RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/583156 / HA ZA 24-531
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. S. Schuurman,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. C.M. van der Corput.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding zonder producties
- de akte overlegging producties met producties 1 t/m 51 van [eiser]- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met producties 1 t/m 30
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 35 (aanvulling op eerder ingediende productie 35) en 52 t/m 60- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte aanvulling grondslagen eis in reconventie
- het bericht van 22 augustus 2025 met producties 31 t/m 43 van [gedaagde]- de mondelinge behandeling van 4 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De kern
[gedaagde] heeft als hoofdaannemer een aannemingsovereenkomst gesloten met [eiser] als onderaannemer. [eiser] vordert in conventie betaling van diverse meerwerkposten en van stagnatieschade. De rechtbank wijst een deel van de meerwerkposten toe, omdat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat zij recht heeft op betaling hiervan. Het is voor de rechtbank onmogelijk om uit de stukken op te maken wat de hoogte van de totale vordering van de toegewezen meerwerkposten is. Daarom mogen partijen zich op dat punt nog bij akte uitlaten. De stagnatieschade is door [eiser] daarentegen onvoldoende onderbouwd en wordt daarom volledig afgewezen. De door [gedaagde] in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat de door haar gepresenteerde eindafrekening juist is, wordt afgewezen. Daarnaast vordert [gedaagde] de terugbetaling van een deel van een door haar aan [eiser] betaalde meerwerkposten en betaling van kosten voor werkzaamheden die zij door toedoen van [eiser] heeft moeten uitbesteden. De vordering tot (terug)betaling van de teveel betaalde kosten voor de meerwerkpost, wordt gedeeltelijk toegewezen. De overige vorderingen worden afgewezen, omdat deze onvoldoende onderbouwd zijn.
3. De achtergrond van het geschil
Partijen hebben gewerkt aan het bouwproject [project] Zoetermeer ( [project] ); een nieuw vervoersknooppunt van railverbindingen.. De Gemeente Zoetermeer was de opdrachtgever van dit project, [gedaagde] heeft in dit project opgetreden als hoofdaannemer en [eiser] als onderaannemer van [gedaagde] . Partijen hebben in maart 2018 een aannemingsovereenkomst gesloten waarbij [eiser] de elektrotechnische installaties zou verzorgen tegen betaling van een aanneemsom van € 2.000.000,00 excl. BTW (hierna: de aannemingsovereenkomst).
De werkzaamheden van dit project zijn inmiddels afgerond, maar partijen discussiëren nog over de financiële afhandeling hiervan. Kort gezegd komt het erop neer dat [eiser] meent dat zij recht heeft op betaling van meerwerk en van stagnatieschade door [gedaagde] . [gedaagde] is het hier niet mee eens en stelt zelfs nog geld te kunnen vorderen van [eiser] .
Een deel van de discussie over de financiële afhandeling tussen partijen gaat over CCTV werkzaamheden die door onderaannemer [bedrijf 1] in opdracht van [eiser] zijn uitgevoerd. [eiser] heeft namelijk een deel van werkzaamheden die zij op grond van de aannemingsovereenkomst zou uitvoeren, aan [bedrijf 1] uitbesteed. [eiser] heeft in dat kader in 2016 al een offerte van (de rechtsvoorganger van) [bedrijf 1] ontvangen voor deze werkzaamheden. In 2018 is opnieuw een offerte opgesteld door [bedrijf 1] , omdat de offerte van 2016 niet meer geldig was. [eiser] heeft [bedrijf 1] na overleg met [gedaagde] akkoord gegeven voor het uitvoeren van de opdracht. Later kwamen [eiser] en [gedaagde] erachter dat er een groot prijsverschil zat tussen de offerte uit 2016 en die uit 2018 en dat in de offerte uit 2018 minder werkzaamheden waren opgenomen dan in de offerte van 2016. Beide partijen vinden dat [bedrijf 1] een onredelijk hoog bedrag rekent voor het uitgevoerde werk. Over de financiële afhandeling is [eiser] een procedure gestart tegen [bedrijf 1] bij de Stichting Raad van Arbitrage voor Metaalnijverheid en -Handel (hierna: de Raad). De Raad heeft op 14 augustus 2023 in deze zaak vonnis gewezen en [bedrijf 1] hierbij in het gelijk gesteld (hierna: het arbitraal vonnis). Kort gezegd komt het erop neer dat [eiser] de financiële afhandeling van de opdracht aan [bedrijf 1] moet baseren op de offerte van 30 augustus 2018 en dat [eiser] het door [bedrijf 1] gevorderde meerwerk moet betalen. [eiser] wil de kosten die zij heeft moeten betalen aan [bedrijf 1] volledig doorbelasten aan [gedaagde] . Daar is [gedaagde] het niet mee eens en daarom is dit onderdeel van de discussie over de financiële afhandeling met [gedaagde] .
In eerste instantie is [eiser] over de financiële afhandeling met [gedaagde] een procedure gestart bij de Raad. In het vonnis van de Raad van 28 mei 2024 (productie 1 [gedaagde] ) is geoordeeld dat de Raad op grond van bestekdeel A van de aannemingsovereenkomst niet bevoegd is over de inhoud van dit geschil te oordelen. Kort gezegd is de motivering van de Raad dat zowel de ALIB 2007 als de bepalingen van bestekdeel A van toepassing zijn op de aannemingsovereenkomst, wat betreft de bevoegdheid prevaleren de bepalingen in bestekdeel A boven de ALIB 2007, omdat de bepalingen van bestekdeel A geen algemene voorwaarden zijn, maar specifiek zijn opgesteld voor het project [project] . ALIB 2007 zijn daarentegen wel algemene voorwaarden. Naar aanleiding van dit vonnis is [eiser] deze bodemprocedure gestart bij de rechtbank.
[gedaagde] stelt zich op haar beurt op het standpunt dat zij teveel heeft betaald aan [eiser] voor de CCTV werkzaamheden van [bedrijf 1] . Het teveel betaalde bedrag vordert [gedaagde] terug door in deze procedure een reconventionele vordering in te stellen. [gedaagde] vordert ook andere kosten die zij naar eigen zeggen heeft moeten maken, omdat [eiser] haar verplichtingen ten aanzien van het aanleveren van documentatie van de uitgevoerde werkzaamheden (de revisiebescheiden) niet zou zijn nagekomen.
4. De beoordeling
In conventie en in reconventie
De rechtbank wenst allereerst het volgende op te merken. Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen in het algemeen onduidelijk en onzorgvuldig geprocedeerd. Diverse malen worden data en bedragen verkeerd genoemd en zijn berekeningen niet te volgen, is het bij tekstuele verwijzingen onduidelijk waarnaar precies wordt verwezen en zijn de standpunten en de onderbouwing van deze standpunten niet helder weergegeven. Ook zijn diverse stukken meer dan één keer als productie in het geding gebracht wat niet bevorderlijk is voor de overzichtelijkheid van dit geschil, mede gelet op het aantal producties en de omvang van deze producties. Hierdoor heeft de rechtbank een onnodig grote inspanning moeten leveren om tot een oordeel in dit geschil te komen. Daarnaast heeft dit ertoe geleid dat de rechtbank op dit moment geen eindvonnis kan wijzen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat partijen eerst een akte mogen nemen, zoals hierna in dit vonnis wordt toegelicht.
In conventie
[gedaagde] moet een deel van het door [eiser] gevorderde meerwerk aan [eiser] betalen
[eiser] heeft in totaal een bedrag van € 373.309,34 aan meerwerk gevorderd. De rechtbank zal oordelen dat [gedaagde] diverse meerwerkposten (volledig of gedeeltelijk) aan [eiser] moet betalen. Het deel van de vordering dat niet zal worden toegewezen, is onvoldoende onderbouwd door [eiser] of tijdens de mondelinge behandeling als vordering ingetrokken. De rechtbank licht dit oordeel per meerwerkpost toe. Uit de door partijen overgelegde stukken is niet op te maken welke invloed het oordeel over de afzonderlijke meerwerkposten heeft op de hoogte van de toe te wijzen vordering. Daarom zal de rechtbank bepalen dat partijen dit bij akte nader mogen toelichten.
Algemeen
[eiser] voert aan dat zij op 6 december 2021 de eindrekening van € 358.088,97 bestaande uit de nog niet betaalde meerwerkposten (productie 13 dagvaarding) bij [gedaagde] in rekening heeft gebracht. Middels het overzicht in productie 14 dagvaarding “OPNAMESTAAT Meer/minderwerk” met datum 21 september 2021 stelt [eiser] deze eindafrekening te hebben onderbouwd. Op 3 september 2022 heeft [eiser] een bijgewerkt overzicht van het uitgevoerde meerwerk naar [gedaagde] gestuurd (productie 15 dagvaarding). Op de laatste pagina van deze productie staat genoemd dat [gedaagde] nog € 373.309,34 aan [eiser] verschuldigd is. Het is voor de rechtbank onduidelijk hoe deze berekening(en) is/zijn opgebouwd. [eiser] heeft in haar dagvaarding een aantal meerwerkposten specifiek benoemd en toegelicht. Ook tijdens de mondelinge behandeling zijn alleen deze posten besproken door partijen. De rechtbank zal daarom uitsluitend over deze meerwerkposten oordelen. Voor zover [eiser] meent ook aanspraak te kunnen maken op andere meerwerkposten, zal de rechtbank deze posten afwijzen, omdat [eiser] deze niet of onvoldoende onderbouwd heeft.
Juridisch kader
Tussen partijen bestaat discussie over welke voorwaarden van toepassing zijn op de aannemingsovereenkomst. [eiser] meent dat uitgegaan moet worden van de ALIB 2007 voorwaarden. [gedaagde] is het hier niet mee eens en voert aan dat uit bestekdeel A (productie 2 [eiser] ) valt af te leiden dat de voorwaarden STABU standaard 2012 en UAV 2012 van toepassing zijn. Deze discussie is volgens partijen ook relevant voor de beoordeling van de vordering van [eiser] over de vergoeding van de meerwerkposten.
Uit de praktijk die partijen hebben gehanteerd blijkt voor de communicatie over het uitvoeren en het declareren van het meerwerk dat geen van beide stelsels zijn gevolgd. Uit de erkenning door [gedaagde] van een aantal meerwerkposten (zie hierna de bespreking van meerwerkposten afzonderlijk) volgt juist dat zij bewust is afgeweken van de in het bestek voorgeschreven procedure (welke dat ook zou mogen zijn). De rechtbank gaat daarom voorbij aan de betwisting van [gedaagde] dat [eiser] de meerwerkposten niet overeenkomstig de procedure zoals genoemd in de UAV 2012 bij haar heeft ingediend.
Beoordeling van de afzonderlijke meerwerkposten
Meerwerk 03, zal worden afgewezen: [bedrijf 1] CCTV ad € 22.275,00 excl BTW
In het arbitraal vonnis is geoordeeld dat [bedrijf 1] recht heeft op volledige betaling van deze meerwerkpost door [eiser] . [eiser] vordert (daarom) op haar beurt volledige betaling van deze meerwerkpost door [gedaagde] . [eiser] stelt zich hierbij op het standpunt dat [gedaagde] deze meerwerkpost onvoorwaardelijk heeft goedgekeurd en zij deze daarom moet betalen. Deze meerwerkpost bedraagt volgens [eiser] in totaal € 455.000,00 excl. BTW. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] hierop tot nu toe € 423.225,00 betaald. [eiser] heeft in haar dagvaarding het restant gevorderd, wat volgens haar neerkomt op een bedrag van € 21.775,00. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank haar vermoeden van een rekenfout met partijen gedeeld. € 455.000,00 - € 423.225,00 is immers € 31.775,00 en niet € 21.775,00. Dit vermoeden is door [eiser] bevestigd. Het bezwaar van [gedaagde] tegen de aanpassing van het bedrag schuift de rechtbank terzijde, omdat het een evidente verschrijving is. De rechtbank was daarom van plan om in haar beoordeling van deze meerwerkpost uit te gaan van € 31.775,00. Bij nader inzien komt de rechtbank tot de conclusie dat de totale meerwerkkosten van deze meerwerkpost € 445.500,00 excl. btw bedragen en niet € 455.000,00. Het bedrag van € 455.000,00 wordt namelijk alleen door [eiser] in de processtukken genoemd, maar uit diverse producties van partijen (waaronder productie 16 [eiser] ) volgt een bedrag van € 445.500,00. Afgezet tegen de betaling van € 423.225,00 resteert een vordering van € 22.275,00 excl. BTW. De rechtbank ziet dit als een evidente verschrijving en gaat daarom uit van dit laatste bedrag.
[gedaagde] heeft voor deze meerwerkpost ‘slechts’ € 225.000,00 ontvangen van haar opdrachtgever, de gemeente Zoetermeer. De gemeente was niet bereid meer te betalen voor dit meerwerk. Doordat de gemeente Zoetermeer niet de volledige € 445.500,00 aan [gedaagde] heeft betaald en [bedrijf 1] volgens de Raad wel recht heeft op volledige betaling van deze kosten door [eiser] , bestaat er tussen partijen discussie over de vraag voor wiens rekening het verschil komt.
Aan de discussie over deze meerwerkpost is het een en ander vooraf gegaan. Op 10 september 2018 heeft tussen [eiser] , [gedaagde] en [bedrijf 1] een bespreking plaatsgevonden over de offerte van 30 augustus 2018. Een van de agendapunten was de vergelijking van het bestek/contract tegenover het huidige ontwerp van het project in hoofdlijnen en de vraag welke onderdelen zijn toegevoegd en welke onderdelen zijn gewijzigd door de opdrachtgever (de gemeente Zoetermeer). [eiser] heeft op 17 september 2018 aan [bedrijf 1] gevraagd wat extra is ten opzichte van het bestek en de eerdere offerte. Hier heeft [bedrijf 1] op 18 september 2018 antwoord op gegeven (productie 10 [gedaagde] ):
“Onderstaande zaken zijn extra t.o.v. het bestek. Gezien de late vraagstelling kan ik hier de extra kosten van noemen, echter een verder gedetailleerde/uitgesplitste uitwerking is niet mogelijk, gezien de late vraagstelling.
CCTV ProRail inclusief glasvezelinfrastructuur € 198.825 nieuwe scope
Fides € 26.400 uitgebreide scope
Spoorlan € 153.450 nieuwe scope
Omroep € 82.000 uitgebreide scope
Overige zaken o.a. door bouwkundige wijzigingen € 20.000 uitgebreide scope
Totaal € 480.675,00
Dit is buiten de diverse andere zaken om zoals klokken , informatiesystemen.”
Op 25 september 2018 stuurt [eiser] een e-mail aan [gedaagde] waarin de bespreking tussen partijen van de dag ervoor wordt bevestigd (productie 10 [gedaagde] ):
“Naar aanleiding van ons samenzijn gistermiddag bevestigen wij hierbij hetgeen is besproken en afgesproken. (…)
Aan de hand van de tekeningen t/m 7-6-2018 is door [bedrijf 1] een herberekening gemaakt van hun eerste offerte vanuit de aanbestedingsstukken. Zoals dinsdag 18-9-2018 al gecommuniceerd geeft dit een meerprijs van ongeveer € 480.675,00 voor alleen het ProRail gedeelte. Wij benadrukken dat dit gebaseerd is op de tekeningen t/m 7-6-2018, wat de impact van de latere tekeningen is op de meerprijs is nog niet inzichtelijk.
Zoals gisteren besproken hebben wij opdracht voor de extra werkzaamheden voor het ProRail gedeelte, waarbij het exacte bedrag nog vastgesteld dient te worden adv de laatste tekeningen. Wij zullen [bedrijf 1] opdracht verstrekken voor hun laatste offerte waarbij meer/minderwerk apart verrekend zal worden. [bedrijf 1] heeft aangegeven de deadline te kunnen halen als er gisteren opdracht werd verstrekt en dit is gebeurd.”
Uit deze e-mail valt op te maken dat [eiser] op 24 september 2018 akkoord heeft gegeven aan [bedrijf 1] voor de opdracht. Uit het arbitraal vonnis volgt dat [eiser] dit akkoord zonder enig voorbehoud heeft gegeven. [eiser] heeft niet aangevoerd dat dit een onjuiste conclusie van de Raad is. [gedaagde] heeft dezelfde dag op de e-mail van [eiser] gereageerd (productie 10 [gedaagde] ):
“Volgende week dinsdag hebben wij een overleg met OG over afwijkingen en meerwerk, graag zouden wij derhalve uiterlijk volgende week maandagochtend 01-10-18 uitgebreide opgave / onderbouwing van de afwijkingen t.o.v. het bestek incl. bijbehorende meer- of minderkosten kosten ontvangen.”
[gedaagde] is van mening dat zij in deze e-mail bij de goedkeuring van de opdracht van [eiser] aan [bedrijf 1] een voorbehoud heeft gemaakt voor de extra kosten.
[gedaagde] voert aan uiteindelijk nooit haar goedkeuring voor (de hoogte van) deze meerwerkpost te hebben gegeven, omdat zij pas na de uitvoering van de werkzaamheden inzage heeft gekregen in de opbouw van deze extra kosten, terwijl zij meent dat zij de mogelijkheid had moeten krijgen om deze kosten voorafgaand aan de werkzaamheden goed (of af) te keuren. [gedaagde] heeft namelijk pas op 19 september 2019 via [eiser] een begroting van [bedrijf 1] ontvangen van de extra kosten ten opzichte van het bestek (productie 11 [gedaagde] ). Op dat moment was het werk echter al(lang) door [bedrijf 1] uitgevoerd. Deze begroting is nog aangepast door [bedrijf 1] op 10 januari 2020 (productie 12 [gedaagde] ) en die begroting heeft [gedaagde] vervolgens voorgelegd aan de gemeente Zoetermeer. De reactie van de gemeente Zoetermeer is bekend (zie overweging 4.7). Daarnaast meent [gedaagde] dat zij vanwege de haast die bij de uitvoering van de werkzaamheden geboden was, voor de redelijkheid van de kosten uit is gegaan en mocht gaan van de deskundigheid van [eiser] .
[eiser] stelt zich daarentegen op het standpunt dat [gedaagde] zelf verantwoordelijk is voor de (te) strakke planning en dat [gedaagde] wel degelijk haar onvoorwaardelijke goedkeuring heeft gegeven voor de opdracht van [eiser] aan [bedrijf 1] . [gedaagde] was namelijk aanwezig bij de bespreking van 24 september 2018 waarin de nieuwe offerte van [bedrijf 1] is besproken en [gedaagde] heeft meerdere termijnen voor deze meerwerkpost aan [eiser] betaald, tot in totaal een bedrag van € 423.225,00 excl. btw:
eerste termijn gedateerd op 16 november 2018 ad € 111.375,00, met als omschrijving “Meerwerk paragraaf 75 [bedrijf 1] conform email 25-9 RL”. Dit bedrag is op 21 november 2018 betaald en het betalingsoverzicht is ondertekend door [A] van [gedaagde] (productie 16 [eiser] );
tweede termijn ongedateerd ad € 111.375,00, met als omschrijving “Meerwerk paragraaf 75 [bedrijf 1] conform email 25-9 RL” (productie 56 [eiser] );
derde termijn ongedateerd ad € 111.375,00, met als omschrijving “Meerwerk paragraaf 75 [bedrijf 1] conform email 25-9 RL” (productie 56 [eiser] )
vierde termijn ongedateerd ad € 89.100,00 met als omschrijving “Meerwerk paragraaf 75 [bedrijf 1] conform email 25-9 RL”. Dit bedrag is op 14 mei 2019 betaald en het betalingsoverzicht is ondertekend door [A] . In dit overzicht staat genoteerd dat tot nu toe een bedrag van € 334.125,00 betaald is door [gedaagde] voor deze meerwerkpost (productie 56 [eiser] ).
Daarnaast voert [eiser] aan dat [gedaagde] zelf nog op 28 februari 2020 en op 16 april 2020 een meerwerklijst naar [eiser] gestuurd heeft waarin [gedaagde] zelf ook uitgaat van een bedrag van € 445.500,00 voor deze meerwerkpost (productie 57 [eiser] ).
De rechtbank oordeelt dat het niet redelijk is om de kosten van deze meerwerkpost die niet gedekt worden door de gemeente Zoetermeer ter hoogte van € 220.500,00 (€ 445.500,00 - € 225.000,00) voor rekening van één van partijen te laten komen. Het lijkt er immers op basis van alle overgelegde stukken op dat de discussie over deze meerwerkpost is ontstaan toen de gemeente Zoetermeer te kennen gaf niet bereid te zijn het volledige bedrag te betalen. Op dat moment was het werk al gedaan en waren diverse betalingen van [gedaagde] aan [eiser] al verricht. De rechtbank acht een verdeling van de kosten tussen partijen redelijk, waarbij twee derde van het verschil voor rekening komt van [eiser] en een derde van het verschil voor rekening komt van [gedaagde] . De rechtbank heeft deze verdeling op de volgende omstandigheden gebaseerd.
Omstandigheden die voor rekening komen van [gedaagde] : [gedaagde] heeft op 24 september 2018 haar akkoord gegeven voor de opdracht van [eiser] aan [bedrijf 1] . Weliswaar heeft [gedaagde] in haar e-mail van 25 september 2018 (zie overweging 4.8) een voorbehoud gemaakt (zij het in minimale bewoordingen), maar op dat moment (al vanaf 18 september 2018) was wel al bekend dat het meerwerk door [bedrijf 1] werd begroot op € 480.675,00 met de toevoeging dat het exacte bedrag uiteindelijk nog zou moeten worden vastgesteld. Het exacte bedrag is uiteindelijk lager uitgevallen, namelijk € 445.500,00. Daarnaast heeft [gedaagde] , tot maanden nadat het werk al door [bedrijf 1] was verricht, expliciet akkoord gegeven voor een groot deel van de kosten voor deze meerwerkpost en deze kosten ook al betaald, zie overweging 4.10. Ook heeft [gedaagde] geen bezwaar gemaakt tegen de aangepaste begroting met bijbehorende nadere toelichting van [bedrijf 1] op de meerwerkkosten van 19 december 2019 (productie 11 [gedaagde] ). Deze begroting is opnieuw aangepast op 10 januari 2020 (productie 12 [gedaagde] ) en pas die versie is voorgelegd aan de gemeente Zoetermeer. Uit niets blijkt dat [gedaagde] voor die tijd bezwaar heeft gemaakt tegen de hoogte van deze meerwerkpost. Ook heeft [gedaagde] niet beargumenteerd waarom zij hiertegen tot dan toe geen bezwaar heeft ingediend bij [eiser] of [bedrijf 1] . Het enige argument van [gedaagde] dat zij niet deskundig is en deze extra kosten daarom niet kon beoordelen, acht de rechtbank hiervoor onvoldoende. [gedaagde] is immers de hoofdaannemer van het project [project] .
Omstandigheden die voor rekening komen van [eiser] : Tegelijkertijd hecht de rechtbank veel waarde aan de omstandigheid dat de werkzaamheden van [bedrijf 1] binnen de opdracht van [gedaagde] aan [eiser] vielen en [eiser] vrijwillig heeft besloten deze werkzaamheden uit te besteden aan [bedrijf 1] . [eiser] zou er daarom mee bekend moeten zijn geweest welke werkzaamheden [bedrijf 1] moest verrichten en wat hiervoor een redelijke prijs zou zijn geweest. Bovendien heeft [eiser] richting [bedrijf 1] geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van de kosten voor de extra werkzaamheden (zie overweging 4.8), terwijl dat gelet op de hoogte van het voorlopig begrote bedrag (€ 480.675,00) wel logisch was geweest. Bovendien heeft [gedaagde] dat wel gedaan. [eiser] kan zich er om deze redenen naar het oordeel van de rechtbank niet volledig achter verschuilen dat haast geboden was bij het uitvoeren van de opdracht door [bedrijf 1] en dat [gedaagde] een groot deel van de kosten al betaald heeft.
Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de in overweging 4.11 genoemde verdeling van de kosten. Dit betekent dat de vordering van deze meerwerkpost door [eiser] , zal worden afgewezen. [gedaagde] heeft immers al € 423.225,00 betaald en dit is meer dan € 225.000,00 vermeerderd met een derde deel van het verschil (€ 220.500,00).
Meerwerk 05, zal worden afgewezen: Leveren, plaatsen en programmeren OPC Module ad € 5.155,01 excl. BTW
Volgens [gedaagde] heeft [eiser] zelf op 21 juli 2020 gemaild dat deze meerwerkpost is komen te vervallen (productie 17 [gedaagde] ). Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] dit bevestigd. De rechtbank zal deze meerwerkpost daarom afwijzen.
Meerwerk 06, zal worden afgewezen: Leveren 2 stuks handholes ad € 1.488,00 excl. BTW
Deze door [eiser] gestelde meerwerkpost vloeit voort uit de discussie over de financiële afhandeling die [eiser] met [bedrijf 1] heeft gevoerd. [eiser] voert aan dat zij ervan uit ging dat de kosten van twee stuks handholes in de offerte van 2018 van [bedrijf 1] begrepen zaten, omdat deze kosten (ook) in de offerte van 2016 zaten. Dit bleek echter niet het geval te zijn. Dit en het oordeel dat [eiser] op basis van de offerte uit 2018 een overeenkomst met [bedrijf 1] heeft gesloten, volgt uit het arbitraal vonnis. Daarom heeft [eiser] de kosten voor het leveren van twee stuks handholes als meerwerkpost willen doorbelasten aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft deze meerwerkpost in eerste instantie geaccordeerd, maar dit is volgens haar ten onrechte geweest. [gedaagde] verwijst hierbij naar het bericht van [eiser] aan [bedrijf 1] van 9 oktober 2020 (productie 18 [gedaagde] ). Daarin benoemt [eiser] dat de kosten van de handholes in de offerte van 2016 waren inbegrepen en daarom door haar ten onrechte als meerwerk aan [bedrijf 1] zijn uitgekeerd. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] er daarom terecht van mocht uitgaan dat de kosten van de handholes niet als meerwerk gezien moeten worden. [eiser] deed dit immers in haar relatie tot [bedrijf 1] ook niet. Dat [eiser] de kosten van de handholes op grond van het arbitraal vonnis niet van [bedrijf 1] terugbetaald heeft gekregen, maakt niet dat dit voor rekening van [gedaagde] komt. Deze meerwerkpost zal de rechtbank daarom afwijzen.
Meerwerk 12, zal worden toegewezen: Diefstal materieel en kabel (twee keer) ad € 5.200,00 excl. BTW
[eiser] vordert de waarde van twee haspels met kabels die tijdens de uitvoering van het werk zijn gestolen van de bouwplaats. Volgens [gedaagde] vallen deze kosten niet onder de CAR-verzekering, omdat alleen schade aan het werk zelf onder dekking van de verzekering valt. De haspels met kabels zijn niet verwerkt in het werk en vallen hier dus niet onder. Daarom rust op haar geen betalingsverplichting voor deze kosten. Bovendien volgt uit de CAR-verzekering (deels in productie 39 [gedaagde] ) dat er voor diefstal een eigen risico geldt van € 10.000,00 per gebeurtenis, aldus [gedaagde] .
Tussen partijen is niet in discussie dat [eiser] is meeverzekerd onder de CAR-polis die is afgesloten door de opdrachtgever van het project, de gemeente Zoetermeer. Het is de rechtbank niet duidelijk waarom de gestolen haspels met kabels niet onder de dekking van de CAR-verzekering zouden vallen. Dat onder de CAR-polis alleen schade aan het werk zelf gedekt is, volgt namelijk nergens uit. Uit bestekdeel A (productie 1, pagina 41 [gedaagde] ) staat juist onder de CAR-polis, “Verzekerd object;”:
- “De materialen van de hulpconstructies en/of hulpwerken (zoals steigers, bekistingen, damwanden, mallen en dergelijke) alsmede keten, loodsen en dergelijke, gereedschappen en de verdere uitrusting tenzij op afzonderlijke polis reeds verzekerd.”
Bovendien heeft [gedaagde] met haar argument dat de kosten van de kabels niet onder de dekking van de CAR-verzekering vallen nog niet onderbouwd waarom [gedaagde] deze kosten niet hoeft te vergoeden. [gedaagde] was immers verantwoordelijk voor de veiligheid op de bouwplaats. Daarnaast ziet de rechtbank niet waarom het argument van [gedaagde] over het eigen risico relevant is voor de vordering van [eiser] . Los van de vraag of deze post wel als een meerwerkpost moet worden gezien (diefstal is geen meerwerk!!!), zal de rechtbank de vordering gelet op het bovenstaande toewijzen.
Meerwerk 23, zal worden toegewezen: Wijzigingen perron HR ad € 8.013,30 excl. BTW
Deze meerwerkpost is door [gedaagde] erkend en heeft zij meegenomen in haar eindafrekening. Deze meerwerkpost zal de rechtbank daarom toewijzen. De beoordeling van de eindafrekening van [gedaagde] komt in het oordeel over de reconventionele vordering van [gedaagde] aan bod.
Meerwerk 28, zal deels worden toegewezen: Defecte UPC door vocht TR2 ad € 24.763,00 excl. BTW
[eiser] stelt dat deze post een gevolg is van het kapotgaan van twee tijdelijke (huur) UPS-systemen doordat de ruimte waarin ze stonden vochtproblemen had en [gedaagde] hiervoor verantwoordelijk was. Als gevolg daarvan heeft [eiser] kosten moeten maken ter vervanging en reparatie van de tijdelijke UPS-systemen. Daarnaast bestaat deze post uit de kosten voor het verlengen van de huurtermijn van het tijdelijke UPS-systeem. Door de vochtproblemen moest het leveren van het definitieve UPS-systeem namelijk uitgesteld worden. Volgens [eiser] diende een nieuwe Marvel te worden aangevraagd, die beoordeeld en goedgekeurd moest worden door ProRail voordat de definitieve UPS in gebruik genomen kon worden. Het (opnieuw) aanvragen van de Marvel en daarmee ook het verkrijgen van een tijdstip voor de overzetting – het treinspoor was op dat moment namelijk al in gebruik genomen – kon pas worden opgestart nadat zeker was dat de vochtproblemen in de ruimte waren opgelost. Hierdoor is de huur van de tijdelijke UPS langer geweest dan nodig en dit moet voor rekening komen van [gedaagde] , aldus [eiser] . [gedaagde] is het hier voor wat betreft de verlenging van de huurtermijn niet (volledig) mee eens. [eiser] heeft volgens [gedaagde] namelijk een verkeerde inschatting gemaakt van de tijd die het kostte om een nieuwe Marvel en een tijdstip voor de overzetting aan te vragen bij ProRail en de tijd die het leveren van de definitieve UPS kostte. Dit komt voor rekening van [eiser] . Uit coulance heeft [gedaagde] een voorstel gedaan van € 20.841,25 ter afwikkeling van deze meerwerkpost.
De rechtbank oordeelt dat niet alle door [eiser] gevorderde kosten door [gedaagde] betaald moeten worden, omdat [eiser] zelf een aandeel heeft gehad in de langere huurtermijn van de tijdelijke UPS. In de mail van 19 oktober 2020 van [eiser] (productie 22 [eiser] ) schrijft [eiser] namelijk:
“- B De UPS is later geleverd dan ons was toegezegd.
- C de aanvraag bij Prorail nam meer tijd in beslag dan we hadden ingeschat.”
Door partijen is niet nader toegelicht hoe het bedrag van deze meerwerkpost is opgebouwd. De rechtbank sluit daarom aan bij het voorstel dat [gedaagde] voorafgaand aan deze procedure aan [eiser] heeft gedaan ter afwikkeling van deze meerwerkpost en zal deze meerwerkpost tot een bedrag van € 20.841,25 toewijzen.
Meerwerk 42, zal worden afgewezen: Niet kunnen meten GIS ad € 21.834,75 excl. BTW
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat de door [eiser] gestelde meerwerkposten zijn uitgevoerd door [eiser] of door [bedrijf 1] in opdracht van [eiser] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank [eiser] gevraagd uit welke stukken blijkt dat [eiser] deze werkzaamheden daadwerkelijk heeft uitgevoerd of laten uitvoeren. [eiser] gaf daarop aan dit niet te kunnen. Daarom zal de rechtbank deze meerwerkpost afwijzen.
Meerwerk 46, zal deels worden toegewezen: Aanpassen behuizing NIC ad € 10.080,56
De werkzaamheden die gepaard gaan met deze meerwerkpost zaten al verwerkt in de opdracht aan [bedrijf 1] . Dit was in eerste instantie alleen niet bij partijen bekend. Daarom heeft [gedaagde] het totaalbedrag wel doorbelast aan haar opdrachtgever, de gemeente Zoetermeer. De gemeente Zoetermeer heeft dit bedrag ook betaald aan [gedaagde] . Pas later bleek dat de meewerkpost slechts € 1.314,00 heeft gekost, bestaande uit de kosten van het materiaal (zie productie 21 [gedaagde] ). [gedaagde] heeft dus meer betaald gekregen (een bedrag van € 8.300,00) van de gemeente Zoetermeer dan waar zij recht op had. [eiser] heeft zelf ook niet meer dan € 1.314,00 aan [bedrijf 1] voor deze meerwerkpost betaald, maar meent wel recht te hebben op de € 8.300,00 die zij, naar achteraf bleek, onterecht bij [gedaagde] in rekening heeft gebracht. Volgens [eiser] heeft zij (toch) recht op dit bedrag, omdat het dus wel kosten zijn binnen de opdracht die [eiser] aan [bedrijf 1] heeft gegeven en die zij formeel aan [bedrijf 1] heeft moeten betalen. Althans, zo begrijpt de rechtbank de argumentatie van [eiser] . De rechtbank oordeelt dat dit te vergezocht is. Als deze kosten al in de opdracht van [eiser] aan [bedrijf 1] verwerkt zaten, dan kan het niet zo zijn dat deze kosten ook als meerwerkpost opgevoerd worden. [gedaagde] heeft aangegeven uit coulance bereid te zijn de helft van € 8.300,00 aan [eiser] te willen betalen (productie 21 [gedaagde] ). Dit acht de rechtbank een redelijk voorstel. Daarom zal de rechtbank oordelen dat [gedaagde] € 5.464,00 (€ 8.383,00 : 2 = € 4.150,00 + € 1.314,00) aan [eiser] moet betalen.
Meerwerk 49, zal worden toegewezen: Stellen grenswachter ad € 19.290,17 excl. BTW
Deze meerwerkpost is door [gedaagde] erkend en heeft zij meegenomen in haar eindafrekening. Deze meerwerkpost zal de rechtbank daarom toewijzen. De beoordeling van de eindafrekening van [gedaagde] komt in het oordeel over de reconventionele vordering van [gedaagde] aan bod.
Meerwerk 59, zal worden toegewezen: Afwijkende en meer strekkende meters bekabeling t.o.v. bestek en verrekenstaat ad € 102.756,56 excl. BTW
Deze meerwerkpost bestaat uit het gebruik van een ander type kabels dan oorspronkelijk was afgesproken. Dit type kabel bleek duurder te zijn en lastiger te verwerken. Daarnaast waren er uiteindelijk meer meters kabel nodig dan oorspronkelijk in het bestek beschreven stond. De noodzaak voor de extra meters vindt zijn basis in een nader aangeleverd ontwerp door [bedrijf 2] , een onderaannemer van [gedaagde] . [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat op haar geen betalingsverplichting van dit meerwerk rust, omdat [gedaagde] niet vooraf door [eiser] over dit meerwerk is geïnformeerd. Dit had wel gemoeten op basis van het bestek. Op welk deel in het bestek [gedaagde] doelt en in hoeverre dit afwijkt van de wet (artikel 7:755 BW), geeft zij niet aan. Desondanks is [gedaagde] bereid tegemoet te komen aan het meerwerk van [eiser] en is zij akkoord met betaling van het meerwerk minus 10% marge.
De rechtbank zal oordelen dat [gedaagde] het volledige bedrag voor het meerwerk moet betalen. Los van dat wat de rechtbank in overweging 4.5 heeft geoordeeld, heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat zij [gedaagde] niet vooraf had hoeven te waarschuwen omdat [gedaagde] deze meerwerkpost uit zichzelf had moeten begrijpen. Er is namelijk sprake van onderaanneming, waardoor van [gedaagde] een bepaalde deskundigheid als hoofdaannemer mag worden verondersteld. Daarnaast heeft [eiser] de veranderingen die [bedrijf 2] heeft aangebracht ten opzichte van haar oorspronkelijke ontwerp via [gedaagde] opgedragen gekregen. [gedaagde] was dus op de hoogte, of had dat in ieder geval moeten zijn, van de veranderingen in het ontwerp. Bovendien is het meerwerk noodzakelijk. De oorspronkelijk omschreven kabels in de inschrijfstaat mochten namelijk niet meer worden toegepast als gevolg van gewijzigde brandnormeringen. De noodzaak van het meerwerk wordt niet gemotiveerd betwist door [gedaagde] . Ook tegen de hoogte van deze meerwerkpost wordt door [gedaagde] geen verweer gevoerd. De rechtbank ziet daarom geen reden om een korting van 10% toe te passen en zal daarom het hele bedrag toewijzen.
Meerwerk 60, zal worden toegewezen: Wijziging kabelgoten verrekenstaat ad € 213.475,76 excl. BTW
Ook deze meerwerkpost zal de rechtbank in zijn geheel toewijzen. Hiervoor geldt namelijk dezelfde redenering als voor de beoordeling van meerwerkpost 59. De nader door [bedrijf 2] aangeleverde ontwerptekeningen wijken af van het bestek op dit punt, waardoor het type kabelgoten en (diverse werkzaamheden rondom) het aanbrengen daarvan meerwerk heeft opgeleverd. [gedaagde] heeft deze meerwerkpost geaccordeerd minus 10% marge. Ook voor deze meerwerkpost ziet de rechtbank geen reden om een korting van 10% toe te passen. Daarom zal het hele bedrag worden toegewezen.
Meerwerk 62, zal worden toegewezen: Zekeringskastjes Bolderarmaturen ad € 4.770,40 excl. BTW
Dit meerwerk bestaat uit de levering en montage van zekeringskastjes. De discussie gaat over de vraag of de zekeringskastjes wel of geen onderdeel zijn van de bolderarmaturen die in de bestekpost 70.10.30-a zijn opgenomen. Als dat wel het geval is, dan zijn de kosten al in het bestek opgenomen. Zo niet, dan valt het onder meerwerk.
[eiser] heeft een e-mail van de leverancier van de lichtmasten overgelegd van 15 oktober 2020 (productie 35 [eiser] ) waarin staat dat zekeringskastjes nooit onderdeel uitmaken van de lichtmasten, omdat zij de zogenaamde secundaire kant verzorgen vanaf de driver tot de led(lamp). De voorkant, en dit impliceert inclusief zekeringskastjes, is voor de installateur. In dit geval is dat [eiser] . Hieruit trekt de rechtbank de conclusie dat de zekeringskastjes geen onderdeel zijn van de bolderarmaturen en dit ook niet gebruikelijk is. Daarnaast stelt [eiser] dat de zekeringskastjes noodzakelijk zijn voor een deugdelijke uitvoering van het werk. Dit wordt door [gedaagde] niet ontkend. Ook de opdrachtgever van [gedaagde] , de gemeente Zoetermeer, heeft uiteindelijk besloten de kosten van de zekeringskastjes zelf volledig te vergoeden en de helft van de montage-uren. Gelet hierop zal de rechtbank oordelen dat deze meerwerkpost moet worden toegewezen. Waarom slechts de helft van de montage-uren in de relatie Gemeente Zoetermeer – [gedaagde] wordt betaald, is de rechtbank niet bekend. Maar dat is ook niet relevant voor deze procedure. Daarom zal het volledige bedrag worden toegewezen.
Meerwerk 65 zal deels worden toegewezen: Extra aanvullingen aarding n.a.v. afkeur ad € 4.420,09 excl. BTW
Uit randnummer 87 conclusie van antwoord in reconventie, randnummer 79 conclusie van antwoord in conventie en productie 25 [gedaagde] volgt dat partijen in 2020 al akkoord zijn gegaan met een 50% verdeling van deze kosten. Dit komt de rechtbank, gelet op het volgende, niet onredelijk voor. Een onderaannemer van [eiser] , [B] , heeft namelijk extra kosten in rekening gebracht, omdat volgens haar de benodigde cadweldplaten ontbraken. [gedaagde] betwist dit en voert aan dat [B] gewoon niet goed gekeken heeft en het blijkbaar ook niemand op de bouwplaats naar de cadweldplaten heeft gevraagd. [eiser] stelt hiertegenover dat de cadweldplaten deels in het beton bleken te zitten en eerst uitgehakt moesten worden voordat ze aangesloten konden worden. Tijdens de mondelinge behandeling werd duidelijk dat beide partijen geloven dat de waarheid ergens in het midden ligt. Dit verklaart ook de in 2020 overeengekomen fiftyfifty verdeling. Daarom zal (ook) de rechtbank de helft van deze gevorderde meerwerkpost toewijzen.
Partijen mogen een akte nemen om de hoogte van de meerwerkvordering van [eiser] toe te lichten
Zoals in de overwegingen 4.1 t/m 4.3 genoemd, is het op basis van de huidige processtukken niet mogelijk om vast te stellen wat de hoogte is van het bedrag dat [gedaagde] aan [eiser] voor de gevorderde meerwerkposten moet betalen. Daarom zullen partijen een akte mogen nemen overeenkomstig overweging 4.46 en 4.47.
Wettelijke handelsrente over de meerwerkvordering wordt toegewezen
De gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de hoofdsom van de meerwerkvordering zal worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarden (14 oktober 2024). [eiser] vordert weliswaar de wettelijke handelsrente vanaf de dag van verzuim, maar licht niet toe welke dag dat volgens haar is. Daarom kan dit gedeelte van de vordering niet worden toegewezen.
Daarnaast vordert [eiser] op grond van artikel 15 lid 2 ALIB 2007 een verhoging van twee procent met ingang van de dag na de maand waarbinnen de betaling van de meerwerkvordering had behoren plaats te vinden. Opnieuw wordt niet door [eiser] toegelicht wanneer dit moment zou zijn. [gedaagde] voert verweer door aan te voeren dat de ALIB-voorwaarden niet van toepassing zijn, omdat uit bestekdeel A zou blijken dat de UAV 2012 van toepassing is.
De rechtbank oordeelt overeenkomstig het vonnis van de Raad van 28 mei 2024 (productie 1 [gedaagde] ) dat de ALIB 2007 van toepassing is. Dit volgt namelijk in ieder geval uit pagina 9 van de opdrachtbevestiging van [eiser] aan [gedaagde] van 5 maart 2018 (productie 1 [eiser] ) waarin staat:
“Van toepassing zijn de Algemene Leveringsvoorwaarden Installerende Bedrijven 2007 (ALIB2007), vastgesteld door Uneto, gedeponeerd bij de Griffie van de Arrondissementsrechtbank te Den Haag onder nummer 162/2007 welke wij u op onze website kunt downloaden. [website] ”
Hiertegen heeft [gedaagde] voor zover bekend geen bezwaar gemaakt, waardoor de [gedaagde] de toepasselijkheid van de ALIB 2007 (stilzwijgend) heeft aanvaard. Of de UAV 2012 (ook) van toepassing is, zoals door [gedaagde] bepleit, is voor dit oordeel niet relevant. [gedaagde] heeft namelijk niet aangevoerd dat en op welke manier het al dan niet van toepassing zijn van de UAV 2012 het beroep van [eiser] op een renteverhoging van 2% op basis van artikel 15 lid 2 ALIB2007 blokkeert.
De door [eiser] gevorderde stagnatieschade zal worden afgewezen
[eiser] stelt stagnatieschade ter hoogte van € 380.276,02 excl. BTW te hebben geleden als gevolg van een vertraagde oplevering van het project (december 2019 in plaats van november 2018) door oorzaken waarvoor [gedaagde] verantwoordelijk zou zijn. [eiser] is daardoor naar eigen zeggen genoodzaakt geweest om versnellingsmaatregelen te nemen door voor een langere periode (extra) werklieden in te huren. Daarnaast stelt [eiser] schade te hebben geleden door extra bouwplaats- en verzekeringskosten betaald te hebben en doordat [eiser] renteverlies zou hebben geleden over in het werk gestoken kapitaal, omdat de omzet vertraagd is binnengekomen bij [eiser] . [eiser] zou de kosten van het werk hebben voorgefinancierd en deze kosten pas betaald krijgen aan de hand van de voortgang van het werk. Voor de hoogte van het renteverlies heeft [eiser] aansluiting gezocht bij art. 15 lid 1 ALIB 2007 en het wettelijk rentepercentage in art. 6:119a BW (8%).
De rechtbank wijst deze schade, los van de discussie over de voorwaarden die van toepassing zijn, om meerdere redenen af. Volgens vaste jurisprudentie moet een aannemer haar opdrachtgever tijdig en concreet in kennis stellen van haar aanspraken op stagnatieschade. De stagnatieschade hoeft op dat moment weliswaar niet tot in detail te kloppen, maar moet wel een voldoende inzichtelijk indicatie van de hoogte van de stagnatieschade bevatten.
[eiser] heeft de schade niet, althans niet tijdig, gemeld bij [gedaagde] . [eiser] verwijst voor de onderbouwing van haar melding van de schade naar diverse producties. Uit die producties volgt hooguit dat sprake is van een vertraging in de werkzaamheden, maar niet dat [eiser] daardoor schade heeft geleden en dat zij dat kenbaar heeft gemaakt aan [gedaagde] . Laat staan dat [eiser] deze schade voldoende concreet gemaakt heeft. De eerste keer dat [eiser] expliciet over stagnatieschade spreekt lijkt pas 28 november 2022 (sommatiebrief van [eiser] aan [gedaagde] , productie 50) te zijn:
“(…) zal cliënte in rechte tevens de door haar geleden stagnatieschade vorderen ter zake waarvan zij zich alle rechten voorbehoudt.”
Dat is te laat. Bovendien staat hierin alleen het woord “stagnatieschade” genoemd, maar wordt dit verder niet concreet gemaakt. Voor zover [eiser] doelt op het moment waarop zij haar eindafrekening naar [gedaagde] stuurt (d.d. 6 november 2021, productie 13 [eiser] ), oordeelt de rechtbank dat ook hieruit niet kan worden opgemaakt dat [eiser] stagnatieschade geleden heeft. Hetzelfde geldt voor de brief van [eiser] aan [gedaagde] van 24 november 2021 (productie 33 [gedaagde] ). Nog los van de beoordeling van de vraag of het beroep daarmee tijdig zou zijn gedaan, volgt ook hieruit niet dat [eiser] (concreet) aanspraak maakt op stagnatieschade.
Daarnaast heeft [eiser] de gestelde schade zelf, gelet op de betwisting door [gedaagde] , onvoldoende onderbouwd. Uit het overzicht van de schade dat [eiser] heeft overgelegd (productie 11 [eiser] ) en de niet nader toegelichte facturen opgenomen in productie 12 [eiser] – waaronder facturen die eerder te maken lijken te hebben met het gevorderde meerwerk dan met vertragingsschade – volgt het bestaan van de versnellingsmaatrelen en de extra bouwplaats- en verzekeringskosten namelijk niet. Ook voert [gedaagde] terecht aan dat niet is onderbouwd welke facturen met welke werkzaamheden samenhangen. Hetzelfde geldt voor de stelling van [eiser] dat sprake was van voor- of bankfinanciering. Tot slot heeft [eiser] meer dan de helft van het door [eiser] aangenomen werk uitbesteed aan [bedrijf 1] . Gelet op al deze punten, is het niet aannemelijk dat de door [eiser] gestelde stagnatieschade is geleden. Het lijkt er eerder op dat [eiser] zelf niet in staat was om al het aangenomen werk te verrichten vanwege een gebrek aan capaciteit en daarom een deel van het werk moest uitbesteden.
In reconventie
Verklaring voor recht dat de eindafrekening van [gedaagde] correct is, wordt afgewezen
[gedaagde] stelt dat zij voor veel meerwerkposten teveel betaald heeft aan [eiser] . Daarom heeft zij andere door haar erkende meerwerkposten (deels) onbetaald gelaten. Volgens [gedaagde] blijft onderaan de streep ‘slechts’ een bedrag van € 54.943,12 over dat zij verschuldigd zou zijn aan [eiser] , mits [eiser] aan bepaalde voorwaarden voldoet. Dit bedrag baseert [gedaagde] op een door haar opgestelde eindafrekening (productie 14 [gedaagde] ). [gedaagde] vordert een verklaring voor recht dat deze eindafrekening correct is aan [eiser] nog maximaal een bedrag van € 54.943,12 betaald moet worden, mits [eiser] kan aantonen dat zij alle restpunten heeft verholpen en alle revisiebescheiden heeft aangeleverd. [eiser] is het hier niet mee eens.
De rechtbank zal deze vordering afwijzen. De eindafrekening van [gedaagde] is namelijk totaal onbegrijpelijk. De rechtbank kan de juistheid hiervan dus niet beoordelen. Los hiervan concludeert de rechtbank dat het overzicht gelet op het oordeel over de meerwerkposten in conventie niet kan kloppen. In conventie zijn namelijk diverse meerwerkposten (gedeeltelijk) toegewezen, die door [gedaagde] zelf zijn afgewezen.
De vordering van [gedaagde] tot betaling van € 156.876,84 door [eiser] wordt afgewezen
Volgens [gedaagde] moet [eiser] voor meerwerkpost 03 een bedrag van € 156.876,84 aan [gedaagde] betalen. Het is voor de rechtbank onnavolgbaar hoe [gedaagde] tot dit bedrag is gekomen. Omdat de rechtbank over deze meerwerkpost al in conventie in overweging 4.6 t/m 4.14 heeft geoordeeld, is dit ook niet relevant. Het oordeel in conventie is namelijk ook van toepassing op de beoordeling van deze reconventionele vordering van [gedaagde] . Gelet op het oordeel in conventie, komt een bedrag van € 147.000,00 (⅔ x € 220.500,00) voor rekening van [eiser] en € 298.500,00 (€ 225.000,00 + ⅓ x €220.500,00) voor rekening van [gedaagde] . Dit betekent dat [gedaagde] voor deze meerwerkpost € 124.725,00 meer aan [eiser] heeft betaald dan waar [eiser] recht op heeft. [gedaagde] heeft voor deze meerwerkpost immers al €423.225,00 aan [eiser] heeft betaald (€ 423.225,00 - € 298.500,00 = € 124.725,00). Dit betekent dat [eiser] veroordeeld zal worden om een bedrag van € 124.725,00 aan [gedaagde] te betalen.
[gedaagde] doet bij akte van 5 februari 2025 een beroep op misbruik van omstandigheden, bedrog (artikel 3:44 BW) en dwaling (artikel 6:228 BW). De rechtbank begrijpt uit de akte dat dit ziet op de grondslag voor de vordering van meerwerkpost 03. De rechtbank oordeelt dat het beroep van [gedaagde] hierop niet, althans verre van voldoende, onderbouwd is. Dit beroep heeft bovendien geen kans van slagen gelet op het oordeel in overweging 4.6 t/m 4.14 en de omstandigheden die hieraan ten grondslag liggen.
Wettelijke handelsrente over vordering 2 van [gedaagde] wordt toegewezen
De gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de hoofdsom van de vordering van meerwerkpost 03 zal worden toegewezen met ingang van de datum van het indienen van de reconventionele vordering (22 januari 2025). [gedaagde] vordert weliswaar de wettelijke handelsrente vanaf het moment van de oplevering, maar licht niet toe welke dag dat volgens haar is. Daarom kan dit gedeelte van de vordering niet worden toegewezen.
De vordering van [gedaagde] tot betaling van € 13.229,20 wordt afgewezen
[gedaagde] vordert € 13.229,20 van [eiser] , omdat zij zelf de revisiebescheiden samen met [bedrijf 1] heeft moeten (laten) opstellen terwijl [eiser] dat had moeten doen. [eiser] voert aan dat zij alle revisie gegevens al aan [gedaagde] heeft verstrekt. [eiser] heeft de van [bedrijf 1] ontvangen (klad)revisie aan [gedaagde] geleverd. Volgens [eiser] had [bedrijf 2] van deze (klad)revisie en de situatie op locatie de uiteindelijke roodrevisie moeten maken en moeten leveren aan [gedaagde] . Als [bedrijf 2] dat niet gedaan heeft, dan is dat niet de verantwoordelijkheid van [eiser] . [eiser] is immers niet de opdrachtgever is van [bedrijf 2] , aldus [eiser] .
[gedaagde] heeft naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de gemotiveerde betwisting door [eiser] , onvoldoende onderbouwd dat zij deze kosten heeft moeten maken omdat [eiser] niet aan haar verplichtingen zou hebben voldaan. Zo heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd dat en in welke vorm (klad- of roodrevisie) [eiser] de revisiebescheiden had moeten aanleveren. Daarnaast heeft [gedaagde] onvoldoende weerlegd dat [bedrijf 2] verantwoordelijk is voor het aanleveren van de (rood)revisiebescheiden, zoals door [eiser] aangevoerd. Ook heeft [gedaagde] niet althans onvoldoende onderbouwd dat het gerechtvaardigd was om de kosten te maken zoals door [gedaagde] in haar productie 30 is weergegeven. Deze vordering van [gedaagde] zal daarom worden afgewezen.
In conventie en in reconventie
Partijen mogen akte nemen
Zoals eerder in dit vonnis overwogen, zal de rechtbank beslissen dat partijen een akte mogen nemen. In deze akte dienen partijen toe te lichten welk bedrag [eiser] op basis van het oordeel van de rechtbank in conventie over de meerwerkposten (vordering I van [eiser] ) nog te vorderen heeft van [gedaagde] . Het is de bedoeling dat partijen in hun akte ook reageren op elkaars akte. Partijen moeten dus tijdig voor de roldatum voor het indienen van deze akte elkaar hun conceptakte toesturen.
De rechtbank geeft partijen in overweging om het bedrag waar [eiser] op basis van het oordeel in conventie recht op heeft en het bedrag waar [gedaagde] op basis van het oordeel in reconventie recht op heeft in de akte met elkaar te verrekenen.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 maart 2026 voor het nemen van een akte door beide partijen overeenkomstig de instructies in overweging 4.46 en 4.47,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
LMT 5629