RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16.366284.24; 16.023266.24; 16.062332.24; 16.134516.24 (t.t.z. gevoegd) Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 15 april 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2008] in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,
(hierna: [verdachte] ).
1. Zitting
De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 17 maart 2026. Het onderzoek is, met instemming van de officier van justitie en de advocaat van [verdachte] , enkelvoudig gesloten op 15 april 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
Parketnummer 16.366284.24
1.
op 10 maart 2025 in Lelystad samen met een ander [slachtoffer 1] heeft gestompt, geslagen en geschopt, een kussen op haar gezicht heeft gedrukt, haar keel heeft dichtgeknepen, haar met een schaar heeft gestoken of gekrast en haar heeft getrapt waardoor zij van de trap is gevallen;
primair is dit ten laste gelegd als het medeplegen van een poging tot doodslag;
subsidiair is dit ten laste gelegd als het medeplegen van een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade;
2.
op 10 maart 2025 in Lelystad, samen met een ander, een auto en een telefoon van [slachtoffer 1] heeft gestolen;
3.
op 9 november 2024 in Lelystad, samen met een ander of anderen, een vuurwapen van categorie III onder 1 en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;
4.
op 9 november 2024 in Lelystad, samen met een ander of anderen, professioneel vuurwerk heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad;
Parketnummer 16.023266.24 (hierna: feit 5)
op 14 oktober 2023 in Lelystad [slachtoffer 2] heeft mishandeld;
Parketnummer 16.062332.24
1. hierna: feit 6)
op 21 februari 2024 in [woonplaats] , samen met anderen, heeft geprobeerd om uit een woning aan de [adres] goederen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] te stelen door middel van braak en/of verbreking;
2. ( hierna: feit 7)
op 21 februari 2024 in Lelystad, samen met een ander of anderen, een poortdeur van [benadeelde 3] heeft vernield;
Parketnummer 16.134516.24
1. hierna: feit 8)
op 22 januari 2024 in Lelystad [slachtoffer 3] heeft mishandeld;
2. ( hierna: feit 9)
op 2 februari 2024 in Lelystad, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 4] .
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat [verdachte] de feiten 1 primair, 2, 3, 4, 5, 6, 8 en 9 heeft gepleegd. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht [verdachte] voor enkele geweldshandelingen onder 1 primair en voor de telefoon onder 2 gedeeltelijk vrij te spreken. Van feit 7 moet [verdachte] geheel worden vrijgesproken.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft de rechtbank verzocht om [verdachte] vrij te spreken van de feiten 1 primair, 2 en 7. De advocaat heeft verder verzocht om [verdachte] gedeeltelijk vrij te spreken van een deel van de geweldshandelingen en de voorbedachte raad in feit 1 subsidiair en het onderdeel ‘in vereniging’ van de feiten 3 en 4.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
De rechtbank oordeelt dat feit 1 primair (poging tot doodslag) niet bewezen is en zal [verdachte] daarvan vrijspreken. Dit wordt gemotiveerd in paragraaf 3.3.3, waarin ook wordt uitgelegd dat de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt van feit 1 subsidiair.
De rechtbank oordeelt daarnaast dat feit 7 (vernieling van een poortdeur) niet is bewezen en zal [verdachte] daarvan vrijspreken. Het dossier bevat geen enkel bewijs dat [verdachte] betrokken is bij de ten laste gelegde vernieling.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat de overige feiten zijn bewezen en baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
[verdachte] heeft bekend dat hij de feiten 3, 4, 5, 6, 8 en 9 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom ten aanzien van deze feiten alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert in bijlage II van dit vonnis.
Bewijsoverwegingen voor de feiten 1, 2, 3 en 4
Feit 1
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] in haar woning door [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) meermalen tegen haar lichaam en hoofd is geslagen/gestompt en geschopt. Ook vindt de rechtbank bewezen dat [slachtoffer 1] als gevolg van het geweld door [verdachte] en [medeverdachte] van de trap is gevallen en/of zich van de trap heeft laten vallen, om aan het geweld te ontkomen. Uit de bewijsmiddelen volgt namelijk dat het heftige geweld door [verdachte] en [medeverdachte] begon op de eerste verdieping, en dat [slachtoffer 1] tijdens het geweld beneden is beland. De val van de trap is dus gebeurd in het geheel van het door [verdachte] en [medeverdachte] gepleegde geweld en de daardoor bij [slachtoffer 1] ontstane angst en paniek.
De rechtbank vindt niet bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] gedurende langere tijd een kussen op het gezicht van [slachtoffer 1] hebben gedrukt. De bloedvlekken van [slachtoffer 1] op het roze kussen zijn onvoldoende steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 1] dat er een kussen in haar gezicht is gedrukt. [slachtoffer 1] is namelijk geslagen en gestompt op haar bed, waar ook het roze kussen lag. Zij heeft verklaard dat zij een haartransplantatie heeft ondergaan, waardoor zij veel bloedde. De bloedvlekken op het kussen kunnen dus ook zijn ontstaan door het slaan en stompen en wijzen er niet direct op dat die het gevolg zijn van het drukken van het kussen in het gezicht van [slachtoffer 1] . Ook de beschreven emoties bij [slachtoffer 1] zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steunbewijs, omdat deze ook door het andere geweld kunnen zijn veroorzaakt.
Verder bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs dat [verdachte] of [medeverdachte] de keel van [slachtoffer 1] hebben dichtgeknepen of haar met een schaar hebben gestoken of gekrast. Dit volgt bijvoorbeeld niet uit de letselrapportage van de GGD, waarin alleen vuistslagen, stompen, slaan en schoppen als toedracht worden genoemd bij de beoordeling van de passendheid van de letsels bij de toedracht.
Het meermalen met kracht slaan en stompen tegen het hoofd en lichaam en het meermalen trappen en schoppen tegen het lichaam en de val van de trap leveren geen poging tot doodslag op, zodat [verdachte] van feit 1 primair zal worden vrijgesproken. Er was naar het oordeel van de rechtbank namelijk geen aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] als gevolg van dit geweld zou overlijden. Wel vindt de rechtbank bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte] heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] met dit geweld zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zodat het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Dat [verdachte] dit ook met voorbedachten rade heeft gedaan, blijkt onvoldoende uit het dossier, zodat van dit onderdeel van de tenlastelegging onder feit 1 subsidiair vrijspraak zal volgen.
Feit 2
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] de autosleutel van [slachtoffer 1] heeft weggenomen en met de auto, die op naam stond van [slachtoffer 1] , is weggereden. [slachtoffer 1] heeft [verdachte] hiervoor geen toestemming gegeven. De rechtbank vindt het onder die omstandigheden wederrechtelijk dat [verdachte] de auto heeft weggenomen. Dat [verdachte] zegt dat hij heeft meebetaald aan de auto, maakt dit niet anders. De diefstal van de auto, zoals die onder feit 2 ten laste is gelegd, kan wettig en overtuigend worden bewezen.
Over de diefstal van de telefoon van [slachtoffer 1] bestaat veel onduidelijkheid; zo is de telefoon niet bij één van de verdachten aangetroffen. De rechtbank vindt dat de diefstal van de telefoon niet kan worden bewezen, zodat van dit onderdeel vrijspraak zal volgen.
Feiten 3 en 4
Voor het bij de feiten 3 en 4 ten laste gelegde onderdeel ‘in vereniging’ bestaat onvoldoende bewijs, zodat voor dat onderdeel voor deze feiten vrijspraak zal volgen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
1. subsidiair
op 10 maart 2025 te Lelystad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, aan een persoon, genaamd [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- meermalen met kracht tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestompt en geslagen en
- meermalen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft getrapt en/of geschopt en
- die [slachtoffer 1] in de richting van de trap heeft getrapt en/of geschopt, als gevolg waarvan zij van de trap is gevallen en/of zich heeft moeten laten vallen om zich aan deze handelingen te onttrekken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
op 10 maart 2025 te Lelystad, een personenauto van het merk Volkswagen, type Polo, voorzien van het kenteken [kenteken] die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3
op of omstreeks 9 november 2024 te Lelystad, een wapen van categorie III onder 1 en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- een vuurwapen (pistool) van het merk Blow, kaliber 9mm P.A.K., voorzien van het wapennummer [wapennummer] en
- drie kogelpatronen van het kaliber 7.65mmBR voorhanden heeft gehad;
4
op 9 november 2024 te Lelystad, opzettelijk, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, professioneel vuurwerk, te weten 22 stuks Cobra's voorhanden heeft gehad;
5
op 14 oktober 2023 te Lelystad [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] op het hoofd te stompen en/of te slaan;
6
op 21 februari 2024 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om uit een woning gelegen aan de [adres] , goederen van hun gading, die aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2] toebehoorden, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, naar die woning zijn toegegaan en met een breekijzer in de sluitnaad van de deur een of meermalen hebben gewrikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
8
op 22 januari 2024 te Lelystad [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] te slaan tegen zijn linkerslaap;
9
op 2 februari 2024 te Lelystad openlijk, te weten nabij de [adres] (achterkant van [winkel] supermarkt), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 4] door hem meermalen te slaan en/of te schoppen tegen het gezicht en/of lichaam.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1 subsidiair: medeplegen van poging tot zware mishandeling.
Feit 2: diefstal.
Feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Feit 4: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit juncto artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
Feiten 5 en 8, telkens: mishandeling.
Feit 6: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Feit 9: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Strafbaarheid feiten en [verdachte]
Beroep op rechtvaardigingsgrond
De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat aan [verdachte] een beroep op noodweer toekomt wat betreft de onder 9 bewezen verklaarde openlijke geweldpleging. Aangever [slachtoffer 4] gaf namelijk een schop tegen de fatbike van [verdachte] , kwam vervolgens op hem af lopen terwijl [verdachte] zijn fatbike parkeerde en maakte een zwaaiende beweging met zijn hand. Dit is een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, waar [verdachte] zich tegen mocht verdedigen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan [verdachte] geen beroep op noodweer toekomt. De reactie van [verdachte] staat niet in verhouding tot de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Bovendien had [verdachte] weg kunnen gaan, zodat niet voldaan is aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. Op de in het dossier gevoegde camerabeelden, die ook zijn beschreven in een proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant] , is te zien dat [verdachte] op zijn fatbike aan komt rijden en met zijn rechterhand een wijzende beweging maakt. Volgens [slachtoffer 4] schold [verdachte] hem op dat moment uit. Op de camerabeelden is te zien dat [slachtoffer 4] een schop geeft tegen de fatbike van [verdachte] . Vervolgens rijdt [verdachte] gedurende zo’n zes seconden met zijn fatbike een rondje terwijl [slachtoffer 4] verder loopt. [verdachte] rijdt dan achter [slachtoffer 4] aan tot vlak achter hem. [slachtoffer 4] draait zich om en [verdachte] parkeert zijn fatbike. Volgens [slachtoffer 4] schold [verdachte] hem toen nogmaals uit. Vervolgens loopt [slachtoffer 4] richting [verdachte] , terwijl [verdachte] achteruit loopt. [slachtoffer 4] maakt een zwaaiende beweging met zijn arm en voet en [verdachte] haalt daarop hard uit naar [slachtoffer 4] door hem in zijn gezicht te slaan. Volgens de aangifte en twee getuigenverklaringen heeft [verdachte] geroepen dat hij werd getrapt, waarop direct vijf jongens aan kwamen rennen die, met uitzondering van één jongen, [slachtoffer 4] meerdere keren schopten terwijl [slachtoffer 4] op de grond lag. Op de beelden is te zien dat [verdachte] toen ook nog een trappende beweging naar [slachtoffer 4] heeft gemaakt. Eén getuige heeft verklaard dat [verdachte] naar [slachtoffer 4] riep ‘kom vechten dan’. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat deze groep jongens hem meerdere keren heeft lastig gevallen tijdens zijn werk in de supermarkt, ook diezelfde dag nog.
De rechtbank constateert dat er twee momenten zijn aan te wijzen die kunnen worden aangeduid als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het eerste moment is het moment waarop [slachtoffer 4] een schop gaf tegen de fatbike van [verdachte] . Omdat [verdachte] na die schop gedurende zo’n zes seconden een rondje heeft gereden terwijl [slachtoffer 4] alweer wegliep, beschouwt de rechtbank dat eerste moment als afgerond. [verdachte] had op dat moment ook alle gelegenheid om weg te gaan en zich aan de situatie te onttrekken. Het tweede moment is als [slachtoffer 4] op [verdachte] af komt lopen, waarbij [verdachte] achteruit loopt, en daarbij een zwaaiende beweging maakt met zijn arm en voet.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van [slachtoffer 4] tijdens dat tweede moment weliswaar worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel als een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, maar is niet aannemelijk geworden dat de situatie zodanig is geweest dat de gedragingen van [verdachte] en zijn vrienden geboden waren door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, namelijk van [verdachte] zelf. De rechtbank vindt dat de gekozen gedragingen van [verdachte] – als verdedigingsmiddel – in onredelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding. [verdachte] heeft [slachtoffer 4] hard in zijn gezicht geslagen en, nadat hij zijn vrienden erbij had geroepen, hem vervolgens samen met vijf anderen meerdere keren getrapt terwijl [slachtoffer 4] op de grond lag. In dat oordeel betrekt de rechtbank ook dat het [verdachte] is geweest die [slachtoffer 4] tot tweemaal toe uitschold, achter hem aanging en hem op die manier weer opzocht.
Het verweer wordt verworpen.
De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.
5. Straf en maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:
een jeugddetentie van 34 dagen, met aftrek van het voorarrest;
een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 180 uur, te vervangen door 90 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;
een voorwaardelijke PIJ-maatregel, met een proeftijd van 2 jaren, met daarbij de door de Raad en SAVE geadviseerde voorwaarden;
een contact- en locatieverbod met betrekking tot [slachtoffer 1] als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaren, te vervangen door 1 week jeugddetentie voor iedere keer dat [verdachte] niet aan de maatregel voldoet;
De officier van justitie heeft geëist dat zowel de voorwaarden bij de PIJ-maatregel als de vrijheidsbeperkende maatregel direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft aangevoerd dat aan [verdachte] geen voorwaardelijke PIJ-maatregel moet worden opgelegd, omdat de geformuleerde voorwaarden ook kunnen worden opgelegd binnen een voorwaardelijke strafdeel, bijvoorbeeld een jeugddetentie. Ook heeft zij verzocht om niet ook nog een werkstraf op te leggen. De behandeling zal al veel tijd van [verdachte] in beslag nemen. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat hij ook al in jeugddetentie heeft gezeten, kan worden volstaan met een deels voorwaardelijke jeugddetentie met de geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan [verdachte] een jeugddetentie op van 38 dagen, met aftrek van het voorarrest, daarnaast een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 140 uren, en ten slotte een voorwaardelijke PIJ-maatregel, die dadelijk uitvoerbaar zal worden verklaard.
Bij het bepalen van deze straffen en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan acht strafbare feiten, namelijk het medeplegen van een poging tot zware mishandeling, tweemaal een mishandeling, openlijke geweldpleging, diefstal van een auto en een poging tot woninginbraak, het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie en het voorhanden hebben van illegaal vuurwerk.
Tijdens de poging tot zware mishandeling heeft [verdachte] , samen met de medeverdachte het slachtoffer tientallen keren met kracht geslagen en gestompt en getrapt. Het slachtoffer is een vrouw die [verdachte] goed kende. Zij kon geen kant op toen [verdachte] en de medeverdachte haar overweldigden in haar eigen huis, terwijl ze in bed lag. Het slachtoffer is uiteindelijk, als gevolg van al het geweld dat op haar werd uitgeoefend van de trap gevallen of heeft zich daarvan af laten vallen en is in haar angst en paniek naakt de straat op gerend. Het slachtoffer was bont en blauw, ze had erg veel pijn. Uit haar slachtofferverklaring blijkt dat zij sindsdien in angst leeft, last heeft van paniekaanvallen en zich niet langer veilig voelt in haar eigen vertrouwde omgeving.
Daarnaast heeft heeft [verdachte] nog drie andere geweldsfeiten gepleegd. Hij heeft een portier bij een uitgaansgelegenheid hard tegen zijn hoofd geslagen. Tijdens een andere situatie heeft [verdachte] een jongen in de bibliotheek in zijn gezicht geslagen. Tot slot heeft [verdachte] samen met een groep van vijf andere jongens een supermarktmedewerker hard geslagen en getrapt, terwijl deze jongen op de grond lag. [verdachte] is met deze geweldsfeiten ver over de schreef gegaan en heeft laten zien dat hij geen respect heeft voor de lichamelijke integriteit van anderen. [verdachte] was steeds samen met anderen en daarmee veruit in de meerderheid ten opzichte van de slachtoffers. De rechtbank vindt het laf dat hij, in die situaties, anderen zo toegetakeld heeft.
Verder heeft [verdachte] een auto gestolen van de vrouw die hij geprobeerd heeft zwaar te mishandelen en heeft hij samen met anderen geprobeerd om bij mensen in te breken. De slachtoffers van de poging tot woninginbraak hebben niet alleen last van de schade die zij hierdoor hebben ondervonden, maar zijn ook enorm geschrokken en voelen zich angstig en onveilig. [verdachte] heeft met deze feiten laten zien dat hij geen respect heeft voor andermans eigendommen.
Verder heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. Uit het onderzoek aan de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte] blijkt dat [medeverdachte] en [verdachte] elkaar foto’s hebben gestuurd van zichzelf met vuurwapens, wat de rechtbank zorgelijk vindt. Het behoeft geen verdere uitleg dat het voorhanden hebben van dergelijke wapens en munitie een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengt, waarvan de gevolgen rampzalig kunnen zijn.
Ten slotte heeft [verdachte] in een auto illegaal vuurwerk, namelijk 22 cobra’s, voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk is gevaarlijk. Voor dergelijk vuurwerk gelden strenge regels en is gespecialiseerde kennis vereist. [verdachte] heeft hierin onverantwoord gehandeld.
De rechtbank vindt het heel zorgelijk en kwalijk dat [verdachte] , die ten tijde van de feiten 15, 16 en 17 jaar oud was, dergelijke ernstige strafbare feiten heeft gepleegd.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van [verdachte] van 2 februari 2026. Daaruit blijkt dat [verdachte] niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een rapport van 1 juli 2025 van de GZ-psycholoog. Daarin staat dat er bij [verdachte] sprake is van een autismespectrumstoornis, een oppositioneel-opstandige stoornis en zwakbegaafdheid. Wat betreft de twee mishandelingen, die [verdachte] heeft bekend, adviseert de psycholoog om dit verminderd aan hem toe te rekenen. Omdat de stoornissen en beperkingen ook aanwezig waren ten tijde van de andere feiten is het denkbaar dat deze ook zijn gedrag bij die feiten hebben beïnvloed. Zonder een duidelijk en dwingend kader en zonder opgelegde behandeling is de kans op recidive van gewelddadig gedrag hoog. Gelet op de ernst van de feiten en van het gedrag en de ontwikkelingsproblematiek is intensieve behandeling op vooral individuele factoren aangewezen. In het algemeen is het nodig dat sprake is van een goed gestructureerd alledaags leven. [verdachte] laat zien strakke voorwaarden en stevig toezicht nodig te hebben om weg te blijven van recidive. Een klinische opname in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is overwogen, maar dat zou betekenen dat de zaken die wel goed lopen en [verdachte] motiveren dan ook zouden worden afgesloten. Een tweede kans met een forse stok achter de deur lijkt het meest passend. Geadviseerd wordt daarom om de behandeling onder stringent toezicht van de jeugdreclassering te laten plaatsvinden in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel.
De kinder- en jeugdpsychiater, komt in het rapport van 10 november 2025 tot dezelfde conclusies als de psycholoog. [verdachte] heeft ernstige psychopathologie waardoor hij op verschillende domeinen niet goed functioneert. Er is een hoog recidivegevaar. [verdachte] heeft een dwingend kader nodig als stok achter de deur waardoor het recidivegevaar verminderd wordt en een gunstige ontwikkeling van [verdachte] wordt bevorderd. Binnen een voorwaardelijke PIJ-maatregel kan de behandeling langdurig worden vormgegeven en kan [verdachte] zich niet onttrekken.
De rechtbank is, gelet op de conclusies van de deskundigen, van oordeel dat alle hiervoor bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan [verdachte] kunnen worden toegerekend.
De Raad heeft in haar rapport van 11 maart 2026 geschreven dat gelet op de ernst van de verdenkingen, de aanwezige ontwikkelingsproblematiek en het verhoogde recidiverisico een stevig en langdurig kader nodig is om gedragsverandering te realiseren en de veiligheid van anderen te waarborgen. De Raad ziet nog mogelijkheden voor behandeling in een ambulant kader. Er is namelijk sprake van een betrokken netwerk en eerdere ervaringen laten zien dat [verdachte] beter functioneert als er duidelijke kaders zijn en er toezicht en structuur is. Daarnaast kan het behouden van een daginvulling, zoals werk of opleiding, voor [verdachte] positief werken. Het inzetten van behandeling binnen een ambulant kader maakt het mogelijk om deze beschermende factoren te behouden, mits deze plaatsvindt binnen een stevig juridisch kader met duidelijke voorwaarden en toezicht. De Raad vindt een
een voorwaardelijke PIJ-maatregel het meest passend. Dit kader biedt de mogelijkheid om een intensief behandeltraject te waarborgen, terwijl tegelijkertijd een duidelijke stok achter de deur aanwezig is wanneer [verdachte] zich niet aan de voorwaarden houdt. Daarnaast wordt geadviseerd om aan [verdachte] een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, gelijk aan de duur van het voorarrest. Als voorwaarden bij de PIJ-maatregel worden genoemd:
meewerken aan behandeling bij De Waag;
meewerken aan aanvullende behandeling en/of begeleiding;
zich inzetten voor een zinvolle daginvulling in de vorm van school, werk en/of sport;
contactverbod met de slachtoffers, met uitzondering van eventuele mediation of herstelbemiddeling;
contactverbod met de medeverdachten.
De William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Flevoland kan toezicht houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] daarbij begeleiden.
Door SAVE wordt in een rapport van 13 maart 2026 geadviseerd om aan [verdachte] een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf en een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. SAVE noemt dezelfde voorwaarden als de Raad, maar noemt daarnaast nog het meewerken aan begeleiding van Samen Sterk. In het rapport staat dat [verdachte] zich sinds de ITB Harde Kern en de Elektrische Monitoring (EM) goed heeft gehouden aan de voorwaarden. Gezien de zwakbegaafdheid en het autisme van [verdachte] vindt SAVE dat het van belang is om de begeleiding over te dragen aan de William Schrikker Stichting. Deze organisatie is gespecialiseerd in het begeleiden van jongeren met een vergelijkbare ondersteuningsbehoefte en kan beter inspelen op de benodigde begeleidingsmomenten.
Op de zitting heeft de raadsonderzoeker verklaard dat de Raad niet negatief staat tegenover een werkstraf, maar dat dit de behandeling niet in gevaar mag brengen, ook omdat [verdachte] al meerdere dagen per week werkt. Het advies om de begeleiding bij de William Schrikker Stichting te beleggen, kan de Raad, gezien de expertise van deze stichting, goed volgen.
De jeugdreclasseerder van SAVE heeft op de zitting verklaard dat de begeleiding goed is verlopen. Hij is het met de Raad eens dat een werkstraf niet mag bijten met de behandeling, maar vindt dat er voor [verdachte] wel een straf tegenover de heftige feiten moet staan.
Straffen
Alles afwegende vindt de rechtbank een jeugddetentie van 38 dagen, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Dit betekent dat [verdachte] nu niet terug hoeft naar de jeugdinrichting. Gelet op de ernst van de feiten en de veelheid ervan, vindt de rechtbank het daarnaast ook nodig om aan [verdachte] een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, van 140 uren op te leggen. De rechtbank gaat er vanuit dat bij de uitvoering daarvan rekening wordt gehouden met de belastbaarheid van [verdachte] , zodat hij, in combinatie met de te volgen behandeling, niet wordt overvraagd. Wat betreft de hoogte van de op te leggen werkstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten, die zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken.
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn is overschreden in een aantal zaken, maar verbindt daar verder geen consequenties aan, gelet op de uitleg van de officier van justitie dat in het belang van [verdachte] ervoor is gekozen om alle zaken tegen [verdachte] gelijktijdig op de zitting te brengen.
Anders dan de officier van justitie vindt de rechtbank het niet nodig om aan [verdachte] een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. [verdachte] heeft zich op de zitting bereid verklaard om in gesprek te gaan met het slachtoffer – die op haar beurt heeft verklaard daarvoor open te staan – en bovendien vormen de consequenties van het overtreden van de maatregel een ongelukkige combinatie met de bij de PIJ-maatregel gestelde voorwaarden van behandeling en begeleiding.
PIJ-maatregel
De rechtbank vindt het, net als de deskundigen, noodzakelijk dat [verdachte] wordt behandeld. Alleen door middel van behandeling kan begonnen worden met het terugdringen van de gedrags- en ontwikkelingsproblemen en alleen daarmee kan het recidiverisico worden verminderd. Dit is uiteindelijk in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] , zijn toekomst en de maatschappij.
De rechtbank stelt vast dat, gelet op de bewezenverklaring en de conclusies en adviezen van de deskundigen, aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de (voorwaardelijke) PIJ-maatregel is voldaan. Hieruit blijkt namelijk dat (1) bij [verdachte] sprake is van een gebrekkige ontwikkeling/ziekelijke stoornis van de geestvermogens, (2) [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig misdrijf, waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, (3) de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de maatregel eist en (4) de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] . Er wordt nog ruimte gezien voor een ambulante behandeling. Daarnaast is het niet wenselijk om de zaken die nu wel goed gaan, zoals werk, te doorkruisen met een gedwongen opname. Daarom zal de rechtbank deze PIJ-maatregel voorwaardelijk opleggen, met daarbij de voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de Raad en door SAVE en met een proeftijd van twee jaren. De advocaat heeft bepleit om de voorwaarden op leggen in het kader van een voorwaardelijke jeugddetentie, maar dat vindt de rechtbank niet passend. Mocht [verdachte] namelijk niet meewerken aan de behandeling of aan de overige voorwaarden, dan wordt binnen het door de advocaat voorgestelde kader de behandeling niet gewaarborgd, terwijl dit wel het geval is bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Overigens mist de stelling van de advocaat dat het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel een ultimum remedium – een laatste redmiddel – moet zijn enige grondslag.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, indien de voorwaardelijke PIJ-maatregel omgezet wordt in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, deze maatregel verlengd kan worden. Aangezien [verdachte] wordt veroordeeld voor feiten die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, kan de PIJ-maatregel telkens met ten hoogste twee jaar verlengd worden, tot een maximum van zeven jaar (als bedoeld in artikel 6:6:31 van het Wetboek van Strafvordering).
Dadelijke uitvoerbaarheid
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, namelijk de poging tot zware mishandeling, de twee mishandelingen en de openlijke geweldpleging. Gelet op de inhoud van de rapportages moet er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [verdachte] opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden die aan [verdachte] bij de PIJ-maatregel worden opgelegd en het toezicht door de jeugdreclassering, na het uitspreken van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).
De voorlopige hechtenis
In de situatie dat hoger beroep wordt ingesteld en [verdachte] zich niet aan de bijzondere voorwaarden houdt, kan de voorwaardelijke PIJ (nog) niet ten uitvoer worden gelegd. Daarvoor is een onherroepelijk vonnis nodig. De rechtbank zal daarom de schorsing van de voorlopige hechtenis in stand laten en de voorwaarden wijzigen zodat deze gelijkluidend zijn aan de bijzondere voorwaarden van de voorwaardelijke PIJ. Hierdoor is er ook in de beschreven situatie een stok achter de deur.
6. Vordering benadeelde partij
Vorderingen van de benadeelde partijen
[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.385,00 voor feit 1, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 385,00 voor vergoeding van materiële schade en € 4.000,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
[benadeelde 1] heeft zich eveneens gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.800,00 voor feit 6, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Ten slotte heeft [slachtoffer 4] zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000,00 voor feit 9, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] hoofdelijk kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat [benadeelde 1] in zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft bepleit de aan [slachtoffer 1] toe te kennen vergoeding voor immateriële schade te matigen. De vordering van [benadeelde 1] moet worden afgewezen vanwege het ontbreken van onderbouwing. De vordering van [slachtoffer 4] moet primair worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege het bepleite ontslag van alle rechtsvervolging en subsidiair moet het toe te kennen bedrag worden gematigd in verband met eigen schuld.
Oordeel van de rechtbank
De vordering van [slachtoffer 1]
De gevorderde materiële schade betreft het eigen risico voor 2026 dat volgens de benadeelde partij volledig zal worden benut voor behandeling bij een psycholoog in verband met klachten als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit. De rechtbank vindt dat de benadeelde partij de vordering op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd, omdat op dit moment onduidelijk is of het bedrag van € 385,00 ook daadwerkelijk gebruikt zal gaan worden voor kosten van behandeling bij een psycholoog of zal worden ingezet voor andere zorgkosten. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 3.000,00 billijk is. Daarbij neemt de rechtbank ook de persoonlijke gevolgen voor de benadeelde partij in aanmerking, waarbij geen PTSS-diagnose is vastgesteld maar wel duidelijk is dat de benadeelde partij slachtoffer is geworden van heftig geweld in haar eigen woning. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
De vordering van [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft de vordering tot vergoeding van de materiële schade onvoldoende onderbouwd. Er is enkel een bedrag genoemd aan reparatiekosten van de schuifpui op basis van een offerte, die niet is bijgevoegd, en bovendien is onduidelijk of de kosten inmiddels door de verzekering zijn betaald.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Wat betreft de immateriële schade heeft de benadeelde partij benoemd dat vooral zijn vrouw klachten ondervindt van de poging tot woninginbraak doordat zij last heeft angst, onrust tijdens het slapen en een gevoel van onveiligheid. Er is geen bedrag aan immateriële schade genoemd. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij of zijn vrouw door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij onvoldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor hem heeft gehad. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake, gelet op rechtspraak van de Hoge Raad.
De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die [verdachte] heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat [verdachte] daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.
De vordering van [slachtoffer 4]
In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Beslissing m.b.t. de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel
De hiervoor genoemde bedragen die [verdachte] aan de benadeelde partijen moet vergoeden worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade, zoals hieronder in de beslissing weergegeven.
Daarnaast legt de rechtbank ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem/haar doet. Als [verdachte] de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, wordt er, in verband met de minderjarigheid van [verdachte] , geen gijzeling toegepast.
[verdachte] mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
8. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart de feiten 1 primair en 7 niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
strafbaarheid [verdachte]
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5, 6, 8 en 9 bewezenverklaarde;
straffen en maatregel
- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 38 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf, in de vorm van een werkstraf van 140 uren;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 70 dagen hechtenis;
- legt aan [verdachte] op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel);
- bepaalt dat deze maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarden gelden dat [verdachte] :
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in 77aa eerste tot en met het derde lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:
* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [medeverdachte] , geboren op [2008] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met - [slachtoffer 1] , geboren op [1995] ; - [slachtoffer 4] , geboren op [1999] ;
- [slachtoffer 2] , geboren op [1996] ;
- [benadeelde 1] , geboren op [1953] ;
- [benadeelde 2] , geboren op [1957] ;
- [slachtoffer 3] , geboren op [1999] ;zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, met uitzondering van contact ten behoeve van eventuele mediation of herstelbemiddeling;
* zich zal melden bij William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Flevoland, en zich daarna gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo vaak en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht. [verdachte] houdt zich aan de aanwijzingen die hem in dit kader worden gegeven; ;
* zich onder behandeling zal stellen van De Waag of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
* zal meewerken aan begeleiding door Samen Sterk, of een soortgelijke organisatie, wanneer de jeugdreclassering dit nodig acht;
* zich zal houden aan de (het gedrag van de veroordeelde betreffende) voorwaarde dat hij zich inzet voor een zinvolle dagbesteding in de vorm van school, werk en/of sport;
- waarbij de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Flevoland opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 6)
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 9)
voorlopige hechtenis
- beslist dat de schorsing van de voorlopige hechtenis in de parketnummers 16.366284.24 en 16.062332.24 zal worden voortgezet, onder de voorwaarden als verbonden aan de PIJ-maatregel als hiervoor benoemd.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Piet, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. H. den Haan, kinderrechter, en mr. T. van Haaren-Paulus, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.M. van Zwet als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
De voorzitter en de griffier zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 16.366284.24
1
hij op of omstreeks 10 maart 2025 te Lelystad, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet,
- meermalen, althans eenmaal, met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestompt en/of geslagen en/of
- meermalen, althans eenmaal, gedurende langere tijd een kussen op het gezicht van die [slachtoffer 1] heeft gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of
- meermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer 1] heeft dicht geknepen en/of
- meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft getrapt en/of geschopt en/of
- meermalen, althans eenmaal, op en/of in en/of tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gekrast met een schaar en/of
- meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] in de richting van de trap heeft getrapt en/of geschopt en/of geslagen en/of gestompt, als gevolg waarvan zij van de trap is gevallen en/of zich heeft moeten laten vallen om zich aan deze handelingen te onttrekken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 maart 2025 te Lelystad, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] , opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet,
- meermalen, althans eenmaal, met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestompt en/of geslagen en/of
- meermalen, althans eenmaal, gedurende langere tijd een kussen op het gezicht van die [slachtoffer 1] heeft gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of
- meermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer 1] heeft dicht geknepen en/of
- meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft getrapt en/of geschopt en/of
- meermalen, althans eenmaal, op en/of in en/of tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gekrast met een schaar en/of
- meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] in de richting van de trap heeft getrapt en/of geschopt en/of geslagen en/of gestompt, als gevolg waarvan zij van de trap is gevallen en/of zich heeft moeten laten vallen om zich aan deze handelingen te onttrekken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 10 maart 2025 te Lelystad, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een personenauto van het merk Volkswagen, type Polo, voorzien van het kenteken [kenteken] en/of een telefoon van het merk iPhone type 12 mini, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3
hij op of omstreeks 9 november 2024 te Lelystad, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen van categorie III onder 1 en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- een vuurwapen (pistool) van het merk Blow, type TR92, kaliber 9mm P.A.K., voorzien van het wapennummer [wapennummer] en/of
- drie, althans één of meerdere, (kogel)patro(o)n(en) van het kaliber 7.65mmBR voorhanden heeft gehad;
4
hij op of omstreeks 9 november 2024 te Lelystad, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) opzettelijk, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, professioneel vuurwerk, te weten 22 stuks, althans één of meer stuks Cobra's, in elk geval een hoeveelheid professioneel vuurwerk, heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad;
Parketnummer 16.023266.24
hij op of omstreeks 14 oktober 2023 te Lelystad [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] in het gezicht, althans op het hoofd, te stompen en/of te slaan;
Parketnummer 16.062332.24
1
hij op of omstreeks 21 februari 2024 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om uit een woning gelegen aan de [adres] , goederen van
zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking
naar die woning is/zijn toegegaan en/of met een breekijzer in de sluitnaad van de deur een of meermalen heeft gewrikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 21 februari 2024 te Lelystad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een poortdeur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
Parketnummer 16.134516.24
1
hij op of omstreeks 22 januari 2024 te Lelystad [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] te slaan tegen zijn linkerslaap en/of hoofd en/of gezicht;
2
hij op of omstreeks 2 februari 2024 te Lelystad openlijk, te weten nabij de [adres] (achterkant van [winkel] supermarkt), in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 4] door hem een of meermalen te slaan en/of te schoppen tegen het gezicht en/of lichaam.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Bewijsmiddelen in parketnummer 16.366284.24
Feit 1 subsidiair (medeplegen poging tot zware mishandeling)
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 10 maart 2025, p. 37, 38 en 39
Op maandag 10 maart 2025, de gehele dag, was ik in mijn woning aan de [adres] te [woonplaats] . Ik zag een man in mijn slaapkamer verschijnen. Ik herkende deze persoon als [verdachte] . Ik zag naast [verdachte] een andere man staan. Ik herkende hem als zijnde [medeverdachte] . Ik zag dat zij beiden op mij sprongen. Ik voelde dat zij beide op mij lagen. Ik lag op dit moment nog op mijn bed. Ik voelde meerdere stompen op mijn hele lichaam. Ik voelde enorme pijn na elke stomp op mijn lichaam. Ik voelde meerdere klappen op mijn gezicht en op mijn benen. Ik voelde enorme pijn. Ik voelde harde steken. Ik zag dat zij beiden een gebalde vuist maakten en mij in mijn gezicht sloegen. Ik zag dat zij dit met beide handen deden. Ik voelde meerdere keren hun vuisten mijn gezicht raken. Ik voelde hevige pijn in mijn gezicht. Ik hoorde klappen op mijn gezicht. Ik zag dat [verdachte] voor de trap stond. Ik keek naar [verdachte] en wilde mijzelf redden. Ik wilde mijzelf van de trap afgooien om weg te komen. Terwijl ik naar [verdachte] keek, die bij de trap stond, voelde ik dat er aan mij werd getrokken. Ik zag dat zij beiden aan mij trokken. Ik heb mijzelf losgetrokken van [verdachte] en [medeverdachte] . Ik voelde harde klappen op mijn been. Ik zag dat zij allebei trappen gaven op mijn been. Ik viel naar beneden van de trap af. Ik voelde mijn lichaam terecht komen op de traptreden. Ik voelde dat mijn lichaam tot stilstand kwam.
Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 12 maart 2025, p. 214, 217 en 219
Ik heb heel veel pijn. Mijn hele lichaam. [verdachte] gaf de ergste stompen. Beiden sloegen ze mij met hun vuisten. [verdachte] dit deed echt met kracht. Op mijn gezicht, benen en arm. Het leek alsof ze niet stopten.
Ik viel boven aan de trap. [verdachte] gaf mij toen een trap. Opeens stond ik beneden.
Een proces-verbaal van forensisch onderzoek persoon van 15 maart 2025, p. 229 en 230
Slachtoffer: [slachtoffer 1] .
Tijdens het onderzoek zagen wij dat het slachtoffer:
- Op de linker bovenzijde van haar hoofd een wond had, die niet gehecht of gelijmd was (zie foto 1 en 2);
- Verticale stroomsporen van opgedroogd bloed over haar gezicht had;
- Bloed uit haar linkeroor had en dat het tijdens het onderzoek nog eruit stroomde. Uit medisch onderzoek bleek dat dit niet uit haar hoofd kwam maar uit het oor zelf;
- In de hals, met name aan de linkerzijde, rode huidverkleuringen had (zie foto's 3-5);
- Op de achterzijde van de linkerarm een paars/rode huidverkleuring had (zie foto’s 6-8);
- Op de rechterschouder een rode huidverkleuring had (zie foto 9 en 10),
- Op de rug, ter hoogte van het linkerschouderblad, rode huidverkleuringen had (zie foto 11 en 12);
- Op de linker bil een blauwe plek had, met daaronder een oppervlakkige huid beschadiging in de vorm van een verticale streep, en daaronder een bult met blauwe plek (zie foto's 13-16);
- Op het linker bovenbeen diverse ronde blauwe plekken had;
- Op de onderbenen geen huidbeschadigingen of blauwe plekken had (zie foto 17);
- Op de zijkant van het rechterbovenbeen een oppervlakkige huidbeschadiging met gedeeltelijke ontvelling had (zie foto 18);
- Op de handen zagen wij onder en op de nagels een op bloed gelijkende substantie. Op de handpalm van de linkerhand zagen wij ook een op bloed gelijkende substantie. Op de binnenzijde van de rechterhand zagen wij enkele op bloed gelijkende vlekken (zie foto 19 en 20);
- Op de zijkant van de linkerhand, ter hoogte van de duimmuis, zagen wij een oppervlakkige huidbeschadiging in de vorm van een horizontale streep.
Een letselrapportage Forensische Geneeskunde van de GGD van 12 maart 2025, p. 315-316
De gemelde toedracht past zeer goed bij het letsel.
De verklaring van [verdachte] op de zitting van 17 maart 2026
Ik ben samen met [medeverdachte] naar woning van [slachtoffer 1] geweest. We kregen ruzie en dat is uit de hand gelopen. Ik heb haar paar keer geslagen, zowel met vuisten als met de platte hand.
Feit 2 (diefstal auto)
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 10 maart 2025, p. 38 en 39
Ik zag dat [verdachte] mijn autosleutels pakte. Ik zag dat mijn autosleutels op mijn nachtkastje lagen in mijn slaapkamer. Ik weet dat het mijn autosleutels zijn omdat ik gerinkel van sleutels hoorde. Ik herkende dit geluid als zijnde mijn autosleutels. Eenmaal binnen in de woning van mijn buurvrouw hoorde ik dat mijn auto werd gestart. Ik herkende het geluid als zijnde mijn auto. Ik heb een auto op naam. Dit is een zwarte Volkswagen Polo Cross met het kenteken: [kenteken] .
De verklaring van [verdachte] op de zitting van 17 maart 2026
Ik heb de autosleutels gepakt en ben met de auto weggereden.
Feit 3 (voorhanden hebben wapen en munitie)
- de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 17 maart 2026;
- een proces-verbaal van bevindingen van 10 november 2024, p. 47;
- een proces-verbaal van bevindingen van 20 februari 2025, p. 117 t/m 119 m.b.t. goednummer 2 en goednummer 3;
- een rapport Forensisch DNA-onderzoek van Eurofins van 20 januari 2025, p. 133 t/m 137.
Feit 4 (voorhanden hebben vuurwerk)
- de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 17 maart 2026;
- een proces-verbaal van bevindingen van 10 november 2024, p. 47;
- een proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk van 16 december 2024, p. 73 en 78;
- een rapport Forensisch DNA-onderzoek van Eurofins van 16 december 2024, p. 128.
Bewijsmiddelen in parketnummer 16.023266.24
Feit 5 (mishandeling [slachtoffer 2] )
- de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 17 maart 2026;
- een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] van 14 oktober 2023, p. 8 t/m 9.
Bewijsmiddelen in parketnummer 16.062332.24
Feit 6 (poging woninginbraak)
- de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 17 maart 2026;
- een proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 2] van 21 februari 2024, p. 12 t/m 14 en 22;
- een proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde 1] van 21 februari 2024, p. 27 t/m 28.
Bewijsmiddelen in parketnummer 16.134516.24
Feit 8 (mishandeling [slachtoffer 3] )
- de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 17 maart 2026;
- een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] van 22 januari 2024, p. 13.
Feit 9 (openlijk geweld tegen [slachtoffer 4] )
- de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 17 maart 2026;
- een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] van 9 februari 2024, p. 45 t/m 47;
- een proces-verbaal van bevindingen van 18 februari 2024, p. 69 t/m 71.