ECLI:NL:RBMNE:2026:1677

ECLI:NL:RBMNE:2026:1677

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer UTR 26/2270
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

De burgemeester heeft de woning van verzoekster gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De burgemeester heeft onvoldoende gemotiveerd waarom sluiting van de woning in dit geval noodzakelijk en evenredig is, gelet op alle omstandigheden en de betrokken belangen van verzoekster en haar minderjarige zoon. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het besluit wordt geschorst tot twee weken na de door de burgemeester te nemen beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

de Burgemeester van de gemeente Almere

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/2270

(gemachtigde: mr. N. de Vos),

en

(gemachtigden: mr. A. van Rossem en M.N. Bos).

1. Deze uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoekster op het adres [adres] in [woonplaats] (de woning) per 16 maart 2026. De burgemeester heeft de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet (Ow) gesloten voor de duur van drie maanden. De burgemeester legt aan de sluiting ten grondslag dat er in de woning een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen en een vuurwapen met munitie is aangetroffen. De burgemeester vindt sluiting van de woning voor drie maanden noodzakelijk en niet onevenredig. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft tegen de sluiting bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat hangende het bezwaar het besluit tot sluiting wordt geschorst en de woning wordt heropend.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek van eiseres toe. Naar voorlopig oordeel heeft de burgemeester in het besluit tot sluiting onvoldoende gemotiveerd waarom een sluiting in dit geval noodzakelijk en evenredig is gezien alle omstandigheden en de betrokken belangen van verzoekster en haar eveneens in de woning wonende minderjarige zoon. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 12 maart 2026 heeft de burgemeester de woning van verzoekster gesloten voor de duur van drie maanden vanaf 16 maart 2026 om 11.00 uur. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het bestreden besluit en relevante feiten

3. Op 19 december 2025 heeft de politie eenheid Amsterdam, Dienst Regionale recherche een bestuurlijke rapportage opgemaakt naar aanleiding van een doorzoeking van de woning op 25 november 2025. Deze bestuurlijke rapportage ligt ten grondslag aan het bestreden besluit.

4. In de bestuurlijk rapportage is, voor zover van belang, het volgende vermeld. Op 25 november 2025 heeft de politie eenheid Amsterdam, afdeling regionale recherche, naar aanleiding van een onderzoek naar grootschalige en internationale handel in cocaïne de woning doorzocht en een 22-jarige bewoner [A] (zoon van verzoekster, hierna: verdachte) aangehouden. In de slaapkamer van de verdachte is in een tas een werkend vuurwapen, munitie en een kiloblok (harddrugs) aangetroffen. In een lade van een kast op dezelfde slaapkamer lagen twee gripzakjes met een kristalachtige substantie met het opschrift ‘2 MMC 25 gr’. De betreffende substantie is nog niet getest. Verdachte wordt verdacht van voorbereidingshandelingen en van de invoer van grote hoeveelheden cocaïne met één of meer andere personen. Verdachte heeft geen eerdere veroordelingen voor soortgelijke strafbare feiten, maar komt in 2023 als in 2024 wel voor in een ander strafonderzoek, waarbij werd vermoed dat hij zich bezighield met handel in cocaïne. In de tot de politie beschikking staande systemen staan geen relevante registraties met betrekking tot de woning zelf. Evenmin zijn relevante registraties aangetroffen met betrekking tot verzoekster of haar 15-jarige zoon [minderjarige] (hierna: minderjarige zoon), die ook in de woning woont.

5. Verzoekster is sinds 24 jaar eigenaar van en woonachtig in de woning. Zij woonde op het moment van de sluiting op 16 maart 2026 daar met haar minderjarige zoon. De verdachte woonde tot de doorzoeking en zijn aanhouding op 25 november 2025 ook in de woning. Hij is sindsdien (en nog altijd) strafrechtelijk gedetineerd en inmiddels uitgeschreven op dit adres. Verzoekster heeft nog een derde (meerderjarige) zoon die op dit adres is ingeschreven, maar die verblijft feitelijk elders.

6. Op 22 januari 2026 heeft de burgemeester het voornemen tot sluiting aan verzoekster toegezonden. Dit voornemen strekt tot sluiting van zes maanden. Verzoekster heeft een zienswijze ingediend.

7. In het bestreden besluit is, samengevat weergegeven, het volgende vermeld. De burgemeester legt, onder verwijzing naar het in dit kader gevoerde Damoclesbeleid, aan de sluiting ten grondslag dat er in de woning een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen en een vuurwapen met munitie. Uit de aangetroffen hoeveelheid harddrugs kan worden aangenomen dat die deels of geheel bestemd zijn voor verkoop, verstrekking en/of aflevering. Dit wordt ondersteund door het aantreffen van het vuurwapen. De burgemeester vindt sluiting van de woning een geschikt en noodzakelijk middel om de openbare orde te beschermen en herstellen, het woon-en leefklimaat te beschermen, de bekendheid van de woning als drugspand te beëindigen en represailles te voorkomen. De burgemeester brengt vanwege de omstandigheid dat er een minderjarig kind in de woning aanwezig is en de gevolgen van een langere sluiting, de duur van de sluiting terug tot drie maanden.

Heeft verzoekster een spoedeisend belang bij haar verzoek?

8. Voor het treffen van een voorlopige voorziening gedurende een bezwaarprocedure moet sprake zijn van spoedeisende belangen.

9. Verzoekster voert aan dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek - kort gezegd - omdat de sluiting van de woning die zij inmiddels heeft moeten verlaten, voor zowel haar minderjarige zoon als haarzelf ingrijpende praktische, financiële en emotionele gevolgen heeft.

10. De voorzieningenrechter vindt de zaak spoedeisend. Dit is door de burgemeester ook niet betwist. Verzoekster en haar minderjarige zoon hebben hun woning moeten verlaten en zijn de komende maanden aangewezen op onderdak bij anderen. Voldoende aannemelijk is dat dit voor hen zodanig ingrijpende gevolgen heeft dat aan het vereiste van spoed in dit geval is voldaan.

Hoe beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek?

11. De voorzieningenrechter bekijkt of het nodig is om het besluit tot sluiting van de burgemeester te schorsen in afwachting van de beslissing op het bezwaar. De voorzieningenrechter maakt een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit en daarmee van de kans van slagen van het bezwaarschrift. Daarnaast weegt hij de belangen van verzoekster en haar minderjarige inwonende kind enerzijds en de belangen van de burgemeester bij het continueren van de sluiting anderzijds. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het besluit om de woning te sluiten, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van verzoekster bij het schorsen daarvan.

12. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.

Is de burgemeester bevoegd de woning te sluiten?

13. In artikel 13b van de Opiumwet is, voor zover relevant, bepaald dat een burgemeester bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang als in een woning de in dit artikel genoemde stoffen of substanties worden aangetroffen.

14. Op de zitting heeft verzoekster verklaard dat de bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten niet langer wordt betwist. Niet in geschil is daarom dat is voldaan aan de vereisten in artikel 13b van de Opiumwet wat betreft de bevoegdheid voor de burgemeester om handhavend op te treden.

Mocht de burgemeester ook gebruik maken van die bevoegdheid?

15. De voorzieningenrechter moet vervolgens beoordelen of de burgemeester ook gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om een last onder bestuursdwang toe te passen. Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet de burgemeester als hij op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd is in een concreet geval op te treden met een last onder bestuursdwang, ook beoordelen of dat gelet op de omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is, en zo ja, voor hoe lang. Steeds zal hij daarbij moeten beoordelen of zijn optreden in een concreet geval evenredig is. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van een woning en de duur ervan met het oog op de hiervoor genoemde doelen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Gelet op de forse inbreuk die een woningsluiting kan maken op grondrechten van de bewoners, zal de toetsing door de bestuursrechter bij woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet daarom doorgaans indringend zijn.

Geschiktheid en noodzakelijkheid

16. Verzoekster heeft aangevoerd dat er op 25 november 2025 een inval heeft plaatsgevonden in de woning en het primaire besluit vier maanden later is genomen, zodat een sluiting niet meer noodzakelijk is en geen doel meer dient. Er is ook geen sprake van een acute dreiging die een onmiddellijke sluiting rechtvaardigt. Zo is er geen loop naar het pand, speelt het pand geen rol in het drugscircuit en zijn er geen incidenten geweest. De burgemeester had daarom moeten volstaan met een waarschuwing of een minder ingrijpende maatregel.

17. In uitspraken van 16 juli 2025 heeft de Afdeling uitgangspunten gegeven voor de beoordeling van onder meer de geschiktheid en de noodzakelijkheid van een woningsluiting. Hierbij is onder meer overwogen dat het middel van sluiting een herstelsanctie is en bedoeld om de geconstateerde overtredingen van de Opiumwet te beëindigen, de gevolgen daarvan teniet te doen en/of het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet. Herstel van de openbare orde is dus niet doel op zichzelf, maar de burgemeester mag wel de effecten op de omgeving betrekken in zijn beoordeling naar de noodzaak van sluiting. De burgemeester moet dus motiveren waarom de door hem bij de geschiktheid genoemde doelen – in dit geval het herstellen van de openbare orde, bescherming van het woon- en leefklimaat, de bekendheid van de woning als drugspand beëindigen en represailles te voorkomen – met een sluiting bereikt kunnen worden. Wat betreft de vaststelling van de noodzaak zijn volgens de Afdeling verschillende omstandigheden van belang, onder meer de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, of drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld, of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand, of de woning een rol speelt binnen de keten van drugshandel en of de woning eerder betrokken is geweest bij het overtreden van artikel 13b van de Opiumwet.

18. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester onvoldoende gemotiveerd dat de sluiting van de woning geschikt en noodzakelijk is en dat niet met een minder ingrijpend middel kon worden volstaan. Hierbij is het volgende van belang.

19. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs en een vuurwapen met bijbehorende munitie, in combinatie met mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij internationale grootschalige cocaïnehandel, ernstig is en risico’s voor de omgeving met zich kan brengen. Echter, op 25 november 2025 zijn de drugs en het wapen met munitie in beslag genomen. Verdachte is aangehouden en gedetineerd en heeft zich inmiddels uitgeschreven op dit adres. De overtreding van de Opiumwet is hiermee beëindigd. Verder zijn er geen aanwijzingen van verkoop van drugs vanuit de woning, noch van loop naar de woning. Er zijn ook geen meldingen van overlast van omwonenden en niet is gebleken dat de woning in een voor drugs kwetsbare wijk ligt. Evenmin is gebleken dat de woning van verzoekster feitelijk bekend staat als drugspand of dat aldaar sprake is van (structurele) professionele opslag van drugs. Verzoekster woont 24 jaar in deze woning en er hebben zich in of om de woning, zowel voor als na de inbeslagname van de drugs op 25 november 2025, geen geregistreerde incidenten voorgedaan. Verder zijn er blijkens de bestuurlijke rapportage ten aanzien van verzoekster en haar minderjarige zoon geen registraties ten aanzien van overtreding van de Opiumwet. Gezien deze omstandigheden, in samenhang bezien, vindt de voorzieningenrechter dat de burgemeester onvoldoende heeft uitgelegd waarom de aard en hoeveelheid van de aangetroffen harddrugs samen met het vuurwapen met munitie, ruim 3,5 maand na het aantreffen ervan voldoende zijn voor de conclusie dat sluiting van de woning op dat moment nog een geschikte en noodzakelijke maatregel is en dat niet met minder ingrijpende middelen had kunnen worden volstaan. De door de burgemeester op zitting diverse keren benadrukte mogelijkheid van represailles en het gevaar daarvan voor omwonenden en verzoekster zelf, versterkt kennelijk door in Almere eerder gepleegde aanslagen vanuit het drugsmilieu, vindt de voorzieningenrechter hiertoe onvoldoende. Bij een inbeslagname van drugs vormen represailles in algemene zin altijd een zeker risico, zeker in het geval van een handelshoeveelheid harddrugs. In dit geval blijkt uit de bestuurlijke rapportage echter niet dat sprake is van een concrete dreiging en ook anderszins zijn er vanaf het moment van inbeslagname tot op heden geen aanwijzingen dat er een concrete dreiging is. Het algemene risico op represailles zoals hiervoor beschreven, acht de voorzieningenrechter in dit geval onvoldoende. In het bestreden besluit is ten slotte nog vermeld dat ook beoogd is een duidelijk signaal te geven dat dergelijke drugsovertredingen niet worden getolereerd. Ter zitting heeft de burgemeester aangegeven dat dit doel als bijkomstig moet worden gezien. Wat hier ook van zij, de bestuursrechtelijke herstelsanctie is niet bedoeld om als afschrikking te dienen of uitsluitend nog om uit te dragen dat de burgemeester handhavend optreedt. In zoverre komt aan dit doel hoe dan ook beperkte betekenis toe.

Evenwichtigheid

20. Gelet op de verwevenheid met de geschiktheid en noodzakelijkheid, ziet de voorzieningenrechter ook aanleiding om een voorlopig oordeel te geven over de evenwichtigheid van de maatregel.

21. Verzoekster voert aan dat haar geen verwijt te maken valt van de aangetroffen drugs. Zij wist niet van de criminele activiteiten van haar zoon en hoefde daar geen weet van te hebben. De aangetroffen drugs, het wapen en de munitie lagen verder in een afgesloten tas in de slaapkamer van haar meerderjarige zoon. Verder stelt verzoekster door de sluiting stress te ervaren en reputatieschade te leiden. Haar minderjarige zoon, die een darmaandoening heeft, zit in zijn examenjaar en verzoekster vreest dat hij die niet zal gaan halen door de situatie. De burgemeester heeft volgens eiseres geen kenbare afweging gemaakt van de concrete belangen van haar en haar minderjarige zoon.

22. Uit vaste jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling of de maatregel voldoende is afgestemd op de concrete situatie, verschillende omstandigheden van belang zijn, waaronder de mate van verwijtbaarheid. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden kan maken dat de burgemeester geen gebruik van zijn bevoegdheid mag maken. Van de (hoofd)bewoner wordt verlangd dat hij toezicht uitoefent op wat er in de woning gebeurt. Daarbij past de kanttekening dat er wel grenzen zijn aan het toezicht dat redelijkerwijs mag worden verwacht van de ene bewoner op de andere, mede afhankelijk van de woonsituatie. De burgemeester zal, indien hij van zijn bevoegdheid tot sluiting van een woning gebruik maakt, deugdelijk moeten motiveren welk verwijt de (hoofd)bewoner die door de sluiting wordt getroffen, wordt gemaakt.

23. De voorzieningenrechter vindt dat die deugdelijke motivering ten aanzien van de verwijtbaarheid in dit geval ontbreekt. De burgemeester wijst ter zake van de verwijtbaarheid op de verantwoordelijkheid van eiseres als hoofdbewoner in het algemeen, dat zij toegang had tot de slaapkamer van haar meerderjarige zoon en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt op welke wijze zij invulling heeft gegeven aan haar verantwoordelijkheid om te weten wat er zich in haar huis afspeelt. De voorzieningenrechter vindt dit echter onvoldoende overtuigend om aan te nemen dat van verzoekster redelijkerwijs kon worden verwacht om op de hoogte te zijn van de overtreding. De drugs, het vuurwapen en de munitie zijn aangetroffen op de slaapkamer van haar meerderjarige zoon in een afgesloten tas. De burgemeester heeft niet uitgelegd waarom van verzoekster kon worden verwacht dat zij in een afgesloten tas kijkt die van haar meerderjarige zoon is en op zijn slaapkamer ligt. Verder waren er in de woning geen aanwijzingen van drugshandel, zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van weegschalen, ponypacks, contant geld of dure aankopen. Ook geeft het dossier onvoldoende aanwijzingen dat de betrokkenheid van de verdachte bij drugshandel zich al een langere periode afspeelde. Gezien het voorgaande is onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een zodanige verwijtbaarheid dat de burgemeester van zijn bevoegdheid gebruik mocht maken. Dit te meer nu een minderjarige in de woning aanwezig is, die in zijn examenjaar zit, en gezien de belangen van verzoekster zelf die uit haar woning moet vertrekken waar zij al 24 jaar zonder incidenten woont. Naar voorlopig oordeel is daarom ook onvoldoende gemotiveerd dat de sluiting van de woning in dit geval een evenwichtige maatregel is.

Conclusie en gevolgen

24. De voorzieningenrechter concludeert dat de burgemeester naar voorlopig oordeel op dit moment ontoereikend heeft gemotiveerd waarom de sluiting van de woning een evenredige uitoefening is van de bevoegdheid tot sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Het bezwaar tegen het bestreden besluit heeft dan ook een redelijke kans van slagen. Verder zijn de belangen van verzoekster bij toegang tot haar woning evident. De voorzieningenrechter zal daarom een voorlopige voorziening treffen. Het bestreden besluit wordt geschorst tot twee weken na de door de burgemeester te nemen beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de burgemeester de woning niet langer gesloten mag houden en de woning met onmiddellijke ingang moet openen, in ieder geval tot twee weken na het te nemen besluit op bezwaar.

25. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Ook krijgt zij een vergoeding van haar proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag van € 934,- per proceshandeling. Omdat de gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen, leidt dit tot een totaalbedrag van € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat de burgemeester aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 200,- moet vergoeden;

- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van

€ 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.M. Janssens-Kleijn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?