ECLI:NL:RBMNE:2026:171

ECLI:NL:RBMNE:2026:171

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 13-01-2026
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer 1625983024
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Veroordeling voor uitbuiting/mensenhandel door een minderjarig nichtje te gebruiken bij een winkeldiefstal. Gevangenisstraf van 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 100 uren.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats: Utrecht

Parketnummer: 16/259830-24

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudig kamer van 13 januari 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2002 in [plaats] (Italië),

wonende op het adres [adres] in [woonplaats] ,

hierna: de verdachte.

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 9 december 2025. Met instemming van partijen is het onderzoek (enkelvoudig) gesloten op 13 januari 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:

feit 1: op 2 januari 2024 in Bunnik

o haar minderjarige nichtje, [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum 2] 2016, heeft verworven, vervoerd en overgebracht met het oogmerk van uitbuiting, en

o door misbruik van feitelijke omstandigheden, voortvloeiend uit overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of heeft bewogen om zich beschikbaar te stellen tot het plegen van een winkeldiefstal.

feit 2: op 2 januari 2024 in Bunnik samen met een ander winkelgoederen heeft gestolen bij [bedrijf].

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat van de verdachte voert geen verweer over het bewijs van feit 2 en feit 1, voor zover het ziet op art. 273f lid 1 ahf/sub 4°. Ten aanzien van het deel van de beschuldiging dat ziet op art. 273f lid 1 ahf/sub 2°, stelt hij dat niet bewezen kan worden dat verdachte het oogmerk van uitbuiting had. Hij vraagt daarom de verdachte partieel vrij te spreken van dat onderdeel van feit 1.

Het verweer van de advocaat wordt – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.2.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2 zijn bewezen.

Bewijsmiddelen feit 1 en 2

De verdachte bekent dat zij de feiten 1 en 2, namelijk de mensenhandel en de winkeldiefstal heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens haar is ook niet om vrijspraak van die (integrale) feiten gevraagd. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 9 december 2025;

het proces-verbaal van aangifte van [bedrijf] B.V.;

- het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ;

- het proces-verbaal van het onderzoek naar de camerabeelden.

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

Bewijsoverwegingen

Mensenhandel (feit 1)

De rechtbank is van oordeel dat door de verdachte ‘misbruik van een kwetsbare positie’ én ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ is gemaakt. De rechtbank let daarbij op de bijzondere kwetsbaarheid van de minderjarige [minderjarige] en haar afhankelijke positie ten opzichte van andere volwassenen, in dit geval van haar tante. [minderjarige] van pas 7 jaar oud had onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keuze dan de aanwijzingen van volwassenen op te volgen. Gezien haar leeftijd was zij geheel afhankelijk van de verdachte. Aangenomen kan worden dat de verdachte zich daarvan bewust was en dus in ieder geval het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het misbruik. [minderjarige] is namelijk door de verdachte meegenomen naar een tankstationswinkel om daar een winkeldiefstal te plegen. De rechtbank licht dat hieronder toe.

Uit de camerabeelden van het [bedrijf] in Bunnik van 2 januari 2024 volgt dat de verdachte om 14.29 uur de tankstationwinkel binnenkwam, samen met een man en [minderjarige] . Vervolgens liepen verdachte en [minderjarige] samen door de winkel, waarbij zij meerdere producten uit de stellingen pakten. Deze producten werden in de tas gedaan die [minderjarige] droeg. Om 14.32 uur liepen verdachte en [minderjarige] met de tas naar buiten. Zij zijn dus ongeveer drie minuten binnen geweest. De tas met goederen is vervolgens in de auto gezet. Even later liepen verdachte en [minderjarige] zonder de tas weer de tankstationwinkel binnen. De tas met gestolen goederen is later in de auto gevonden waar verdachte (als bijrijder) en [minderjarige] (op de achterbank) in reden. Gelet op het korte tijdsbestek tussen het moment van binnenkomst in de tankstationwinkel, het vullen van de tas met goederen en het verlaten van de tankstationwinkel, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte [minderjarige] heeft meegenomen de winkel in met het kennelijke doel om haar te gebruiken bij de winkeldiefstal. Uit de gedragingen blijkt dat [minderjarige] precies wist wat van haar werd verwacht, namelijk het pakken van producten, het dragen van de tas en het openhouden van de tas voor verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat zij tegen [minderjarige] heeft gezegd dat zij de tas open moest houden.

Dat de verdachte het tankstation alleen is binnengegaan om iets te eten en dat het pas in de winkel is misgegaan, zoals de verdediging stelt, acht de rechtbank gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken niet aannemelijk. De rechtbank stelt dan ook vast dat het ging om een vooropgezet plan van de verdachte, waarbij de verdachte het oogmerk had [minderjarige] doelbewust in te zetten bij de diefstal.

De aanwezigheid van kinderen, zeker wanneer zij nog jong zijn, wekt over het algemeen vertrouwen bij potentiële slachtoffers. Zo ook in deze zaak bij het winkelpersoneel. Gelet op hetgeen is waargenomen op de camerabeelden en de verklaring van de aangever, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn geweest dan dat de verdachte [minderjarige] heeft ingezet met als doel haar betrouwbaarheid bij het winkelpersoneel te vergroten, de aandacht af te leiden en de wegneemhandelingen af te schermen, dan wel te verhullen.

Ook oordeelt de rechtbank dat [minderjarige] door de verdachte is aangezet tot het plegen van de winkeldiefstal. Daarbij let de rechtbank op de samenwerking tussen de verdachte en [minderjarige] en de rol die [minderjarige] daardoor bij de winkeldiefstal had, zoals hiervoor beschreven. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] en de gedragingen van de verdachte, beschouwd in het licht van de overige inhoud van het dossier, kan het niet anders dan dat de verdachte [minderjarige] opzettelijk, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft ingezet voor, en bewogen tot, het plegen van deze winkeldiefstal. Dat [minderjarige] op deze wijze wordt bewogen tot stelen, wordt door de rechtbank aangemerkt als het verrichten van diensten zoals bedoeld in sub 4.

De rechtbank stelt vast dat dit alles, waaronder ook het vervoeren en overbrengen van [minderjarige] , is gebeurd met het oogmerk van uitbuiting. Het ging de verdachte evident om (financieel) gewin.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

feit 1:

op 02 januari 2024 te Bunnik een ander, te weten (haar nichtje) Sicilia [minderjarige] ,geboren [geboortedatum 2] 2016, toen 7 jaar oud, heeft vervoerd en overgebracht

met het oogmerk van uitbuiting van die [minderjarige] (roepnaam [minderjarige] )

terwijl die [minderjarige] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt

en

door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en

door misbruik van een kwetsbare positie die [minderjarige] heeft gedwongen en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten

hebbende en zijnde verdachte die [minderjarige] naar een winkel, een shop bij tankstation, vervoerd en samen met die [minderjarige] die winkel betreden en

tijdens het winkelbezoek in de nabijheid van die [minderjarige] gebleven

en met die [minderjarige] gecommuniceerd en aan die [minderjarige] instructies gegeven welke goederen (die in die winkel in de schappen stonden) die [minderjarige] moest pakken en vervolgens zij in hun tas moest doen en zelf goederen aan die [minderjarige] gegeven die die [minderjarige] in die tas moest doen en samen met die [minderjarige] en met die tas met goederen de winkel verlaten zonder die goederen af te rekenen.

feit 2:

op 02 januari 2024 te Bunnik tezamen en in vereniging met een ander

winkelgoederen die aan [bedrijf] BV ( [bedrijf] ) toebehoorden

heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

meerdaadse samenloop van

mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 2º en 4º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd terwijl de persoon ten aanzien van wie de omschreven feiten worden gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt

en

diefstal, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten zijn strafbaar en verdachte is strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf van 4 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar;

- een taakstraf van 100 uur, met aftrek van het voorarrest, te vervangen door 50 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.

Standpunt van de verdediging

De advocaat van de verdachte voert aan dat bij een bewezenverklaring van beide feiten geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd, omdat de verdachte onlangs de goede weg is ingeslagen en deze positieve wending niet moet worden doorkruist. In dat kader verwijst zij naar een andere zaak van de verdachte waarin de voorlopige hechtenis onder strikte (bijzondere)voorwaarden is geschorst en de verdachte zich goed aan deze voorwaarden houdt. De advocaat acht een forse voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals gevorderd door de officier van justitie en een taakstraf passend. De advocaat verzoekt wel de taakstaf te matigen. Daarbij wijst de advocaat op het tijdsverloop, de toepasselijkheid van art. 63 Sr en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van twee jaar en een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 100 uur. Deze straf is conform de eis van de officier van justitie en naar het oordeel van de rechtbank in dit geval passend en geboden.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee, zoals die op de zitting zijn gebleken. Dit licht de rechtbank hieronder toe.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de uitbuiting van haar minderjarige nichtje door haar te gebruiken bij een winkeldiefstal. Zij is met haar handelen geheel aan de belangen van haar nichtje voorbijgegaan en heeft kennelijk alleen oog gehad voor eigen financieel gewin. De verdachte heeft met het inzetten van haar nichtje bij de diefstal misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin dit zevenjarig meisje zich bevond. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat zij haar nichtje, zonder dat zij zelf daarvoor kon kiezen, op jonge leeftijd crimineel gedrag aanleert.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het strafblad van de verdachte van 27 oktober 2025. Hieruit volgt dat de verdachte vaker is veroordeeld voor vermogensdelicten en aan haar eerder (voorwaardelijke) gevangenisstraffen en taakstraffen zijn opgelegd. De laatste onherroepelijke veroordeling dateert van 7 mei 2025. Aan de verdachte is toen een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren opgelegd. Al deze eerdere veroordelingen en de een lopende proeftijd hebben de verdachte er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan nieuwe misdrijven.

Dat er sprake is van veelvuldige recidive weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee bij het bepalen van de straf.

Strafkader

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de soort straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor eenvoudige winkeldiefstal is een geldboete van 200 euro. Bij veelvuldige recidive is het oriëntatiepunt een maand onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het in vereniging plegen van een dergelijk feit wordt in strafverzwarende zin meegewogen. Voor de mensenhandel in een situatie als deze zijn geen oriëntatiepunten vastgesteld. De rechtbank kijkt daarom naar de straffen die worden opgelegd in vergelijkbare zaken.

Bij het bepalen van de straf ligt het zwaartepunt bij de uitbuiting van het nichtje van de verdachte. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat, gelet op de ernst van het feit, normaliter oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de orde zou zijn geweest. Gelet op het tijdsverloop vindt de rechtbank net als de officier van justitie dat de verdachte in dit geval niet meer naar de gevangenis hoeft. Om de verdachte er echter van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en aan de samenleving duidelijk te maken dat dergelijke feiten zeer ernstig zijn wordt aan de verdachte wel een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Daarnaast zal de rechtbank, om de verdachte de ernst van het feit duidelijk te maken en om haar te laten voelen wat de consequenties zijn van de keuzes die zij heeft gemaakt een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen.

Alles afwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en een taakstraf voor de duur van 100 uur passend en geboden. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank een proeftijd van 2 jaren verbinden en de algemene voorwaarde van het niet plegen van strafbare feiten.

De rechtbank wijkt af van het standpunt van de verdediging over de strafmaat, omdat gelet op de ernst van de feiten en de veelvuldige recidive van de verdachte het opleggen van een lagere (taak)straf niet passend is.

6. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 273f en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

7. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als algemene voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen hechtenis;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, mr. E.H.M. Druijf

en mr. M.M. van der Zwaag, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

zij op of omstreeks 02 januari 2024 te Bunnik, en elk geval in Nederland,

een ander, te weten (haar nichtje) [minderjarige]

(geboren [geboortedatum 2] 2016, toen 7 jaar oud),

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen,

met het oogmerk van uitbuiting van die [minderjarige] (roepnaam [minderjarige] )

terwijl die [minderjarige] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt (sub 2)

en/of

(telkens)

door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of

door misbruik van een kwetsbare positie (sub 1°)

die [minderjarige] heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten

dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen

waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden

dat die [minderjarige] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (sub 4°)

hebbende en/of zijnde verdachte

die [minderjarige] naar een winkel (een shop bij tankstation) vervoerd en/of

samen met die [minderjarige] die winkel betreden en/of

tijdens het winkelbezoek in de nabijheid van die [minderjarige] gebleven

en/of

met die [minderjarige] gecommuniceerd en/of aan die [minderjarige] instructies gegeven welke goederen (die in die winkel in de schappen stonden) die [minderjarige] moest pakken en/of vervolgens in hun tas moest doen

en/of

zelf goederen aan die [minderjarige] gegeven die die [minderjarige] in die tas moest doen

en/of

samen met die [minderjarige] en met die tas met goederen de winkel verlaten zonder die goederen af te rekenen;

(Artikel art 273f lid 1 ahf/sub 4° Wetboek van Strafrecht, art 273f lid 1 ahf/sub 6° Wetboek van Strafrecht, art 273f lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht)

2

zij op of omstreeks 02 januari 2024 te Bunnik, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een of meer winkelgoederen, in elk geval enig goed,

dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] BV ( [bedrijf] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n)

heeft weggenomen met het oogmerk om het/die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

(Artikel art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?