte] haar overweldigden in haar eigen huis, terwijl ze in bed lag. Het slachtoffer is uiteindelijk, als gevolg van al het geweld dat op haar werd uitgeoefend van de trap gevallen of heeft zich daarvan af laten vallen en is in haar angst en paniek naakt de straat op gerend. Het slachtoffer was bont en blauw, ze had erg veel pijn. Uit haar slachtofferverklaring blijkt dat zij sindsdien in angst leeft, last heeft van paniekaanvallen en zich niet langer veilig voelt in haar eigen vertrouwde omgeving. Het is positief dat [verdachte] bij de mediation een goed gesprek heeft gehad met het slachtoffer. Maar dit maakt het niet minder heftig wat er is gebeurd.

Daarnaast heeft [verdachte] , samen met een groep van vijf andere jongens, een jongen hard geslagen en getrapt, terwijl deze jongen op de grond lag. [verdachte] is met deze geweldsfeiten ver over de schreef gegaan en heeft laten zien dat hij geen respect heeft voor de lichamelijke integriteit van anderen. [verdachte] was steeds samen met anderen en daarmee veruit in de meerderheid ten opzichte van de slachtoffers. De rechtbank vindt het laf dat hij, in die situaties, anderen zo toegetakeld heeft.

Verder heeft [verdachte] samen met anderen geprobeerd om bij mensen in te breken. De slachtoffers hebben niet alleen last van de schade die zij hierdoor hebben ondervonden, maar zijn ook enorm geschrokken en voelen zich angstig en onveilig. [verdachte] heeft met deze feiten laten zien dat hij geen respect heeft voor andermans eigendommen.

Ook heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen dat in een conflict ook daadwerkelijk is gebruikt en van een nabootsing van een vuurwapen dat hij heeft gebruikt om een ander te bedreigen. Uit het onderzoek aan de telefoon van [verdachte] blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] elkaar foto’s hebben gestuurd van zichzelf met vuurwapens, wat de rechtbank zorgelijk vindt. Het behoeft geen verdere uitleg dat het voorhanden hebben van dergelijke wapens een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengt, waarvan de gevolgen desastreus kunnen zijn.

Ten slotte heeft [verdachte] twee agenten beledigd en drie andere agenten woordelijk bedreigd. [verdachte] moet respect hebben voor agenten en naar ze luisteren. Deze agenten deden hun werk en moeten dat ook kunnen doen zonder dat zij te maken krijgen met beledigingen en bedreigingen.

De rechtbank vindt het heel zorgelijk en kwalijk dat [verdachte] , die ten tijde van de feiten 15 en 16 jaar oud was, dergelijke ernstige strafbare feiten heeft gepleegd, waarvan sommige in een proeftijd.

Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van [verdachte] van 2 februari 2026. Daaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor vermogens- en geweldsdelicten. Er is dus sprake van recidive. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een rapport van 23 december 2025 van de GZ-psycholoog. Daarin staat dat bij [verdachte] sprake is van een andere gespecificeerde disruptieve impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis. Daarnaast is sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling richting een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De psycholoog adviseert om de beledigingen, bedreiging, poging tot zware mishandeling en het voorhanden hebben van een nepwapen, licht verminderd aan [verdachte] toe te rekenen en onthoudt zich van advies ten aanzien van de overige feiten omdat [verdachte] die heeft ontkend. Er is sprake van een matig tot hoog risico op (gewelddadig) grensoverschrijdend gedrag, indien (succesvolle) behandeling uitblijft. Om een zo gunstig mogelijke ontwikkeling te bevorderen, en ten behoeve van risicopreventie, is [verdachte] aangewezen op een intensieve en gespecialiseerde behandeling gericht op het verminderen van het zelfbepalende gedrag en het zich kunnen committeren aan regels en gezag, zodat [verdachte] maatschappelijk aanvaardbaar gedrag leert vertonen. Er is een langdurende stevige stok achter de deur nodig om de begeleiding en behandeling te waarborgen. De psycholoog adviseert een voorwaardelijke PIJ-maatregel.

De kinder- en jeugdpsychiater komt in het rapport van 22 december 2025 grotendeels tot dezelfde conclusies als de psycholoog. [verdachte] lijkt baat te hebben bij structuur en strakke kaders. Tot op heden lukt het hem om zich onder strakke kaders aan gestelde voorwaarden en afspraken te houden. De intrinsieke bereidheid van [verdachte] om te veranderen, is gering. Er is geen ziektebesef en geen lijdensdruk. Dit maakt dat [verdachte] niet open staat voor behandeling, waardoor verondersteld kan worden dat hij bij tegenslag terugvalt in zijn oude patronen. Een intensive, langdurige behandeling is nodig in het kader van recidivepreventie en ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling om een scheefgroei richting een antisociale en/of narcistische persoonlijkheidsstoornis te voorkomen. Daarom is een langdurende stevige stok achter de deur een noodzakelijke voorwaarde om de begeleiding en behandeling te waarborgen en wordt een voorwaardelijke PIJ-maatregel geadviseerd.

De rechtbank is, gelet op de conclusies van de deskundigen, van oordeel dat alle hiervoor bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan [verdachte] kunnen worden toegerekend.

In een advies van de Raad van 10 maart 2026 staat dat een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden als onvoldoende passend wordt gezien. In het verleden is namelijk gebleken dat lichtere kaders bij [verdachte] onvoldoende effect hadden om tot gedragsverandering te komen. De Raad ziet dat er nog ontwikkelingsmogelijkheden bij [verdachte] aanwezig zijn en ziet nog voldoende aanknopingspunten voor behandeling in een ambulant kader, waarbij [verdachte] zijn werk en structuur kan behouden, mits dit plaatsvindt binnen een stevig juridisch kader met duidelijke voorwaarden en intensief toezicht. De Raad vindt een voorwaardelijke PIJ-maatregel het meest passend en adviseert daarnaast om ook een onvoorwaardelijke jeugddetentie, gelijk aan de duur van het voorarrest, aan [verdachte] op te leggen. Als voorwaarden bij de PIJ-maatregel worden genoemd:

meewerken aan behandeling van De Waag of een soortgelijke behandeling;

meewerken aan de begeleiding van Samen Sterk of een soortgelijke organisatie;

meewerken aan aanvullende behandeling en/of begeleiding indien de jeugdreclassering dit nodig vindt;

zich inzetten voor een zinvolle daginvulling in de vorm van school, werk en/of sport;

contactverbod met de slachtoffers (met uitzondering van eventuele mediation of herstelbemiddeling);

contactverbod met de medeverdachten.

In een rapport van SAVE van 10 maart 2026 wordt geadviseerd om aan [verdachte] een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen en een voorwaardelijke PIJ-maatregel. SAVE noemt dezelfde voorwaarden als de Raad.

Op de zitting heeft de raadsonderzoeker verklaard dat vanwege de positieve en beschermende factoren een voorwaardelijke PIJ-maatregel wordt geadviseerd, en niet een opname bij de Catamaran. Er is niet gekozen voor behandeling als voorwaarde bij een voorwaardelijke jeugddetentie, juist omdat de noodzaak van behandeling heel groot is en dat die bij een voorwaardelijke jeugddetentie niet gewaarborgd kan worden als [verdachte] weigert om mee te werken. Wat betreft de vorderingen tot tenuitvoerlegging is het advies om de werkstraf ten uitvoer te leggen en de jeugddetentie om te zetten in een werkstraf.

De jeugdreclasseerder heeft op de zitting verklaard dat de begeleiding goed is verlopen en er bij [verdachte] gaandeweg meer bereidheid tot behandeling is ontstaan. Hij is eind 2025 gestart bij De Waag. De duidelijke structuur die zijn werk hem biedt, is voor [verdachte] ook helpend.

Straffen

Alles afwegende vindt de rechtbank een jeugddetentie van 84 dagen, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Dit betekent dat [verdachte] nu niet terug hoeft naar de jeugdinrichting. Gelet op de ernst van de feiten en de veelheid ervan, vindt de rechtbank het daarnaast ook nodig om aan [verdachte] een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, van 120 uren op te leggen. De rechtbank gaat er vanuit dat bij de uitvoering daarvan rekening wordt gehouden met de belastbaarheid van [verdachte] , zodat hij, in combinatie met de te volgen behandeling, niet wordt overvraagd. Wat betreft de hoogte van de op te leggen werkstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten, die zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken.

De rechtbank constateert dat de redelijke termijn is overschreden in een aantal zaken, maar verbindt daar verder geen consequenties aan, gelet op het feit dat in het belang van [verdachte] ervoor is gekozen om alle zaken tegen [verdachte] gelijktijdig op de zitting te brengen.

PIJ-maatregel

De rechtbank vindt het, net als de deskundigen, noodzakelijk dat [verdachte] wordt behandeld. Alleen door middel van behandeling kan begonnen worden met het terugdringen van de gedrags- en ontwikkelingsproblemen en alleen daarmee kan het recidiverisico worden verminderd. Dit is uiteindelijk in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] , zijn toekomst en de maatschappij.

De rechtbank stelt vast dat, gelet op de bewezenverklaring en de conclusies en adviezen van de deskundigen, aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de (voorwaardelijke) PIJ-maatregel is voldaan. Hieruit blijkt namelijk dat (1) bij [verdachte] sprake is van een gebrekkige ontwikkeling/ziekelijke stoornis van de geestvermogens, (2) [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig misdrijf, waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, (3) de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de maatregel eist en (4) de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] . Er wordt nog ruimte gezien voor een ambulante behandeling. Daarnaast is het niet wenselijk om de zaken die nu wel goed gaan bij [verdachte] , zoals werk, te doorkruisen met een gedwongen opname. Daarom zal de rechtbank de PIJ-maatregel voorwaardelijk opleggen, met daarbij de voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de Raad en door SAVE, met het toezicht en de begeleiding door SAVE en met een proeftijd van twee jaren.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, indien de voorwaardelijke PIJ-maatregel omgezet wordt in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, deze maatregel verlengd kan worden. Aangezien [verdachte] wordt veroordeeld voor feiten die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, kan de PIJ-maatregel telkens met ten hoogste twee jaar verlengd worden, tot een maximum van zeven jaar (als bedoeld in artikel 6:6:31 van het Wetboek van Strafvordering).

Dadelijke uitvoerbaarheid

[verdachte] heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, namelijk de poging tot zware mishandeling en de openlijke geweldpleging. Gelet op de inhoud van de rapportages moet er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [verdachte] opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden die aan [verdachte] bij de PIJ-maatregel worden opgelegd en het toezicht door de jeugdreclassering, na het uitspreken van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).

De voorlopige hechtenis

In de situatie dat hoger beroep wordt ingesteld en [verdachte] zich niet aan de bijzondere voorwaarden houdt, kan de voorwaardelijke PIJ (nog) niet ten uitvoer worden gelegd. Daarvoor is een onherroepelijk vonnis nodig. De rechtbank zal daarom de schorsing van de voorlopige hechtenis in stand laten en de voorwaarden wijzigen zodat deze gelijkluidend zijn aan de bijzondere voorwaarden van de voorwaardelijke PIJ. Hierdoor is er ook in de beschreven situatie een stok achter de deur.

6. In beslag genomen voorwerpen

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder parketnummer 16.059543.25 inbeslaggenomen Opel Corsa wordt onttrokken aan het verkeer, de iPhone mini en de iPhone 7 verbeurd worden verklaard en de Nokia en iPhone 8 retour worden gegeven aan de rechthebbende. De schoenen en handschoenen, inbeslaggenomen in parketnummer 16.062347.24, moeten verbeurd worden verklaard en de telefoon (goednummer 3302413) kan retour worden gegeven aan de rechthebbende. De onder parketnummer 16.251621.24 inbeslaggenomen Apple iPhone 14 Pro Max kan ook retour aan de rechthebbende en het vuurwapen moet worden onttrokken aan het verkeer.

Standpunt van de verdediging

De advocaten hebben aangegeven zich te kunnen vinden in het standpunt van de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten handschoenen, een iPhone mini en een iPhone 7 verbeurd verklaren. Met betrekking tot deze voorwerpen zijn de onder 3 en 6 bewezen verklaarde feiten begaan.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten het vuurwapen en de Opel Corsa, onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Met betrekking tot het vuurwapen en met behulp van de auto is het onder 3 bewezen verklaarde feit begaan.

Teruggave aan verdachte

De rechtbank zal teruggave gelasten aan [verdachte] van de volgende in beslag genomen voorwerpen, te weten: telefoon (goednummer 3302413), schoenen, Apple iPhone 14 Pro Max, Nokia en iPhone 8.

7. Vordering benadeelde partij

Vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.385,00 voor feit 1, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 385,00 voor vergoeding van materiële schade en € 4.000,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

[benadeelde 1] heeft zich eveneens gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.800,00 voor feit 6, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Ten slotte heeft [slachtoffer 5] zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000,00 voor feit 8, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] hoofdelijk kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat [benadeelde 1] in zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

Wat betreft de vordering van [slachtoffer 1] hebben de advocaten zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet blijkt dat [slachtoffer 1] daadwerkelijk naar een praktijkondersteuner is gegaan of dat er afspraken in de nabije toekomst staan gepland. Voor de toe te kennen vergoeding voor immateriële schade geldt dat deze moet worden gematigd.

[benadeelde 1] moet in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de vordering niet is onderbouwd. [slachtoffer 5] moet primair niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering in verband met de bepleite vrijspraak, en subsidiair moet de toe te kennen vergoeding worden gematigd.

Oordeel van de rechtbank

De vordering van [slachtoffer 1]

De gevorderde materiële schade betreft het eigen risico voor 2026 dat volgens de benadeelde partij volledig zal worden benut voor behandeling bij een psycholoog in verband met klachten als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit. De rechtbank vindt dat de benadeelde partij de vordering op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd, omdat op dit moment onduidelijk is of het bedrag van € 385,00 ook daadwerkelijk gebruikt zal gaan worden voor kosten van behandeling bij een psycholoog of zal worden ingezet voor andere zorgkosten. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 3.000,00 billijk is. Daarbij neemt de rechtbank ook de persoonlijke gevolgen voor de benadeelde partij in aanmerking, waarbij geen PTSS-diagnose is vastgesteld maar wel duidelijk is dat de benadeelde partij slachtoffer is geworden van heftig geweld in haar eigen woning. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

De vordering van [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft de vordering tot vergoeding van de materiële schade onvoldoende onderbouwd. Er is enkel een bedrag genoemd aan reparatiekosten van de schuifpui op basis van een offerte, die niet is bijgevoegd, en bovendien is onduidelijk of de kosten inmiddels door de verzekering zijn betaald.

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

Wat betreft de immateriële schade heeft de benadeelde partij benoemd dat vooral zijn vrouw klachten ondervindt van de poging tot woninginbraak doordat zij last heeft angst, onrust tijdens het slapen en een gevoel van onveiligheid. Er is geen bedrag aan immateriële schade genoemd. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij of zijn vrouw door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij onvoldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor hem heeft gehad. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake, gelet op rechtspraak van de Hoge Raad.

De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die [verdachte] heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat [verdachte] daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

De vordering van [slachtoffer 5]

In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. Uit de onderbouwing blijkt dat hij verwondingen had aan zijn knie en mond en er ook een hersenschudding is vastgesteld.

Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding van € 1.000,00 billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.

Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

Beslissing m.b.t. de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel

De hiervoor genoemde bedragen die [verdachte] aan de benadeelde partijen moet vergoeden worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade, zoals hieronder in de beslissing weergegeven.

Daarnaast legt de rechtbank ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem/haar doet. Als [verdachte] de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, wordt er, in verband met de minderjarigheid van [verdachte] , geen gijzeling toegepast.

[verdachte] mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

8. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De meervoudige strafkamer in Lelystad heeft aan [verdachte] in de zaak met parketnummer 16.072837.21 op 13 september 2022 een jeugddetentie van 4 weken voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.

De kinderrechter in Lelystad heeft aan [verdachte] in de zaak met parketnummer 16.032046.23 op 11 april 2023 een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 10 uren voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de rechtbank de vorderingen toewijst, zodat de voorwaardelijk aan [verdachte] opgelegde straffen ten uitvoer worden gelegd, met dien verstande dat de jeugddetentie wordt omgezet in een werkstraf van 56 uur. Volgens de officier van justitie heeft [verdachte] zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.

Standpunt van de verdediging

De advocaten hebben geen opmerkingen gemaakt over de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf. Wat betreft de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie hebben zij primair verzocht om de proeftijd te verlengen en subsidiair om deze om te zetten in een werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Om die reden zullen de voorwaardelijk opgelegde straffen alsnog ten uitvoer gelegd worden. Wat betreft de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie zal de rechtbank in plaats daarvan echter een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 56 uur gelasten.

9. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen en maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart de feiten 1 primair en 2 niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

strafbaarheid [verdachte]

- verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder 1 subsidiair, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 bewezenverklaarde;

straf en maatregel

- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 84 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen jeugddetentie;

- legt aan [verdachte] op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel);

- bepaalt dat deze maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als voorwaarden gelden dat [verdachte] :

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa eerste tot en met het derde lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [medeverdachte] , geboren op [2008] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met - [slachtoffer 1] , geboren op [1995] ; - [slachtoffer 5] , geboren op [1999] ,

- [benadeelde 1] , geboren op [1953] ;

- [benadeelde 2] , geboren op [1957] ;zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, met uitzondering van contact ten behoeve van eventuele mediation of herstelbemiddeling;

* zich zal melden bij Samen Veilig Midden-Nederland, en zich daarna gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo vaak en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht. [verdachte] houdt zich aan de aanwijzingen die hem in dit kader worden gegeven;

* zich onder behandeling zal stellen van De Waag of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zal meewerken aan begeleiding door Samen Sterk, of een soortgelijke organisatie, wanneer de jeugdreclassering dit nodig acht;

* zich zal houden aan de (het gedrag van de veroordeelde betreffende) voorwaarde dat hij zich inzet voor een zinvolle dagbesteding in de vorm van school, werk en/of sport;

- waarbij de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

beslag

- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:

- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van de volgende voorwerpen:

wit, merk: Apple, parketnummer 16.062347.24);

merk: Apple, parketnummer 16.059543.25);

1 paar schoenen (parketnummer 16.062347.24);

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 6)

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 5] (feit 8)

vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 16.072837.21

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de door de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 13 september 2022 opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf toe;

- gelast in plaats van de vrijheidsstraf het verrichten van een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 56 uren;

- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 4 weken jeugddetentie;

vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 16.032046.23

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 11 april 2023 opgelegde voorwaardelijke taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 10 uur;

- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 5 dagen jeugddetentie;

voorlopige hechtenis

- beslist dat de schorsing van de voorlopige hechtenis in de parketnummers 16.059543.25 en 16.062347.24 zal worden voortgezet, onder de voorwaarden als verbonden aan de PIJ-maatregel als hiervoor benoemd.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. den Haan, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. H.C. Piet en mr. T. van Haaren-Paulus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.M. van Zwet als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

De oudste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 16.059543.25

1

hij op of omstreeks 10 maart 2025 te Lelystad, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet,

- meermalen, althans eenmaal, met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestompt en/of geslagen en/of

- meermalen, althans eenmaal, gedurende langere tijd een kussen op het gezicht van die [slachtoffer 1] heeft gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of

- meermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer 1] heeft dicht geknepen en/of

- meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft getrapt en/of geschopt en/of

- meermalen, althans eenmaal, op en/of in en/of tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gekrast met een schaar en/of

- meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] in de richting van de trap heeft getrapt en/of geschopt en/of geslagen en/of gestompt, als gevolg waarvan zij van de trap is gevallen en/of zich heeft moeten laten vallen om zich aan deze handelingen te onttrekken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 maart 2025 te Lelystad, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] , opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet,

- meermalen, althans eenmaal, met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestompt en/of geslagen en/of

- meermalen, althans eenmaal, gedurende langere tijd een kussen op het gezicht van die [slachtoffer 1] heeft gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of

- meermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer 1] heeft dicht geknepen en/of

- meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft getrapt en/of geschopt en/of

- meermalen, althans eenmaal, op en/of in en/of tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gekrast met een schaar en/of

- meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] in de richting van de trap heeft getrapt en/of geschopt en/of geslagen en/of gestompt, als gevolg waarvan zij van de trap is gevallen en/of zich heeft moeten laten vallen om zich aan deze handelingen te onttrekken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij op of omstreeks 10 maart 2025 te Lelystad, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een personenauto van het merk Volkswagen, type Polo, voorzien van het kenteken [kenteken] en/of een telefoon van het merk iPhone type 12 mini, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval

aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3

hij op of omstreeks 9 november 2024 te Lelystad, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen van categorie III onder 1 en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

- een vuurwapen (pistool) van het merk Blow, type TR92, kaliber 9mm P.A.K., voorzien van het wapennummer [wapennummer] en/of

- drie, althans één of meerdere, (kogel)patro(o)n(en) van het kaliber 7.65mmBR voorhanden heeft gehad;

Parketnummer 16.026459.24

1

hij op of omstreeks 21 januari 2024 te Lelystad opzettelijk een ambtenaar, te weten [hoofdagent] , werkzaam als hoofdagent bij de politie Eenheid Midden-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen:

- " je kankermoeder",

- " je kankervader",

- " je kankermoeder gaat naar de hel",

- " je kankervader gaat naar de hel",

- " kankerbolle",

- “ je bent een dikke kankerlijer” en/of

- “ bolle kankerlijer met je dikke reet”,

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

2

hij op of omstreeks 21 januari 2024 te Lelystad opzettelijk een ambtenaar, te weten [agent] , werkzaam als agent bij de politie Eenheid Midden-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen:

- " je verkoopt je kontje en je mondje voor geld, hoer" en/of

- " ook jouw kankervader en kankermoeder gaan naar de hel",

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

Parketnummer 16.062347.24

hij op of omstreeks 21 februari 2024 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om uit een woning gelegen aan de [adres ] , goederen van

zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking

naar die woning is/zijn toegegaan en/of met een breekijzer in de sluitnaad van de deur een of meermalen heeft gewrikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Parketnummer 16.134546.24

1

hij op of omstreeks 6 maart 2024 te Almere [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] dreigend de woorden toe te voegen "ik zoek je op' en/of 'ik maak je kapot' en/of 'ik pak je straat' en/of 'ik maak je dood' en/of 'ik vind jou op straat' en/of 'ik onthoud je hoofd' althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2

hij op of omstreeks 2 februari 2024 te Lelystad openlijk, te weten nabij de [adres ] (achterkant van [winkel] supermarkt), in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 5] door hem een of meermalen te slaan en/of te schoppen tegen het gezicht en/of lichaam;

Parketnummer 16.251621.24

1

hij op of omstreeks 20 juli 2024 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp uit zijn, verdachtes tasje te halen en vervolgens met voornoemd (vuur)wapen (dreigend) in de richting van die [slachtoffer 6] te lopen;

2

hij op of omstreeks 31 juli 2024 te Lelystad een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasdrukpistool, merk Glock, Model 17, Kaliber 6mm voorhanden heeft gehad.

Bijlage II: Bewijsmiddelen

Bewijsmiddelen in parketnummer 16.059543.25

Feit 1 subsidiair (medeplegen poging zware mishandeling)

Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 10 maart 2025, p. 37, 38 en 39

Op maandag 10 maart 2025was ik in mijn woning te [woonplaats] . Ik zag een man in mijn slaapkamer verschijnen. Ik herkende deze persoon als [medeverdachte] . Ik zag naast [medeverdachte] een andere man staan. Ik herkende hem als [verdachte] . Ik zag dat zij beiden op mij sprongen. Ik voelde dat zij beiden op mij lagen. Ik lag op dit moment nog op mijn bed. Ik voelde meerdere stompen op mijn hele lichaam. Ik voelde enorme pijn na elke stomp op mijn lichaam. Ik voelde meerdere klappen op mijn gezicht en op mijn benen. Ik voelde enorme pijn. Ik voelde harde steken. Ik zag dat zij beiden een gebalde vuist maakten en mij in mijn gezicht sloegen. Ik zag dat zij dit met beide handen deden. Ik voelde meerdere keren hun vuisten mijn gezicht raken. Ik voelde hevige pijn in mijn gezicht. Ik hoorde klappen op mijn gezicht. Ik zag dat [medeverdachte] voor de trap stond. Ik keek naar [medeverdachte] en wilde mijzelf redden. Ik wilde mijzelf van de trap afgooien om weg te komen. Terwijl ik naar [medeverdachte] keek, die bij de trap stond, voelde ik dat er aan mij werd getrokken. Ik zag dat zij beiden aan mij trokken. Ik heb mijzelf losgetrokken van [medeverdachte] en [verdachte] . Ik voelde harde klappen op mijn been. Ik zag dat zij allebei trappen gaven op mijn been. Ik viel naar beneden van de trap af. Ik voelde mijn lichaam terecht komen op de traptreden. Ik voelde dat mijn lichaam tot stilstand kwam.

Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 12 maart 2025, p. 214, 217 en 219

Ik heb heel veel pijn. Mijn hele lichaam. [medeverdachte] gaf de ergste stompen. Beiden sloegen ze mij met hun vuisten. [medeverdachte] dit deed echt met kracht. Op mijn gezicht, benen en arm. Het leek alsof ze niet stopten.

Ik viel boven aan de trap. [medeverdachte] gaf mij toen een trap. Opeens stond ik beneden.

Een proces-verbaal van forensisch onderzoek persoon van 15 maart 2025, p. 229 en 230

Slachtoffer: [slachtoffer 1] .

Tijdens het onderzoek zagen wij dat het slachtoffer:

- Op de linker bovenzijde van haar hoofd een wond had, die niet gehecht of gelijmd was (zie foto 1 en 2);

- Verticale stroomsporen van opgedroogd bloed over haar gezicht had;

- Bloed uit haar linkeroor had en dat het tijdens het onderzoek nog eruit stroomde. Uit medisch onderzoek bleek dat dit niet uit haar hoofd kwam maar uit het oor zelf;

- In de hals, met name aan de linkerzijde, rode huidverkleuringen had (zie foto's 3-5);

- Op de achterzijde van de linkerarm een paars/rode huidverkleuring had (zie foto’s 6-8);

- Op de rechterschouder een rode huidverkleuring had (zie foto 9 en 10),

- Op de rug, ter hoogte van het linkerschouderblad, rode huidverkleuringen had (zie foto 11 en 12);

- Op de linker bil een blauwe plek had, met daaronder een oppervlakkige huid beschadiging in de vorm van een verticale streep, en daaronder een bult met blauwe plek (zie foto's 13-16);

- Op het linker bovenbeen diverse ronde blauwe plekken had;

- Op de onderbenen geen huidbeschadigingen of blauwe plekken had (zie foto 17);

- Op de zijkant van het rechterbovenbeen een oppervlakkige huidbeschadiging met gedeeltelijke ontvelling had (zie foto 18);

- Op de handen zagen wij onder en op de nagels een op bloed gelijkende substantie. Op de handpalm van de linkerhand zagen wij ook een op bloed gelijkende substantie. Op de binnenzijde van de rechterhand zagen wij enkele op bloed gelijkende vlekken (zie foto 19 en 20);

- Op de zijkant van de linkerhand, ter hoogte van de duimmuis, zagen wij een oppervlakkige huidbeschadiging in de vorm van een horizontale streep.

Een letselrapportage Forensische Geneeskunde van de GGD van 12 maart 2025, p. 315-316

De gemelde toedracht past zeer goed bij het letsel.

De verklaring van [verdachte] op de zitting van 17 maart 2026

Ik heb haar geslagen, met vuisten, en haar geschopt en getrapt.

Feit 3 (voorhanden hebben wapen)

Een proces-verbaal van bevindingen van 10 november 2024, p. 47

Op zaterdag 9 november 2024 ben ik omstreeks 21:00 uur aangesloten bij een incident waarbij twee op vuurwapens gelijke voorwerpen waren aangetroffen aan de

Volkerakstraat te Lelystad. Ik zag op de grond twee op vuurwapen gelijkende voorwerpen zitten.

Een proces-verbaal van bevindingen van 20 februari 2025, p. 116 t/m 119

Omschrijving voorwerpen:

1

Goednummer: PL0900-2024357135-3433863 (pistool) en PL0900-2024357135-3435829 (patroonmagazijn)

SIN: AASB8551NL & AAQT9218NL

Wapen: vuurwapen, pistool (foto's 1 t/m 5)

Categorie: III sub I

Bovengenoemd voorwerp, merk Blow, model TR92, kaliber 9mm P.A.K. en voorzien van het wapennummer [wapennummer] (foto's 1 en 2). Dit merk en model worden van fabriekswege geleverd als zowel gaspistolen als alarmpistolen.

Bij dit voorwerp bleek de loop te zijn ververvangen, waardoor dit pistool is voorzien van een volledig open loop. Hierdoor kunnen er projectielen door de loop worden verschoten.

Dit pistool is een voorwerp dat bestemd is om projectielen of stoffen door een loop af te schieten. De werking van dit pistool berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

Een rapport Forensisch DNA-onderzoek van Eurofins van 20 januari 2025, p. 134 en 136

Een proces-verbaal van bevindingen van 27 maart 2025, p. 392 t/m 394

Bij deze aanhouding op 10 maart 2025 had [verdachte] dit toestel bij zich, een iPhone 12 mini. In de telefoon vond ik een chat tussen batjoozoekend en jd_stp, dit betreft een chat afkomstig uit Snapchat. Uit het onderzoek (TCI-informatie), de foto’s (selfies) en de chats kan ik opmaken dat batjoozoekend in gebruik is bij [verdachte] en dat jd_stp in gebruik is bij [medeverdachte] .

Op 7 november 2024 om 00:11:14 uur stuurt [medeverdachte] een foto naar [verdachte] , de wapens op de foto tonen zeer veel overeenkomsten met de gevonden wapens op 9 november op de Volkerakstraat in Lelystad. [verdachte] verklaarde op de Volkerakstraat te zijn geweest die avond. De overeenkomsten met de gevonden wapens zijn: één zwart vuurwapen/één zilver met zwartkleurig wapen, de zilveren slede en het zilveren gedeelte op de trekkerhaak.

Bewijsmiddelen in parketnummer 16.026459.24

Feit 4 (belediging [hoofdagent] )

- de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 17 maart 2026;

- een proces-verbaal van aangifte door [hoofdagent] van 21 januari 2024, p. 6;

- een proces-verbaal van bevindingen van 21 januari 2024, p. 17 en 18;

- een proces-verbaal van bevindingen van 22 januari 2024, p. 13 t/m 14;

- een proces-verbaal van bevindingen van 21 januari 2024, p. 20.

Feit 5 (belediging [agent] )

Een proces-verbaal van aangifte door [agent] van 21 januari 2024, p. 9

Hierbij doe ik aangifte van belediging. De door mij aangehouden verdachte heeft mij

opzettelijk beledigd.

Hierdoor voel ik mij in mijn naam en goede eer aangetast.

Een proces-verbaal van bevindingen van 22 januari 2024, p. 12 en 14

Op zondag 21 januari 2024 was ik, verbalisant [agent] , samen met collega [hoofdagent] belast met incidentenafhandeling in Lelystad. Ik was gekleed in politie-uniform en wij reden in een herkenbaar politie voertuig.

Tegen mij persoonlijk gericht hoorde ik de verdachte roepen:

-"je verkoopt je kontje en je mondje voor geld, hoer";

-"ook jouw kankervader en kankermoeder gaan naar de hel".

Ik weet dat dit tegen mij persoonlijk gericht was omdat ik hem vroeg of hij op zijn woorden wilde letten. Vervolgens keek ik over mijn rechter schouder en ik zag dat de verdachte mij aankeek toen hij de belediging uitsprak.

[agent] , werkzaam als agent bij de Eenheid Midden-Nederland.

Een proces-verbaal van bevindingen van 21 januari 2024, p. 17

Ik, verbalisant, hoorde dat mijn collega [agent] vervolgens de verdachte aansprak op

zijn taalgebruik, Ik hoorde dat de verdachte tegen mijn collega zei:" jij verkoopt je

kontje en je mondje hoer". Vervolgens hoorde ik dat de verdachte tegen [agent] zei: "ook jou kanker vader en moeder gaan naar de hel".

Parketnummer 16.062349.24

Feit 6 (poging woninginbraak)

- de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 17 maart 2026;

- een proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 2] van 21 februari 2024, p. 12 t/m 14 en 22;

- een proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde 1] van 21 februari 2024, p. 27 t/m 28.

Parketnummer 16.134546.24

Feit 7 (bedreiging)

- de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 17 maart 2026;

- een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] van 6 maart 2024, p. 142;

- een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] van 6 maart 2024, p. 145 t/m 146;

- een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] van 6 maart 2024, p. 147.

Feit 8 (openlijk geweld)

De verklaring van [verdachte] op de zitting van 17 maart 2026:

Ik ben die avond in de [winkel] geweest met andere jongens. Ik sta op de beelden in de [winkel] , waarop de politie mij heeft herkend.

Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5] van 9 februari 2024, p. 45,

Na het werk in de [winkel] aan de [adres ] , omstreeks 21.10 uur, liep ik de winkel uit via de achterkant van het pand. Na de schop roept de jongen naar zijn vrienden dat de jongen geschopt is door mij. Ik wilde toen doorlopen, toen schold de jongen mij nogmaals uit waarop ik mijzelf omdraaide richting de jongen. Ik zag op dat moment dat de jongen de fiets naast zich parkeert en afstapt van de Fatbike. De jongen die mij heeft uitgescholden en op de fiets reed, noem ik vanaf nu dader 1. Ik zie, uit de richting van de Domino's die aan de Voorstraat zit, een groep jongens mijn richting op komen rennen. De groep bestaat ongeveer uit zes tot tien jongens.

Dader 1 begon mij te schoppen en te slaan. Hij raakte mij eerst met zijn rechter been, op mijn rechter voet. Ik voelde pijn, een stekend gevoel op mijn rechtervoet. Vervolgens kreeg ik een klap op mijn neus, ik weet niet meer met welke hand hij mij geslagen heeft, volgens mij was dit met een gebalde vuist. Door de klap ontstond er bij mij een bloedneus. Ik viel vervolgens op de grond, ik viel volgens mij op mijn rechterzijde. Dit weet ik omdat ik op mijn rechter knieschijf een wond heb opgelopen en mijn knie vervolgens blauw is geworden. Op moment dat ik op de grond ben gevallen voelde ik dat ik meerdere schoppen kreeg op mijn rechterbeen en op mijn rug. Ik voelde pijn en meerdere steken, de pijn voelde alsof ik hard viel tijdens het voetballen. Ik weet dat ik door meerdere jongens ben geschopt omdat ik dit voelde en heb gezien. Ik voelde dit doordat ik meerdere schoppen tegelijkertijd kreeg.

Een proces-verbaal van bevindingen van 18 februari 2024, p. 69 t/m 71

Ik zag op camerabeelden [slachtoffer 5] lopen over het parkeerterrein in de richting van [straat] te Lelystad. Op dat moment veranderde [slachtoffer 5] zijn pas van lopen naar rennen en schopte hij tegen de jongere op de fatbike. [slachtoffer 5] liep door en de jongere op de fatbike kruiste hem voorlangs en zette daarna de fatbike neer. Daarna volgde er een trap van [slachtoffer 5] en een klap naar het hoofd van [slachtoffer 5] door de jongen die van de fatbike was afgestapt. Daarna kwam het groepje, de overige vijf personen, die ik op de andere camerabeelden tegenover de [winkel] had zien staan, aan rennen. De voorste van dit groepje schopte [slachtoffer 5] omver. Daarna werd [slachtoffer 5] door de jongen die op de fatbike zat en de voorste 4 aankomende jongeren geschopt terwijl hij op de grond lag. Dit leken ook schoppen te zijn richting zijn hoofd. Ik herken naast [slachtoffer 5] , alle 6 jongeren, waarvan er 5 schopten.

Ik heb de [winkel] medewerkers [getuige 1] en [getuige 2] ook kort gesproken, die verklaarden ook dat het om een bekend groepje jongeren ging dat regelmatig in de [winkel] komt. Dit groepje zou ook die avond, vlak voor het voorval, in de winkel zijn geweest. Ik heb deze camerabeelden ook bekeken. Dit betreffen de camerabeelden waarbij een groep jongeren de [winkel] komt binnenlopen en camerabeelden dat deze jongeren bij de servicebalie staan. Dit betroffen 5 jongeren die ik alle vijf direct herkende vanuit eerder staande houdingen en tot wel tientallen gesprekken met deze jongeren.

NN3 herken ik als [verdachte] , geboren op [2008] te [geboorteplaats] . Ik herken hem aan zijn korte postuur, zijn ronde hoofd, zijn korte zwarte haar, zijn getinte gezicht en gouden tanden. Daarbij herken ik ook zijn kleding, donkere broek en zwarte, dunne, donkergroen/grijze jas. Ik heb hem meermaals in die jas en schoenen gezien.

Wat betreft de beelden van de mishandeling: de jongen op de fatbike betreft [medeverdachte]

, ik herken hem aan zijn kleding en postuur. De jongen die als tweede komt

aanrennen is [A] . Te zien is dat [A] aangever [slachtoffer 5]

onderuit schopt. Daarna komen achtereenvolgens [verdachte] , [B] ,

[C] en [D] aanrennen. Te zien is dat ze allemaal schoppen tegen aangever [slachtoffer 5] , behalve [D] .

Ik herken alle jongeren aan hun postuur en huidskleur en kleding. Ik herken ze ook

omdat deze jongeren behoren bij een vast groepje jongeren die bijna dagelijks bij

elkaar zijn en ik heb ze in die combinatie dan ook al tientallen keren gezien.

[verdachte] herken ik aan zijn donkere, strakkere jas en donkere broek zoals de beelden van eerder die avond.

De eigen waarneming van de rechtbank op basis van de bewegende beelden van de openlijke geweldpleging (bestandsnamen [bestandsnaam] _ [bestandsnaam] en [bestandsnaam] )

De rechtbank herkent [verdachte] op de beelden van de openlijke geweldpleging (bestand [bestandsnaam] _ [bestandsnaam] ) als de jongen die als tweede aan komt rennen, na de jongen met de blauwe jas. De rechtbank herkent hem aan zijn haardracht, postuur, donkere kleding en het tasje dat hij ook draagt op de beelden bij de [bestandsnaam] .

Parketnummer 16.251621.24

Feit 9 (bedreiging)

- de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 17 maart 2026;

- een proces-verbaal van bevindingen van 29 juli 2024, p. 9;

- een proces-verbaal van bevindingen van 27 juli 2024, p. 16, 21 t/m 24.

Feit 10 (wapenbezit)

- de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 17 maart 2026;

- een proces-verbaal van bevindingen van 1 augustus 2024, p. 60;

- een proces-verbaal van bevindingen van 1 augustus 2024, p. 62 t/m 63.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?