RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/508
(gemachtigde: S. Baladien),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Het UWV heeft niet gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. Op 28 maart 2025 heeft verzoekster een aanvraag tot herbeoordeling ingediend in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Verzoekster heeft het UWV op 14 december 2026 in gebreke gesteld. Verzoekster is op 16 januari 2026 in beroep gegaan tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Op 3 februari 2026 heeft het UWV alsnog een besluit genomen. Het UWV heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft op 23 februari 2026 het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
3. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
4. Het UWV heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hier uit af dat het UWV er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die het UWV moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde de wegingsfactor 0,5 toegepast.
6. Het UWV moet ook het griffierecht van € 54,- aan verzoekster betalen (artikel 8:41 Awb).
Beslissing
De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Het UWV moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.