ECLI:NL:RBMNE:2026:154

ECLI:NL:RBMNE:2026:154

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 15-01-2026
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer 604234
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

de kinderrechter beschouwt het ongeboren kindje als geboren, stelt het ongeboren kindje onder toezicht van de GI en verleent de GI de machtiging om de ongeboren baby na de geboorte uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Utrecht

Zaaknummer: C/16/604234 / JE RK 25/1899

Datum uitspraak: 15 januari 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

Midden-Nederland, Utrecht,

hierna te noemen de Raad,

over

het ongeboren kind [ongeboren kind],

hierna te noemen het ongeboren kind.

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. S. Koҫak,

[vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats] .

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen de GI.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in haar beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 december 2025;

het raadsrapport van 23 december 2025;

het herziene raadsrapport van 24 december 2025;

een productie van de moeder van 30 december 2025.

De zitting stond gepland op 6 januari 2026. In verband met weersomstandigheden is de zitting verplaatst naar 15 januari 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- [A] , een vertegenwoordiger van de Raad;

- [B] en [C] , vertegenwoordigers van de GI.

De kinderrechter heeft direct na de zitting mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking daarvan.

2. De feiten

De vader en moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Op dit moment hebben zij geen affectieve relatie.

De moeder heeft vijf kinderen: [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] , [kind 4] en [kind 5] . [kind 1] woont bij zijn oma en (stief-)opa, zij hebben de voogdij over hem. [kind 2] woont ook bij deze oma en (stief-opa) in afwachting van een meer geschikte woonplek. [kind 3] woont in een gezinshuis en [kind 4] en [kind 5] wonen in een (neutraal) pleeggezin.

De moeder is zwanger van de vader (hij is ook de vader van [kind 4] en [kind 5] ). Zij is in verwachting van een meisje en haar bevalling zal op [datum] 2026 worden ingeleid.

De moeder woont sinds half november 2025 bij de [instelling 1] .

De vader woont in een woning van de [instelling 2] .

3. Het verzoek

De Raad verzoekt het ongeboren kind onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar. Daarnaast verzoekt de Raad om de GI te machtigen de baby direct na de geboorte te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van een jaar. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De moeder stemt in met de ondertoezichtstelling, maar niet met de machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder erkent haar instabiliteit, maar benadrukt dat ze een goede moeder wil en kan zijn. Ze geeft aan dat ze in een 24-uurs begeleidingssetting verblijft, waar de veiligheid gewaarborgd is en dat ze bereid is om extra stappen te zetten. Ze is begonnen met EMDR-traumabehandeling en heeft zich aangemeld bij de Waag voor verdere ondersteuning. De moeder heeft verder aangegeven dat ze borstvoeding wil geven en alle benodigde babyspullen al heeft. De moeder vindt een machtiging tot uithuisplaatsing te zwaar en benadrukt dat ze in een veilige setting is, waar ze de baby kan verzorgen.

De vader stemt in met de ondertoezichtstelling, maar vindt de machtiging uithuisplaatsing te ingrijpend. De vader vraagt zich af of de Raad alleen naar het verleden kijkt en benadrukt dat de situatie van beide ouders verbetert. Hij ziet de uithuisplaatsing als een te zware maatregel en wenst tijd en ruimte voor de ouders om hun stabiliteit aan te tonen.

5. De beoordeling

De beslissing

De kinderrechter beschouwt het ongeboren kind als geboren en stelt het ongeboren kind onder toezicht voor de duur van een jaar. Daarnaast verleent de kinderrechter aan de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van de baby in een pleeggezin voor de duur van zes maanden, de beslissing op het overige deel van het verzoek houdt de kinderrechter aan. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.

Wat zegt de wet?

Op grond van artikel 1:2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een ongeboren kind als geboren beschouwen als dit in zijn belang is.

Op grond van artikel 1:255 BW kan de kinderrechter vervolgens een kind onder toezicht stellen als het in de ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Daarnaast moet sprake zijn van de situatie dat het de ouders niet lukt om de hulp die nodig is om de bedreiging weg te nemen te aanvaarden. Tot slot moet bij de kinderrechter de verwachting bestaan dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind zelf weer kunnen dragen.

Op grond van artikel 1:265b BW kan de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen als dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

De toelichting ten aanzien van de ondertoezichtstelling

Uit de stukken en het gesprek op de zitting volgt dat aan de criteria uit de wet voor een ondertoezichtstelling is voldaan.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging

De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang van het ongeboren kind is om het als geboren te beschouwen, zodat het onder toezicht kan worden gesteld. De kinderrechter maakt zich namelijk net als de Raad zorgen over het ongeboren kind. Er is op dit moment onvoldoende stabiliteit in het leven van beide ouders om zelfstandig goed voor de baby te kunnen zorgen.

De Raad heeft een zorgwekkend beeld geschetst van de situatie van de ouders. Deze situatie kenmerkt zich door langdurige instabiliteit, onveilige gezinsomstandigheden en een herhaald patroon van onvoldoende zorg voor de eerdere kinderen. De ouders hebben te maken met ingrijpende problematiek, zoals trauma’s en middelengebruik. Deze problematiek is tot nu toe nog onvoldoende behandeld. Verder is er sprake van een risicovolle relatie tussen de ouders die in het verleden verschillende heeft geleid tot huiselijk geweld. Ook blijkt tot nu toe bij de ouders onvoldoende inzicht en leerbaarheid te bestaan in wat een kindje nodig heeft.

Het vrijwillig kader is onvoldoende

De kinderrechter heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de ontwikkelingsbedreiging in het vrijwillig kader weggenomen kan worden. Enerzijds staan de ouders open voor hulpverlening, dat is positief. Anderzijds is ook een patroon zichtbaar waarbij de ouders de afgelopen jaren verschillende hulpverleningstrajecten zijn opgestart, maar de inzet van deze trajecten onvoldoende heeft geleid tot meer stabiliteit bij ouders. Deze trajecten hebben er ook niet voor gezorgd dat de zorg en de beschikbaar van de ouders voor de kinderen is verbeterd. Ondanks dat de ouders bereidheid tonen om hulp te accepteren, zijn zij onvoldoende in staat om op korte termijn te voldoen aan de opvoedbehoeften van de baby.

De doelen van de ondertoezichtstelling

Binnen de ondertoezichtstelling dient er in ieder geval aan de volgende door de Raad geformuleerde doelen te worden gewerkt:- de baby ervaart voldoende geborgenheid door een rustige structuur in de opvoedomgeving, opvoeders die contact maken en afgestemd reageren op haar behoeften en ontwikkelingsfase, haar helpen bij het reguleren van haar emoties (sensitief en responsief ouderschap);

- de baby heeft passend contact met ouders in duur en frequentie en ervaart regelmaat in het contact met haar ouders, die voorspelbaar reageren en afgestemd zijn op wat zij tijdens de contacten met hen aan kan. De ouders werken hieraan door de tips en adviezen die zij krijgen tijdens de omgang uit te voeren;

- er is, binnen een voor de baby aanvaardbare termijn, duidelijkheid waar de baby gaat wonen en zal opgroeien;

- de regievoerende instantie onderzoekt de mogelijkheden voor de baby en haar (half)broers om kennis te maken en contact te hebben op een wijze die past bij de mogelijkheden en draagkracht van de kinderen.

De duur van de ondertoezichtstelling

De kinderrechter stelt de ongeboren baby onder toezicht voor de duur van één jaar. Dat is de tijd die nodig is om aan de hiervoor genoemde doelen werken. De kinderrechter weegt hierbij mee dat de ouders het eens zijn met de ondertoezichtstelling.

De toelichting ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing

De kinderrechter stelt voorop dat deze beslissing ingewikkeld is. Het is nauwelijks voorstelbaar wat de (emotionele) gevolgen hiervan voor de moeder zullen zijn. De advocaat van de moeder heeft gesteld dat het de moeder gegund moet worden om straks zelf voor haar baby te zorgen. Maar dat is niet de toets die de kinderrechter moet toepassen. Uiteraard wordt het de moeder gegund om voor haar baby te zorgen, maar de vraag die de kinderrechter moet beantwoorden is of de machtiging tot uithuisplaatsing (na de geboorte) noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de baby.

De baby heeft straks na de geboorte belang bij de hechting met haar moeder, het in haar armen liggen en borstvoeding ontvangen. Tegelijkertijd heeft zij belang bij een veilige en gezonde hechting, dat er goed voor haar gezorgd wordt en dat er op haar behoeften wordt aangesloten. Over dat laatste heeft de kinderrechter grote zorgen. Deze zorgen zijn hierboven deels besproken in het kader van de ondertoezichtstelling.

Anders dan de advocaat van de moeder naar voren heeft gebracht, kan de kinderrechter niet anders dan ook kijken naar de situatie van de andere kinderen van de moeder en van de vader en wat in die situaties is gebeurd en geprobeerd. De moeder heeft vijf jongens die niet meer thuis wonen. Over één van hen heeft de moeder geen gezag meer. Voor de andere vier jongens wordt nu een onderzoek door de Raad afgerond over de vraag of het ouderlijk gezag over hen beëindigd moet worden. Alle jongens hebben te maken met hechtingsproblematiek. De aanwijzingen die eerder door hulpverlening aan de ouders zijn gegeven hebben aldus niet geleid tot een positieve hechting. Dat geldt helaas ook voor de aanwijzingen en begeleiding die eerder bij een moeder-kindhuis met 24-uurs begeleiding aan de ouders zijn gegeven. Dit heeft ervoor gezorgd dat deze jongens allemaal beschadigd zijn.

De vraag die de kinderrechter zich stelt, is of de situatie voor dit ongeboren kind zó anders zal zijn, dat het verantwoord is het risico te nemen haar bloot te stellen aan dezelfde problematiek als haar broertjes hebben meegemaakt. Helaas is dat niet geval. De huidige situatie is onvoldoende anders om dit risico te nemen.

De kinderrechter heeft allereerst gekeken naar de risicovolle en zorgelijke relatie van de moeder met de vader. De moeder heeft vaker verteld dat de relatie met de vader gekenmerkt werd door fysiek geweld. Ten tijde van het onderzoek van de Raad dat op 23 december 2025 is beëindigd, waren de ouders nog samen. Op de zitting geeft de moeder aan dat zij in de tussentijd de relatie met de vader heeft beëindigd. Maar de kinderrechter vraagt zich af of dit niet weer zal veranderen. De moeder heeft de relatie met de vader in het verleden namelijk vaker verbroken. Maar toch heeft het contact tussen de ouders tot de huidige zwangerschap geleid. De moeder heeft in de zittingszaal in eerdere procedures over de andere kinderen meerdere keren aangegeven andere keuzes te willen maken in haar persoonlijke leven om haar kinderen niet langer bloot te stellen aan (onder andere) partnerproblematiek, om vervolgens binnen korte tijd andere keuzes te maken die hebben geleid tot de (tweede) uithuisplaatsing van haar kinderen. De kinderrechter vindt het positief dat de ouders nu ook na de verbreking van de relatie toch de relatietherapie blijven volgen om als ouders samen door één deur te kunnen, maar door hun voorgeschiedenis is de situatie nog te fragiel om te spreken van een bestendige situatie. De zorgen over de relatie blijven daarom bestaan.

Vervolgens heeft de kinderechter de behandeling van de persoonlijke problematiek van de ouders beoordeeld. De moeder is momenteel gestart met EMDR, maar dit is nog maar het begin van de aanpak van haar persoonlijke problematiek. Voor de vader is het nog niet duidelijk welke behandeling noodzakelijk is. Dit betekent dat de baby na haar geboorte voorlopig niet zal profiteren van enige verbetering in de persoonlijke problematiek van de ouders, omdat er op dit moment nog geen sprake is van enige substantiële verandering. De GI heeft al jaren geprobeerd de moeder te begeleiden in het zoeken naar hulp voor haar problematiek. Dit heeft tot nu toe geen wezenlijke positieve veranderingen opgeleverd. De verwachting is niet dat dit snel zal veranderen.

De advocaat van de moeder heeft aangegeven dat een plaatsing bij [instelling 1] , met 24-uurs begeleiding, voldoende veiligheid zal bieden. De kinderrechter ziet dit echter niet als oplossing. Intensieve begeleiding is eerder geprobeerd, maar heeft bij de andere kinderen niet geleid tot een verbetering. Ondanks de 24-uurs begeleiding die de ouders toen kregen, is namelijk toch sprake van hechtingsproblematiek bij de andere kinderen. De advocaat van de moeder stelt dat het kijken naar de situatie van de andere kinderen getuigt van vooringenomenheid, maar de kinderrechter ziet dit anders. De situatie met de andere kinderen geeft belangrijke inzichten in de mogelijkheden en onmogelijkheden van de ouders om de situatie voor hun kinderen te verbeteren. Hieruit volgt een verhoogd risico dat het met komende baby hetzelfde zal gaan.

De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing uitspreken voor de duur van zes maanden en de beslissing op het overige deel van het verzoek aanhouden. Deze termijn is passend omdat in het rapport van de Raad wordt gesproken over een aanvaardbare termijn. Een machtiging tot uithuisplaatsing is een zeer ingrijpende maatregel, en de kinderrechter heeft de taak om zorgvuldig te blijven toetsen of aan de wettelijke vereisten voor zo’n maatregel wordt voldaan, zeker wanneer het om een baby gaat. Daarbij dient zorgvuldig onderzocht te worden of de baby veilig bij de ouders kan opgroeien en moet het perspectief niet nu al bij anderen dan de ouders liggen. De kinderrechter verzoekt de GI daarom om serieus te blijven kijken naar de mogelijkheden van de ouders om in de toekomst, al dan niet in deeltijd, voor hun kindje te zorgen. Dit betekent dat er bij toekomstige zittingen door de GI en de Raad stukken moeten worden overgelegd die een standpunt hierover onderbouwen.

De kinderrechter begrijpt dat deze beslissing voor de moeder afschuwelijk is. De kinderrechter gaat ervan uit dat de GI deze beslissing op een zorgvuldige en (voor zover mogelijk) menselijke manier zal uitvoeren, en de nodige afspraken zal maken met de ouders over de periode rondom de geboorte en daarna. Bij het maken van contactafspraken tussen de ouders en de baby dient het uitgangspunt van thuisplaatsing gehanteerd te worden.

Uitvoerbaar bij voorraad

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

beschouwt het ongeboren kind als geboren;

stelt het ongeboren kind onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 15 januari 2026 tot 15 januari 2027;

verleent de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering de machtiging om de ongeboren baby na de geboorte uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van zes maanden;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

houdt het resterende deel van het verzoek aan;

vraagt de GI en de Raad om de rechtbank (en de ouders) uiterlijk 25 juni 2026 te informeren over de recente stand van zaken en de visie op het vervolg van de procedure.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026 door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, mr. C. A. Lammertink, en op schrift gesteld op 23 januari 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?