RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16-313115-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 april 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1966 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 3 april 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op 13 oktober 2022 in [plaats] voorwerpen en chemicaliën/stoffen voorhanden heeft gehad ter voorbereiding of bevordering van de productie van MDMA, methamfetamine en/of amfetamine.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Vrijspraak
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
De officier van justitie eist dat aan de verdachte wordt opgelegd:
- een geldboete ter hoogte van € 5.000,00, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis;
- een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het feit.
De advocaat voert aan dat bewijsuitsluiting dient plaats te vinden, nu in het voorbereidend onderzoek sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim. Volgens de verdediging is het perceel, een afgesloten privéterrein van de verdachte, onrechtmatig betreden en doorzocht, zodat al hetgeen daar is aangetroffen van het bewijs moet worden uitgesloten. Dit dient te leiden tot vrijspraak van de beschuldiging. Subsidiair verzoekt de verdediging, ook indien geen bewijsuitsluiting volgt, de verdachte vrij te spreken vanwege een gebrek aan wettig en overtuigd bewijs.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat het feit niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt vast dat op 13 oktober 2022 een controle heeft plaatsgevonden onder regie van het Bestuurlijk Interventie Team Gooi en Vechtstreek en de gemeente Gooise Meren, in aanwezigheid van meerdere politiemedewerkers, op het perceel behorende bij [adres] te [plaats] . Uit de door de burgemeester afgegeven machtiging tot binnentreden valt op te maken dat deze controle was gericht op het beoordelen van de bouwkundige staat en het gebruik van de bouwwerken en het identificeren van de bewoners.
Uit het dossier volgt dat zich op het perceel, waarvan de verdachte mede-eigenaar is, meerdere recreatiewoningen bevinden, alsmede een woonhuis. De verdachte woonde ten tijde van de controle in het woonhuis op het perceel. Uit het door de verdediging overgelegde verslag van binnentreden volgt dat de verdachte aanvankelijk geen toestemming heeft gegeven voor de controle, in ieder geval niet voor het betreden van zijn woonhuis. Nadat de machtiging aan hem was overhandigd, heeft de verdachte die toestemming alsnog verleend. Voor zover het de overige delen van het perceel betreft, blijkt uit het dossier niet dat toestemming is verleend voor het binnentreden of doorzoeken daarvan.
Tijdens de controle op het perceel zijn in een opstal (een ruimte tussen twee zeecontainers) en in de directe nabijheid daarvan meerdere goederen en hoeveelheden chemicaliën/stoffen aangetroffen, waarvan het Openbaar Ministerie stelt dat deze bestemd zijn voor het voorbereiden of bevorderen van de productie van verschillende soorten synthetische harddrugs.
De rechtbank zal hierna uiteenzetten hoe zij deze gang van zaken beoordeelt. De rechtbank heeft kennisgenomen van een vonnis van 18 oktober 2023 waarin dezelfde controle centraal stond als in onderhavige zaak (ECLI:NL:RBMNE:2023:5475).
Vormverzuim
Toezichthouders en opsporingsambtenaren zijn op grond van artikel 1 van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi) bevoegd een woning binnen te treden als zij daarvoor een machtiging tot binnentreden hebben of als zij toestemming hebben van de bewoner. In het geval van toestemming is vereist dat zij zich voorafgaand aan het binnentreden legitimeren en het doel van het binnentreden mededelen (‘informed consent’).
Anders dan in voornoemde zaak blijkt uit het onderhavige dossier niet dat het perceel en de daarop gelegen woningen met toestemming zijn betreden. De verdachte heeft het binnentreden aanvankelijk geweigerd. Pas nadat aan hem een machtiging was getoond die was afgegeven door de burgemeester van de gemeente Gooise Meren (bijlage 1 bij de pleitnota), heeft de verdachte toestemming verleend voor de controle. De rechtbank constateert daarom dat het perceel en de daarop gelegen woningen zijn betreden op grond van deze machtiging.
Uit de door de verdediging overgelegde stukken blijkt dat tegen deze machtiging (een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) een bezwaarschriftprocedure is gevoerd. Uit die stukken volgt dat dit besluit door de bezwaaradviescommissie van de gemeente Gooise Meren in strijd is geacht met diverse bepalingen uit de Awbi en dat is geadviseerd het besluit te herroepen. De burgemeester heeft het bezwaar vervolgens gegrond verklaard en besloten het bestreden besluit, te weten de machtiging tot binnentreden, te herroepen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan het binnentreden een rechtmatige grondslag heeft ontbroken. Het binnentreden door de toezichthouders en verbalisanten dient daarom als onrechtmatig te worden aangemerkt, zodat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.
Rechtgevolg van vormverzuim buiten voorbereidend onderzoek
De toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is onder meer beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan in het kader van het voorbereidend onderzoek tegen een verdachte. Op grond van artikel 132 Sv dient daaronder te worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling ter terechtzitting, dat plaatsvindt onder gezag van de officier van justitie en is gericht op het nemen van strafvorderlijke beslissingen.
In de onderhavige zaak staat vast dat ten tijde van het binnentreden nog geen sprake was van een strafrechtelijk voorbereidend onderzoek. Het binnentreden vond immers plaats in het kader van een ‘integrale controle’ (bestuursrechtelijk), terwijl op dat moment geen sprake was van een strafrechtelijke verdenking. Het betreden van het perceel van de verdachte door toezichthouders en politie kan daarom niet worden aangemerkt als een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt evenwel dat onder omstandigheden rechtsgevolgen kunnen worden verbonden aan vormverzuimen die niet zijn begaan in het kader van het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, dan wel aan onrechtmatig handelen jegens de verdachte door een andere functionaris dan een opsporingsambtenaar. Als overkoepelende maatstaf geldt daarbij dat een dergelijk rechtsgevolg aangewezen kan zijn indien het vormverzuim of de onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van de beschuldiging.
De rechtbank is van oordeel dat het betreden van het perceel en de zich daarop bevindende (recreatie)woningen van bepalende invloed is geweest op zowel het opsporingsonderzoek als de vervolging van de verdachte. Op het perceel zijn namelijk de chemicaliën en goederen aangetroffen die aanleiding hebben gegeven tot de onderhavige verdenking. Gelet hierop kan, overeenkomstig de hiervoor genoemde rechtspraak van de Hoge Raad, het verbinden van een rechtsgevolg aan dit handelen aangewezen zijn.
Bewijsuitsluiting
De rechtbank acht het, gelet op de ernst van het vormverzuim, passend daaraan een rechtsgevolg te verbinden. Bij de bepaling van het daaraan te verbinden rechtsgevolg sluit de rechtbank aan bij de maatstaven die in de jurisprudentie van de Hoge Raad zijn ontwikkeld met betrekking tot de rechtsgevolgen van vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het belang van het geschonden voorschrift, de aard en ernst van het verzuim, alsmede met het daardoor veroorzaakte nadeel.
Het voorschrift dat woningen, privéterreinen of bedrijven niet mogen worden betreden zonder toestemming van de bewoner of eigenaar, dan wel zonder machtiging van een bevoegde autoriteit, vormt een belangrijk strafvorderlijk voorschrift. Dit voorschrift strekt immers tot bescherming van het grondwettelijk gewaarborgde huisrecht, zoals neergelegd in artikel 12 van de Grondwet, en dient daarmee tevens ter bescherming van de rechten van de verdachte.
Voor het binnentreden en doorzoeken van het perceel van de verdachte, was (achteraf gezien) geen rechtsgrond. Gebleken is dat de herroepen machtiging op meerdere gronden onjuist was en in strijd met diverse bepalingen uit de Awbi. Uit het dossier en de door de verdediging overgelegde stukken rijst het beeld dat (mede) sprake is geweest van een strafrechtelijk doel, terwijl de machtiging, op papier, was afgegeven op bestuursrechtelijke gronden.
In de machtiging zelf staat bijvoorbeeld dat het gaat om een machtiging ten behoeve van het toezicht op het gebruik van (vakantie)woningen en de bouwregelgeving door het Bestuurlijk Interventie Team.
In de brief die bij de controle aan de verdachte is overhandigd staat onder meer dat het primaire doel van de controle was om te bereiken dat regels op het gebied van ruimtelijke ordening, brandveiligheid, milieu en plaatselijke regelgeving zouden worden nageleefd.
In het verslag van binnentreden staat vervolgens dat het binnentreden berust op artikelen 2 en 3 van de Awbi, artikelen 5.15 en 5.27 van de Awb en artikel 5.13 va de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Ook wordt het Bouwbesluit 2012 genoemd.
Zoals de verdediging terecht heeft aangevoerd, mogen bevoegdheden niet worden aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verleend. Toegepast op deze zaak: bestuursrechtelijke bevoegdheden mogen niet worden gebruikt voor strafrechtelijke doeleinden. De indruk dat dit (deels) wel het geval is geweest wordt gewekt door onder meer de volgende omstandigheden:
In de inleiding van de brief die bij de controle aan de verdachte is overhandigd staat dat de gemeente het belangrijk vindt dat criminaliteit geen ruimte krijgt.
In een proces-verbaal van de politie beschrijft de politie dat zij haar eigen betrokkenheid primair zag als afscherming van medewerkers van overheidsorganen en secundair bij constatering van strafbare feiten op te treden binnen de eigen bevoegdheden.
In een door de verdediging overgelegd rapport over de controle staat over de aanwezigheid van de politie bij de controle dat de verdachte bij de politie de classificatie vuurwapengevaarlijk heeft.
Nergens in het dossier wordt uitgelegd waarom het (bestuursrechtelijk) nodig was om de zeecontainers te controleren.
Door het onrechtmatig binnentreden van het perceel van de verdachte is een ernstige inbreuk gemaakt op een fundamenteel strafvorderlijk voorschrift en op de door dat voorschrift beschermde belangen van de verdachte, in het bijzonder zijn persoonlijke levenssfeer, zoals onder meer gewaarborgd in artikel 8 EVRM.
In voornoemd vonnis heeft de rechtbank overwogen dat deze constatering meebrengt dat bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtstatelijke waarborg en als middel om met opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden, en daarmee om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen zich in de toekomst zullen voordoen. De rechtbank zal in deze zaak overeenkomstig oordelen.
De rechtbank is van oordeel dat het bewijs in deze zaak onder zodanige omstandigheden is verkregen dat het niet kan worden aangewend voor een strafrechtelijke veroordeling van de verdachte. Het op het perceel aangetroffen materiaal wordt daarom van het bewijs uitgesloten.
Conclusie
De bevindingen die voortvloeien uit de doorzoeking van het perceel op 13 oktober 2022, te weten het aantreffen van goederen die verband houden met de onderhavige beschuldiging, dienen van het bewijs te worden uitgesloten. Na uitsluiting van dit bewijs resteert onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van de beschuldiging te komen. De verdachte zal daarom van de beschuldiging worden vrijgesproken.
4. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Koorevaar, voorzitter, mrs. A.J. Reitsma en H.C. Piet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Dam als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.
De oudste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 13 oktober 2022 te [plaats] , althans in Nederland, om een
feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te
bereiden en/ of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,
verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of methamfetamine
en/of amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I, voorwerpen en/of stoffen te weten, onder meer:
- één of meerdere maatbeker(s) en
- één of meerdere rondbodemkol(f)(ven) en
- één of meerdere scheitrechter(s) en
- één of meerdere erlenmeyer(s) en
- één of meerdere thermometer(s) en
- een afzuiginstallatie en
- een elektrische verwarmingsplaat en roerder en
- een digitale PH meter en
- aceton (50 liter), methanol (1,5 liter), zwavelzuur (0,9 liter), wijnsteenzuur (1 kilo),
mierenzuur (1 liter), BMK (200 milliliter), isosafrol (45 liter), in elk geval
hoeveelheden chemicaliën en grondstoffen/ hulpstoffen bestemd voor productie/
vervaardiging van MDMA en/of methamfetamine en/of amfetamine, althans
synthetische drugs,
voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te
vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van die feit.