RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 op het verzet van
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5320-V
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, opposante,
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat geopposeerde heeft ingediend omdat opposante niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 28 maart 2024.
In de uitspraak van 20 oktober 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en heeft opposante veroordeelt tot het betalen van de proceskosten van € 453,50 aan geopposeerde.
Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposante heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
Ten aanzien van het verzet
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 20 oktober 2025 het beroep gegrond verklaard, omdat opposante niet tijdig een besluit heeft genomen op het bezwaar van geopposeerde.
Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 20 oktober 2025 niet juist was.
3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 20 oktober 2025 niet juist omdat er geen sprake is van het inschakelen van een professionele (juridische) rechtshulpverlener. Volgens opposante is de indiener van het beroepschrift namelijk werkzaam bij geopposeerde.
4. Geopposeerde is van mening dat volgens vaste rechtspraak het criterium “door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand” niet beperkt tot externe advocaten maar dat ook interne juristen als “derde” gelden. Daarnaast geeft geopposeerde aan dat het uitsluiten van interne juristen zou leiden tot een ongerechtvaardigd onderscheid en partijen kan stimuleren om externe advocaten in te schakelen, wat juist hogere kosten veroorzaakt.
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet kennelijk (dus buiten redelijke twijfel) gegrond verklaard had mogen worden.
6. Omdat het verzet zich enkel richt tegen de toepassing van artikel 8:75 van de Awb, bestaat geen aanleiding om de uitspraak van 20 oktober 2025 volledig vervallen te verklaren. De rechtbank zal deze dan ook alleen laten vervallen voor zover daarbij artikel 8:75 van de Awb is toegepast. Omdat het alleen gaat om de hoogte van de proceskostenveroordeling,
zal de rechtbank de beoordeling van het beroep daartoe beperken.
Ten aanzien van het beroep
7. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb tevens uitspraak te doen op het beroep, omdat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en partijen in de gelegenheid zijn gesteld om op een zitting te worden gehoord en zijn gewezen op de bevoegdheid van de rechtbank om tevens uitspraak te doen op het beroep.
8. Opposante zal hierna verder worden aangeduid als verweerder.
9. Uit het dossier en de Landelijke Advocaten Tabel blijkt dat de gemachtigde van eiseres in dienst is bij eiseres zelf. Geopposseerde heeft voor de beroepsprocedure dus gebruik gemaakt van een van haar eigen advocaten. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb kan een vergoeding van proceskosten alleen betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Een eigen advocaat kwalificeert niet als een derde.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep blijft gegrond.
11. De rechtbank ziet aanleiding om de uitspraak van 20 oktober 2025 in afwijking van artikel 8:55, negende lid, van de Awb gedeeltelijk vervallen te verklaren. Dit geldt ten aanzien van r.o. 8 en dat deel van het dictum dat gaat over de toekenning van de proceskosten. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak, voor zover de overwegingen daarvan zien op de toekenning van proceskosten in de beroepsprocedure daarvoor in de plaats treedt.
12. Eiseres heeft geen kosten gemaakt voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank kent dus geen vergoeding van proceskosten toe
Beslissing
De rechtbank:
In het verzet met het kenmerk UTR 25/5320-V:
- verklaart het verzet gegrond.
In het beroep met het kenmerk UTR 25/5320:
- verklaart het beroep gegrond:
- verklaart de uitspraak van 20 oktober 2025 vervallen wat betreft de overwegingen en dat deel van het dictum waarin artikel 8:75 van de Awb is toegepast:
- bepaalt dat de overwegingen over de proceskostenvergoeding van deze uitspraak daarvoor in de plaats treden;
- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.
de griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend, voor zover daarbij is beslist op het verzet. Als u het niet eens bent met deze uitspraak, voor zover daarbij is beslist op het beroep, dan kunt u hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep. U moet dit doen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.