uitspraak van de meervoudige kamer van 16 april 2026 in de zaken tussen
1. [eiser sub 1] plus 62 anderen, allen uit [woonplaats] en [woonplaats] (UTR 23/6304)
2. Stichting Windbrekers Swifterbant, gevestigd in Swifterbant (UTR 25/2772)
(gemachtigde in beide zaken: mr. P.A. de Lange),
eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. R. Reinsma).
Als derde-partij neemt aan zaaknummer UTR 23/6304 deel: Windkoepel Groen, gevestigd in Dronten (vergunninghoudster Windplan Groen)
(gemachtigde: mr. E.M.N. Noordover).
Als derde-partij neemt aan zaaknummer UTR 25/2772 deel: SwifterwinT op Land B.V., gevestigd in Dronten (vergunninghoudster Windplan Blauw)
(gemachtigde: mr. F. Onrust).
In deze uitspraak worden eisers in de zaak Windplan Groen (UTR 23/6304) en eisers in de zaak Windplan Blauw (UTR 25/2772) samen aangeduid als eisers.
Inleiding
1. Deze zaken gaan over de omgevingsvergunningen die het college in 2018 en 2019 heeft verleend voor het realiseren van Windplan Groen en Windplan Blauw in de provincie Flevoland. Eisers vinden dat het college deze omgevingsvergunningen moet intrekken of in ieder geval nader moet beoordelen.
Procesverloop in de zaak Windplan Groen (UTR 23/6304)
2. Eisers hebben het college verzocht om de verleende vergunning(en) voor realisatie en exploitatie van Windplan Groen in te trekken of op te schorten, zodat er geen gebruik van kan worden gemaakt totdat de in hun ogen bestaande strijd met het Unierecht is opgeheven.
3. Nadat eisers en vergunninghoudster Windplan Groen een zienswijze hebben ingediend tegen het ontwerpbesluit, heeft het college met het besluit van 7 november 2023 het verzoek afgewezen.
4. Eisers zijn het niet eens met dit besluit en hebben daarom beroep ingesteld. In hun brief van 4 februari 2026 hebben zij gereageerd op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 september 2024 over Windplan Blauw.
5. Het college heeft een (aanvullend) verweerschrift ingediend en vergunninghoudster Windplan Groen heeft ook reacties ingezonden.
Procesverloop in de zaak Windplan Blauw (UTR 25/2772)
6. Eisers hebben, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 17 februari 2023, het college verzocht om een nadere beoordeling uit te voeren van de verleende vergunning(en) voor realisatie en exploitatie van Windplan Blauw.
7. Het college heeft met het besluit van 7 oktober 2024 het verzoek afgewezen. Het bezwaar dat eisers tegen dit besluit hebben genaakt, heeft het college met het besluit van 17 maart 2025 ongegrond verklaard.
8. Eisers zijn het niet eens met dit laatste besluit en hebben daarom beroep ingesteld. In hun brief van 4 februari 2026 hebben zij gereageerd op de hierboven genoemde uitspraak van de Afdeling van 18 september 2024 over Windplan Blauw.
9. Het college heeft een (aanvullend) verweerschrift ingediend en vergunninghoudster Windplan Blauw heeft ook een reactie ingezonden.
Zitting
10. De rechtbank heeft beide beroepen op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college samen met [A] . Namens vergunninghoudster Windplan Groen heeft mr. C. Alekperova deelgenomen en namens vergunninghoudster Windplan Blauw de gemachtigde samen met [B] .
Beoordeling rechtbank
Toepasselijk recht
11. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden en is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken. Als een verzoek om een besluit te nemen is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
12. Het verzoek over Windplan Groen is vóór 1 januari 2024 ingediend en het verzoek overWindplan Blauw ná die datum. Dat betekent dat voor Windplan Groen de Wabo met de onderliggende regelingen van toepassing blijft en voor Windplan Blauw de Omgevingswet van toepassing is.
Belanghebbendheid eisers in de zaak Windplan Groen
13. Het college heeft de vraag opgeworpen of (alle) eisers kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden, omdat niet duidelijk is of zij tot de hoogste instantie hebben geprocedeerd over de verleende omgevingsvergunningen.
14. De rechtbank overweegt dat het besluit van het college over Windplan Groen is genomen na het volgen van de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Op twee na hebben alle eisers Windplan Groen een zienswijze ingediend tegen het ontwerpbesluit en zij kunnen dus worden aangemerkt als belanghebbenden. Eisers [eiser sub 1] en [eiser sub 1.2] hebben geen zienswijze ingediend. Dit wordt hen echter niet tegengeworpen als zij kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden. Daarbij is het uitgangspunt of zij rechtstreeks feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervinden van de activiteiten die het besluit toestaat. Gelet op de afstand van de woningen van deze twee eisers tot en het zicht op de windturbines van Windplan Groen kunnen ook zij naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als belanghebbenden.
Nieuwe feiten en omstandigheden in de zaak Windplan Blauw
15. Vergunninghoudster Windplan Blauw heeft er op gewezen dat er na de uitspraken van de rechtbank en de Afdeling geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn genoemd door eisers. Zij vindt daarom dat het opnieuw doen van een intrekkingsverzoek een herhaling van zetten is. Het college heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2025, waarin volgens hem al een oordeel is gegeven over de gronden die nu weer worden aangevoerd.
16. De rechtbank volgt vergunninghoudster Windplan Blauw niet. Als het bestuursorgaan een herhaalde aanvraag of een verzoek terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag of dat verzoek. In dit geval heeft het college de verzoeken van eisers op inhoudelijke gronden afgewezen, zodat de rechtbank beide besluiten opnieuw toetst. De verwijzing van het college naar de uitspraak van 25 juni 2025 volgt de rechtbank evenmin. Uit rechtsoverweging 22.5 van die uitspraak blijkt namelijk dat de Afdeling dat wat in die procedure werd aangevoerd tegen de uitspraken van 18 september 2024 en de daarin aan de orde zijnde rechtbankuitspraken onbesproken heeft gelaten.
Bespreking gronden in beide zaken
17. Eisers voeren aan dat de omgevingsvergunningen voor Windplan Groen en Windplan Blauw in strijd zijn met het Unierecht. Dit wordt ook bevestigd in de al vaker genoemde uitspraken van 18 september 2024. De met het Unierecht strijdige gevolgen mogen naar hun mening dan ook niet in stand blijven. Gelet op het beginsel van voorrang van Unierecht en het beginsel van loyale samenwerking is (ook) de Nederlandse rechter verplicht om te zorgen voor de eerbiediging van unierechtelijke bepalingen. Zo nodig moet een rechter daarbij elke nationale regeling die in strijd is met het Unierecht buiten toepassing laten. Dat ingrijpen is volgens eisers des te urgenter nu de SMB-richtlijn tot op heden nog steeds niet correct geïmplementeerd is en er door een ieder een beroep op de rechtstreekse werking ervan kan worden gedaan. Daaruit volgt ook dat, anders dan waarvan de Afdeling uitgaat, het Kühne en Heitz-arrest niet kan worden toegepast. Verder wijzen eisers erop dat het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat niet vergunninghoudsters, maar juist zij bescherming moeten kunnen ontlenen aan een onjuist geïmplementeerde richtlijn.
18. De rechtbank stelt vast dat de meest verstrekkende beroepsgrond inhoudt dat op rond van het Unierecht een rechtstreekse verplichting voor het college bestaat om de verleende omgevingsvergunningen in te trekken. Eisers hebben dit tijdens de zitting ook bevestigd. De rechtbank overweegt in dat verband dat de Afdeling in de uitspraak over Windplan Blauw en ook in de uitspraak over windpark De Rietvelden een beoordelingskader heeft gegeven voor heroverweging en intrekking van onherroepelijke omgevingsvergunningen in het licht van Unierecht. Dit beoordelingskader geldt voor omgevingsvergunningen waarin het bevoegde gezag bij zijn beoordeling is uitgegaan van de toen geldende windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit, zoals ook is gebeurd bij de vergunningen voor Windplan Groen en Windplan Blauw. De Afdeling heeft het beoordelingskader bevestigd in de uitspraak van 30 april 2025. In wat eisers aanvoeren ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van een ander beoordelingskader dan de Afdeling heeft gehanteerd.
19. Eisers hebben gewezen op de beginselen van doeltreffendheid en loyale samenwerking, waaruit volgens hen een rechtstreekse verplichting volgt om een naar nationaal recht onherroepelijke omgevingsvergunning in te trekken. De rechtbank volgt eisers daarin niet. Uit het Nevele-arrest blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat onherroepelijke omgevingsvergunningen heroverwogen of ingetrokken moeten worden. In dat arrest heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) zich immers alleen uitgesproken over een nog niet onherroepelijke vergunning. Ook verder bestaat er geen Unierechtelijke regeling op grond waarvan de omgevingsvergunningen zoals hier aan de orde, kunnen of moeten worden ingetrokken. Dat betekent echter niet dat dat er geen plicht kan zijn voor een bestuursorgaan om zulke vergunningen toch te heroverwegen en/of in te trekken. Uit het beginsel van de procedurele autonomie en vaste rechtspraak van het Hof volgt namelijk dat dan eerst moet worden gekeken of er een nationale regeling is die intrekking mogelijk maakt. Voor Windplan Groen is dat artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo dat bepaalt dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning moet intrekken als de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie dat vereist. Voor Windplan Blauw is de mogelijkheid tot intrekking geregeld in artikel 8.97 van het Besluit kwaliteit leefomgeving dat bepaalt dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan intrekken op de in dit hoofdstuk aangegeven gronden waarop de omgevingsvergunning voor die activiteit had kunnen worden geweigerd. Verder wijst de rechtbank er op dat op grond van vaste rechtspraak van het Hof over het rechtszekerheidsbeginsel het Unierecht niet eist dat een bestuursorgaan in beginsel moet terugkomen van een besluit dat definitief is geworden na het verstrijken van redelijke beroepstermijnen of na uitputting van alle rechtsmiddelen. Daarvoor zijn de criteria uit het Kühne & Heitz-arrest van belang.
20. Uit het Kühne & Heitz-arrest volgt dat een bestuursorgaan op grond van het beginsel van loyale samenwerking verplicht is om een definitief geworden besluit op een verzoek daartoe opnieuw te onderzoeken om rekening te houden met de uitleg die het Hof inmiddels aan relevante bepalingen van het Unierecht heeft gegeven. Dat moet als aan vier cumulatieve voorwaarden is voldaan. De rechtbank ziet voor Windplan Blauw geen aanleiding om een ander oordeel te geven dan de Afdeling in de uitspraak van 18 september 2024 over Windplan Blauw heeft gedaan en verwijst kortheidshalve naar de overwegingen 17.17 en verder van die uitspraak. Voor Windplan Groen geldt dat de Afdeling in de uitspraak van 16 september 2020 niet (bij exceptieve toetsing) heeft geoordeeld over de verenigbaarheid van de windturbinebepalingen met de SMB-richtlijn, omdat de betogen in die zaak daartoe geen aanleiding gaven. Daarmee is ook voor Windplan Groen niet voldaan aan de derde voorwaarde uit het Hühne & Heitz-arrest dat de uitspraak moet berusten op een onjuiste uitlegging van het Unierecht.
21. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat voor het college geen verplichting bestond om de onherroepelijke omgevingsvergunningen voor Windplan Groen en Windplan Blauw te heroverwegen of in te trekken.
Misbruik van procesrecht
22. Vergunninghoudster windplan Blauw vindt dat het na de eerdere procedures opnieuw doen van een verzoek tot intrekking van de omgevingsvergunning(en) kan worden aangeduid als het misbruik maken van procesrecht. De rechtbank overweegt dat voor het vaststellen van misbruik van procesrecht volgens vaste rechtspraak zwaarwichtige gronden zijn vereist die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. De rechtbank oordeelt dat daarvan in dit geval niet is gebleken.
Conclusie
23. Beide beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen het griffierecht niet terug en zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, voorzitter, en mr. S.C.A. van Kuijeren en mr. P. Mendelts, leden, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.