ECLI:NL:RBMNE:2026:1630

ECLI:NL:RBMNE:2026:1630

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 17-04-2026
Zaaknummer NL:TZ:2604492:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

De insolventierechter betrekt in lijn met de prejudiciële beslissing van 28 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1799) van de Hoge Raad de belangen van de kinderen in het geval van een voorlopige voorziening (moratoriumverzoek) ter voorkoming van een gedwongen ontruiming, omdat de kantonechter bij het geven van de ontruimingsbevoegdheid hier niets over in zijn beslissing heeft overwogen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Team Toezicht

Zittingsplaats Lelystad

Rekestnummer: NL:TZ:2604492:R-RK

Uitspraak van

In de zaak van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1998 te [geboorteplaats 1] , en

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum 2] 1997 te [geboorteplaats 2] ,

beide formeel wonende te [adres 1] te [plaats] ,

beide verblijvende te [adres 2] te [plaats] ,

verzoekers, hierna ook gezamenlijk te noemen [verzoekers] c.s.,

tegen

Stichting Stichting Dudok Wonen,

gevestigd te Hilversum ,

en

KVN Gerechtsdeurwaarders en Juristen,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat: mr. D.L. van Praag,

verweerders, hierna ook gezamenlijk te noemen Dudok.

tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet (Fw).

Samenvatting

[verzoekers] c.s. hebben verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank wijst het verzoek gedeeltelijk en onder voorwaarden toe.

1. De procedure

De procedure bestaat uit:

- het verzoek voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 van de Fw inclusief bijlagen, waaronder het ontruimingsvonnis van 28 januari 2026 en het exploot van 4 februari 2026 waarin de ontruiming is aangezegd tegen 5 maart 2026, ingediend samen met een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling;

- de zitting van maandag 2 maart 2026, waarbij aanwezig waren:

- [verzoeker] voornoemd;

- [verzoekster] voornoemd,

- [A] , namens Gemeente [geboorteplaats 1] ;

- [B] namens Leef Bewindvoering;

- De heer [C] namens Stichting Dudok Wonen;

- Mr. D.L. van Praag.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2. Het verzoek

[verzoekers] c.s. verzoekt de rechtbank om Dudok te verbieden over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis van 28 januari 2026 door KVN Gerechtsdeurwaarders en Juisten. [verzoekers] c.s. hebben aan het verzoek ten grondslag gelegd dat zij probeert tot een minnelijke schuldregeling met hun schuldeisers te komen.

3. Het verweer

Dudok en KVN verzetten zich tegen de verzochte voorziening en stellen zich op het standpunt dat het verzoek van [verzoekers] dient te worden afgewezen. Namens Dudok en KVN heeft mr. Van Praag een verweerschrift ingediend.

Het verweer zal hierna -voor zover van belang- worden besproken.

4. De beoordeling

[verzoekers] c.s. hebben de rechtbank verzocht een voorziening te geven, in die zin dat het Dudok wordt verboden om tot de ontruiming van de huurwoning van [verzoekers] c.s. over te gaan. In dit geval is bijzonder dat [verzoekers] c.s. vanwege noodzakelijke herstelwerkzaamheden in hun woning aan de [adres 1] te [plaats] thans verblijven in een wisselwoning van Dudok aan de [adres 2] . In het vonnis van 28 januari 2026 heeft de kantonrechter de ontruiming toegestaan van beide woningen vanwege huurachterstand. [verzoekers] c.s. heeft, voorafgaand aan de herstelwerkzaamheden, de huurpenningen van hun eigen woning onbetaald gelaten en na de “wissel” ook de huurpenningen van de wisselwoning.

[verzoekers] c.s. wensen tot een oplossing van hun schulden te komen en hebben zich gewend tot de afdeling schuldhulpverlening van de gemeente Hilversum . Daarnaast hebben [verzoekers] c.s. verzocht om hun vermogen onder bewind te laten stellen. De kantonrechter heeft dat verzoek bij beslissing van 24 februari jl. toegewezen en een professionele bewindvoerder benoemd. Een ontruiming van de woning van [verzoekers] c.s. frustreert het schuldhulpverleningstraject. Bovendien hebben zij twee minderjarige kinderen (3 en 1,5 jaar oud) die door een ontruiming ernstig benadeeld zullen worden.

Dudok verzet zich tegen de gevraagde voorziening en voert hiervoor -samengevat- het volgende aan. Dudok heeft behalve een vordering wegens achterstallige huur ook nog een vordering wegens oplichting en valsheid in geschrifte uit de tijd dat [verzoekers] nog in dienst was van Dudok. Door het gedrag van [verzoekers] c.s. al langere tijd twee woningen “bezet” houden, terwijl zij de kosten ervan niet voldoen. [verzoekers] weigert de wisselwoning te verlaten, terwijl hun oorspronkelijke woning al enige tijd gereed is om weer te betrekken. Bovendien heeft [verzoekers] een eigen onderneming in de vorm van een VOF, waarin hij geen inzicht geeft. Er zijn loonstroken waaruit blijkt dat hij in dienst is van de VOF zonder dat er betalingen op de bankrekening te zien zijn. Bovendien kan een vennoot uit fiscaal oogpunt niet in loondienst zijn van zijn eigen onderneming. Daarbij komt dat Dudok op de sociale media van [verzoekers] hebben gezien dat hij op 18 januari 2026 een wedstrijd bij de Africa-Cup in Marokko heeft bezocht en in februari 2026 naar Turkije is afgereisd voor een kostbare cosmetische behandeling. [verzoekers] had met de kosten ook een deel van de forse huurachterstand of andere schulden kunnen voldoen.

De bewindvoerder en de schuldhulpverlener hebben ter zitting gemeld dat het budget op dit moment positief is en dat de huur over maart is voldaan.

De rechtbank oordeelt als volgt. Blijkens de beantwoording door de Hoge Raad in de prejudiciële beslissing van 28 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1799), brengt de in artikel 3 lid 1 IVRK aan de rechter gegeven opdracht mee dat deze zo nodig ambtshalve dient te onderzoeken of de gevorderde ontruiming ook kinderen zal treffen en wat in de gegeven omstandigheden in hun belang is. Het zou dus zo moeten zijn dat de kantonrechter, die over de ontruiming oordeelt, daarin de belangen van de kinderen op de door de Hoge Raad bedoelde wijze meeneemt. In het vonnis (op tegenspraak) van de kantonrechter wordt over deze belangen met geen woord gerept, terwijl er (wat de rechtbank begrijpt van de advocaat van Dudok) wel over de aanwezigheid van minderjarigen in de woning is gesproken.

De vraag is nu of de rechtbank deze belangen wel kán meewegen, nu het in voormelde beslissing van de Hoge Raad ook gaat over een ontruimingsvonnis. De rechtbank oordeelt dat zij dit kan, omdat het om een - eventueel ambtshalve - toetsing door de rechter gaat op grond van een verdragsbepaling, de kantonrechter dit achterwege heeft gelaten en omdat de belangenafweging voortvloeiend uit de beslissing van de Hoge Raad niet alleen door kantonrechters in ontruimingszaken wordt gemaakt.

De rechtbank acht het niet in het belang van de zeer jonge kinderen van [verzoekers] c.s. dat zij op korte termijn geen dak meer boven het hoofd hebben. [verzoekster] heeft aangegeven dat zij op dit moment ook geen alternatieven heeft. Dit betekent niet dat een woning waarin kinderen wonen nooit mag worden ontruimd. Dudok ziet zich geconfronteerd met een grote huurachterstand waarop niet wordt voldaan. Ook heeft zij grote en terechte vragen bij de financiële handel en wandel van [verzoekers] , zowel op het gebied van zijn inkomsten als zijn uitgaven. Daar staat dan weer tegenover dat [verzoekers] c.s. op dit moment wel hulp hebben van de schuldhulpverlener en beschermingsbewindvoerder en de lopende huur wordt voldaan en kennelijk ook in de toekomst kan worden voldaan.

Dit leidt tot de eindconclusie dat de rechtbank [verzoekers] c.s. het verzoek voorlopig voor een periode van twee maanden zal toestaan. Hiermee houdt enerzijds de rechtbank rekening met het belang van de minderjarigen en anderzijds kan [verzoekers] c.s. verder met het vormgeven van de beoogde minnelijke regeling en het verder aanvullen van het WSNP verzoek. Ten slotte kan bezien worden hoe - met inachtneming van een ieders verantwoordelijkheid daarin - de woonsituatie in de toekomst zal moeten zijn.

Door de toewijzing van het verzoek is Dudok de komende twee maanden niet bevoegd om de door [verzoekers] gehuurde woning vanwege de huidige huurachterstand te ontruimen. Wel geldt de uitdrukkelijke voorwaarde dat de huur over de volgende maanden door [verzoekers] steeds tijdig wordt voldaan. Als [verzoekers] hier niet aan voldoet, kan Dudok de ontruiming opnieuw aanzeggen.

Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal nu nog niet worden beslist. De mondelinge behandeling van dit verzoek zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum en tijdstip.

Als [verzoekers] tijdens de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers tot stand brengt, moet hij dit uiterlijk twee weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling intrekken. Indien er geen minnelijke schuldregeling tot stand wordt gebracht en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling vervolgens behandeling behoeft, dient dit ook uiterlijk twee weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank te worden gemeld.

De rechtbank zal verzoek voor het treffen van een moratorium voor het overige aanhouden.

5. De beslissing

De rechtbank:

schorst de tenuitvoerlegging van het op 28 januari 2026 door de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere gewezen vonnis tot ontruiming van de woning aan het adres [adres 2] te [plaats] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

bepaalt dat deze voorziening slechts geldt onder de voorwaarde dat de periodiek

verschuldigde huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan;

bepaalt dat de genoemde voorziening vooralsnog geldt voor de duur van maximaal twee maanden met ingang van 3 maart 2026;

bepaalt dat de voorziening in elk geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken, dan wel dat een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;

bepaalt dat de Gemeente Hilversum , die namens [verzoekers] de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b lid 6 Fw;

houdt de verzoeken voor het overige aan.

Dit is de beslissing van mr. K.G. van de Streek, rechter, in samenwerking met R.R. Beek, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. K.G. van de Streek

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?