RECHTBANK Midden-Nederland
Team Insolventie
Zittingsplaats Utrecht
Rekestnummer: NL:TZ:2606224:R-RK
Uitspraak van
In de zaak van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , Iran,
wonende te [adres] , [postcode] [plaats] ,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
tegen
Stichting Portaal,
gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,
gemachtigde: Jongerius Gerechtsdeurwaarders/Juristen/Incasso B.V.,
hierna te noemen: Stichting Portaal,
tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet (Fw).
De zaak in het kort
De heer [verzoeker] heeft een problematische schuldenlast en dreigt daardoor zijn woning te verliezen. Daarom heeft [verzoeker] naast een verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) ook een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Fw.
1. De procedure
Het verloop van de procedure bestaat uit:
- het verzoek voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 van de Fw inclusief bijlagen, waaronder het ontruimingsvonnis van 24 december 2025 en het exploot van 14 januari 2026 waarin de ontruiming is aangezegd tegen 19 maart 2026, ingediend samen met een verzoekschrift toepassing van de schuldsaneringsregeling;
- de zitting van 16 maart 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoeker] ;
- mevrouw [A.] , beschermingsbewindvoerder van Bewindvoering Regio Midden;
- mevrouw mr. E. Weijer, advocaat van [verzoeker] .
Hoewel behoorlijk opgeroepen is er niemand verschenen namens Stichting Portaal.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
De gevraagde voorziening houdt in het opschorten van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 24 december 2025, waarbij de huurovereenkomst tussen Stichting Portaal en [verzoeker] is ontbonden en [verzoeker] is veroordeeld de woning gelegen te [postcode] [plaats] , [adres] , te ontruimen.
[verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij poogt een minnelijke regeling met zijn schuldeisers overeen te komen dan wel – als dat niet lukt – toelating tot de Wsnp zal verzoeken. De gevraagde voorziening is volgens [verzoeker] noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft.
3. Het verweer
Stichting Portaal is niet op de zitting van 16 maart 2026 verschenen en heeft ook
geen schriftelijk verweer ingediend.
Ter zitting heeft mr. Weijer een e-mailbericht van 12 maart 2026 overgelegd
van de gemachtigde van Stichting Portaal. Daaruit volgt dat Stichting Portaal zich zal refereren aan het oordeel van de rechter.
4. De beoordeling
De voorlopige voorziening van artikel 287b Fw strekt ertoe om een adempauze te creëren die schuldenaar in staat stelt het minnelijk traject voort te zetten om met zijn schuldeisers een regeling te bereiken of af te ronden. Voor het geven van de voorziening is van belang dat er zicht is op een mogelijke schuldregeling en dat de lopende verplichtingen gedurende de adempauze kunnen worden voldaan.
De rechtbank moet beoordelen of de lopende verplichtingen gedurende de voorziening kunnen en zullen worden voldaan. Uit het verzoekschrift en ter zitting heeft de beschermingsbewindvoerder bevestigd dat zij over voldoende middelen beschikt om de huurpenningen te betalen.
Daarnaast is met Stichting Portaal een betalingsregeling getroffen op 7 juli 2025 om de huurachterstand in te lopen. [verzoeker] moet maandelijks een bedrag van €265,00 betalen aan Stichting Portaal, maar doordat zijn voormalig werkgever zijn salaris niet betaalde kon hij deze betalingsregeling niet nakomen. Als gevolg had Stichting Portaal de regeling stopgezet, aldus de beschermingsbewindvoerder. Ter zitting heeft de beschermingsbewindvoerder verklaard, dat [verzoeker] zijn nieuwe werkgever heeft gevraagd om meer werk en derhalve heeft [verzoeker] een opdracht gekregen, waarbij hij nu 32 uur per week werkt. Daardoor is de beschermingsbewindvoerder sinds februari 2026 ook in staat, om naast de huurpenningen, de eerder overeengekomen betalingsregeling te voldoen aan Stichting Portaal. Bovendien heeft de beschermingsbewindvoerder de betalingsregeling aangepast en het bedrag per maand verhoogd naar een bedrag van €300,00.
Om deze redenen zal de rechtbank het verzoek toewijzen.
Door de toewijzing van het verzoek is Stichting Portaal de komende zes maanden niet bevoegd om de door [verzoeker] gehuurde woning vanwege de huidige huurachterstand te ontruimen. Wel geldt de uitdrukkelijke voorwaarde dat de huur over de aankomende zes maanden door [verzoeker] steeds tijdig wordt voldaan. Als [verzoeker] hier niet aan voldoet, kan Stichting Portaal de ontruiming opnieuw aanzeggen.
Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal nu nog niet worden beslist. De mondelinge behandeling van dit verzoek zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum en tijdstip.
Als [verzoeker] tijdens de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers tot stand brengt, moet hij dit uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling intrekken. Indien er geen minnelijke schuldregeling tot stand wordt gebracht en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling vervolgens behandeling behoeft, dient dit ook uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank te worden gemeld.
5. De beslissing
De rechtbank:
schorst de tenuitvoerlegging van het op 24 december 2025, op verzoek van
Stichting Portaal, door de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland gewezen vonnis tot ontruiming van de woning aan het adres [postcode] [plaats] , [adres] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
bepaalt dat deze voorziening slechts geldt onder de voorwaarde dat de periodiek
verschuldigde huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan;
bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van maximaal zes
maanden;
bepaalt dat de voorziening in elk geval vervalt op het moment dat het verzoek tot
toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken, dan wel dat een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;
bepaalt dat mevrouw [A.] , die namens [verzoeker]
de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b lid 6 Fw.
Dit is de beslissing van mr. A. de Snoo, rechter, in samenwerking met W.J. van der Lugt, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.