RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16.228594-25 en 16.151447-24 (vordering tul) (P)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2007 ] in [geboorteplaats] ,
wonende aan het [adres] , [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 7 april 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 26 augustus 2025 in Bilthoven samen met een of meer anderen of alleen een vuurwapen (alarmrevolver) en munitie (7 scherpe patronen) voorhanden heeft gehad;
feit 2
primair
op 26 augustus 2025 in Bilthoven samen met een of meer anderen of alleen heeft geprobeerd om een of meer personen af te persen en/of met (bedreiging met) geweld een of meer goederen van hen te stelen;
subsidiair
op 26 augustus 2025 in Bilthoven ter voorbereiding van (een van) de onder primair ten laste gelegde misdrijven samen met een of meer anderen of alleen voorwerpen en een vervoermiddel voorhanden heeft gehad;
feit 3
op 26 augustus 2025 in Bilthoven samen met een of meer anderen of alleen een of meer onbekend gebleven personen en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met de dood en/of met zware mishandeling;
feit 4
op 28 augustus 2025 in Almere een vuurwapen (alarmpistool) en munitie (3 scherpe patronen) voorhanden heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 primair, 3 en 4 heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van de feiten 1 en 4.
Ten aanzien van feit 2 primair stelt de advocaat dat dit niet kan worden bewezen, omdat de verdachte en de medeverdachten in Bilthoven hebben rondgelopen, maar dat onduidelijk is wat hun bedoeling is geweest. De advocaat stelt dat feit 2 subsidiair bewezen kan worden verklaard.
De advocaat stelt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 3 heeft gepleegd.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feiten 1, 2 primair, 3 en 4
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1, 2 primair, 3 en 4 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
De verdachte bekent dat hij de feiten 1 en 4 heeft gepleegd. Door of namens de verdachte is ook niet om vrijspraak van deze feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom ten aanzien van de feiten 1 en 4 alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverwegingen feiten 2 primair en 3
Vaststaande feiten en omstandigheden
Op grond van de inhoud van het dossier, in het bijzonder de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in bijlage II bij dit vonnis, en hetgeen ter zitting is besproken, kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden vastgesteld.
Op 26 augustus 2025 zijn drie jonge mannen met een Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken] naar het centrum van Bilthoven gereden. Nadat zij de auto hadden geparkeerd op de Prins Bernhardlaan, bleef de bestuurder in de auto zitten en gingen de beide andere mannen lopend het centrum van Bilthoven in. Beide mannen waren geheel in het zwart gekleed, droegen gezichtsbedekkende kleding en een van hen droeg een rugtas op zijn buik. De mannen renden door het centrum van Bilthoven, in de richting van de [straat] . Meerdere getuigen zagen hen rennen. Een getuige moest denken aan de poging overval die enkele weken eerder had plaatsgevonden op een juwelier aan de [straat] en riep ‘politie, politie!’ en ‘hou ze tegen, bel de politie!’. De mannen stopten met rennen, keerden om en renden terug in de richting van de getuigen. De voorste man pakte een klauwhamer uit zijn rugtas en de man achter hem trok een vuurwapen en richtte dit, al rennend, op meerdere personen en schreeuwde naar één van hen ‘ik waarschuw je!’. De mannen renden vervolgens naar de Prins Bernhardlaan. Een andere getuige had de Volkswagen Golf op de Prins Bernhardlaan zien staan en het was deze getuige opgevallen dat de bestuurder erg vaak om zich heen keek, hetgeen de getuige verdacht vond. De getuige zag vervolgens twee jongens aan komen rennen die in de Volkswagen Golf stapten, waarna deze weg reed. Kort daarop werd de auto door de politie gesignaleerd. De politie gaf de bestuurder van de auto een stopteken en daarna een volgteken. De auto werd op de Amsterdamsestraatweg stil gezet en de drie mannen in de auto werden aangehouden. De verdachte was een van de drie mannen in de auto. De verdachte had bij zijn aanhouding een rugtas met daarin een klauwhamer tussen zijn benen staan en hij verklaarde (direct) over de aanwezigheid van een vuurwapen. De auto is ter plaatse doorzocht en achter de bijrijdersstoel lag een zwarte jas en in de rechterjaszak van deze jas werd een vuurwapen aangetroffen. De verdachte heeft op zitting bekend dat hij degene is geweest die met de rugtas op zijn buik door Bilthoven heeft gerend.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de beide medeverdachten, gericht op het plegen van een gewapende overval en/of afpersing. Immers zijn de drie mannen samen naar Bilthoven gereden, zijn de verdachte en een mededader geheel in het zwart gekleed, met bedekt gezicht en met medeneming van een klauwhamer en een vuurwapen een winkelstraat van Bilthoven ingelopen, terwijl de bestuurder van de auto in deze auto is blijven zitten om - na afloop - de vlucht mogelijk te maken. Het handelen van de verdachte en zijn mededaders kan naar de uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden beoordeeld dan het begin van uitvoering van een gewapende overval en/of afpersing. Ieder van de drie verdachten heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan het gezamenlijke plan tot het plegen van (een van) deze misdrijven. Als gevolg van het optreden van omstanders hebben verdachte en de medeverdachten zich uiteindelijk teruggetrokken en heeft hun plan niet geleid tot een voltooid misdrijf. Dit terugtrekken heeft dus niet plaatsgevonden op initiatief van de verdachten zelf, maar door een buiten hen gelegen omstandigheid.
Op grond van de bewijsmiddelen en voornoemde overwegingen is het onder 2 primair en onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna omschreven onder 3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1
op 26 augustus 2025 te Bilthoven tezamen en in vereniging met anderen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (naar scherpschietend) omgebouwde alarmrevolver van het merk BBM (Bruni), model Olympic 38, kaliber .22, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 7 scherpe patronen, van het merk Federal, kaliber .22LR voorhanden heeft gehad;
feit 2 primair
op 26 augustus 2025 te Bilthoven tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld een of meer onbekend gebleven personen te dwingen tot de afgifte van een of meerdere goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die onbekend gebleven personen en/of een derde toebehoorde(n)
en/of
een of meer goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een of meer onbekend gebleven personen, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer onbekend gebleven personen, te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren
- naar het centrum van Bilthoven is gereden,
- donkere kleding en een bivakmuts, althans gezicht bedekkende kleding, heeft aangedaan en gedragen,
- een rugzak heeft gedragen,
- een hamer en/of een vuurwapen bij zich heeft gedragen, en
- met een hamer en een vuurwapen naar de [straat] , in elk geval een winkelstraat, is gelopen en/of gerend,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 3
op 26 augustus 2025 te Bilthoven tezamen en in vereniging met anderen een of meerdere onbekend gebleven personen en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
een hamer en een vuurwapen te tonen,
een vuurwapen te richten op eerder genoemde personen, en
daarbij die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik waarschuw je";
feit 4
op 28 augustus 2025 te Almere een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (naar scherpschietend) omgebouwd alarmpistool, van het merk Retay, mode P114, kaliber 9mm P.A.K., zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 3 scherpe patronen, van het merk S&B, kaliber 7.65 Br. voorhanden heeft gehad.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1
ten aanzien van het wapen:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
ten aanzien van de munitie:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 2 primair
poging tot afpersing
en/of
poging tot diefstal, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 3
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, meermalen gepleegd;
feit 4
ten aanzien van het wapen:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
ten aanzien van de munitie:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, met toepassing van het jeugdstrafrecht, geëist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 200 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 70 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als (bijzondere) voorwaarden, kort gezegd:
meewerken aan begeleiding door de jeugdreclassering van de William Schrikker Groep;
meewerken aan een ambulante behandeling door Topzorg De Waag of een soortgelijke zorgverlener;
verblijven bij [instelling] of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang;
een contactverbod met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en met de slachtoffers;
een locatieverbod (met elektronisch toezicht) betreffende een straal van 1000 meter van de [adres] in [woonplaats] ;
een locatiegebod (met elektronisch toezicht) betreffende een verblijf op het adres [adres] in [woonplaats] ;
meewerken aan het volgen van onderwijs, zoals school en stage;
meewerken aan een positief ingevulde dagbesteding (vrijetijdsbesteding en/of betaald of onbetaald werk);
een verbod om zich te vestigen op een ander adres;
deelnemen aan ITB Harde Kern;
deelnemen aan het opstellen van diagnostiek.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen verweer gevoerd tegen de door de officier van justitie gevorderde straf en evenmin tegen de door de officier van justitie genoemde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde dat de verdachte verplicht moet deelnemen aan het opstellen van diagnostiek. De raadsman heeft de hoop uitgesproken dat de verdachte de begeleiding zal krijgen die hij nodig heeft, dat hij een ander leven zal kunnen opbouwen en dat dit de laatste keer zal zijn geweest dat hij voor een rechter moet verschijnen.
Oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aantal ernstige misdrijven, zoals hiervoor omschreven onder 3.3.2. en 3.4. De rechtbank acht de bewezen verklaarde poging om een gewapende overval te plegen en/of anderen af te persen en het bedreigen van meerdere personen met een vuurwapen en een klauwhamer schokkend. Deze feiten getuigen van een volstrekte onverschilligheid ten opzichte van de belangen en gevoelens van de (mogelijke) slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke gebeurtenissen een grote impact hebben op slachtoffers en zelfs kunnen leiden tot traumatische ervaringen met langdurige psychische gevolgen. Voor dit soort feiten geldt bovendien dat deze sterke gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving veroorzaken. Daarnaast brengt het ongecontroleerde bezit van (twee verschillende) vuurwapens met bijbehorende munitie een onaanvaardbaar risico met zich mee voor de veiligheid van personen; het voorhanden hebben van dergelijke wapens met munitie kan leiden tot het gebruik ervan - zoals in deze zaak ook is gebleken - mogelijk met (zeer) ernstige gevolgen.
De persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden
De rechtbank houdt rekening met de volgende stukken betreffende de verdachte:
een uittreksel Justitiële Documentatie (‘strafblad’) van 26 februari 2026;
een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland te Lelystad van 3 april 2026.
Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij al enkele keren is veroordeeld, ook voor soortgelijke feiten als in dit vonnis bewezen worden verklaard, namelijk voor het bezit van een wapen (een steekwapen) en diefstal. De rechtbank houdt hiermee rekening in het nadeel van de verdachte.
De reclassering heeft in het rapport van 3 april 2026 geconcludeerd dat, hoewel geen diagnostiek bekend is over de verstandelijke vermogens van de verdachte, er aanwijzingen zijn voor beperkte verstandelijke vermogens. De verdachte volgt onderwijs op een laag onderwijsniveau, lijkt beperkte leercapaciteiten te bezitten en lijkt nog ontvankelijk voor de pedagogische invloed van volwassenen. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld.
In het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis heeft de verdachte sinds 3 januari 2026 een schorsingstoezicht bij de jeugdreclassering van de WSG met een aantal bijzondere voorwaarden. De verdachte verleent medewerking aan onder meer ambulante behandeling, houdt zich aan de regels bij het begeleid wonen en van ITB harde kern en is goed in contact met de jeugdreclassering. Dit traject loopt goed en de verdachte is gemotiveerd zich aan de voorwaarden te (blijven) houden. De reclassering, en ook de jeugdreclassering, ziet meerwaarde in voortzetting van dit traject en adviseert daarom toepassing van het jeugdstrafrecht en oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf, met voortzetting van het huidige reclasseringstoezicht en de bijbehorende bijzondere voorwaarden.
Op zitting heeft de jeugdreclasseerder van de WSG een toelichting gegeven op het rapport. Hij heeft verklaard zeer tevreden te zijn over het toezicht. In aanvulling op het advies in het rapport heeft de jeugdreclasseerder gevraagd als aanvullende (bijzondere) voorwaarde op te nemen dat de verdachte medewerking dient te verlenen aan het opstellen van diagnostiek.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf en de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de hiervoor genoemde aard en ernst van de bewezen feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten door de verdachte zijn gepleegd. De rechtbank houdt daarnaast rekening met de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden zoals hiervoor omschreven.
De rechtbank ziet, gelet op de persoonlijkheid van de verdachte en het advies van de reclassering, aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen.
De rechtbank vindt dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere of minder zware straf dan een jeugddetentie. Een lichtere strafrechtelijke afdoening zou de aard en de ernst van de bewezen feiten miskennen.
Omdat het huidige schorsingstoezicht bij de jeugdreclassering van de WSG goed verloopt, de verdachte zich houdt aan de hem gestelde voorwaarden en gemotiveerd is zich te blijven houden aan deze voorwaarden en de reclassering meerwaarde ziet om dit traject voort te zetten, zal de rechtbank het advies van de reclassering volgen. De rechtbank is van oordeel dat dit in het belang is van de verdachte en zijn persoonlijke ontwikkeling, maar dat ook de maatschappij gebaat is bij begeleiding en behandeling van de verdachte om hem in de toekomst op het rechte pad te houden.
Alles overwegend vindt de rechtbank het passend en geboden om aan de verdachte een jeugddetentie op te leggen voor de duur van 200 dagen, waarvan 70 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op deze jeugddetentie in mindering worden gebracht. Dit betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de (jeugd)gevangenis.
Het voorwaardelijke strafdeel dient mede als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. Aan dit voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering, ook de voorwaarde dat de verdachte medewerking dient te verlenen aan het opstellen van diagnostiek.
6. Beslag
In beslag genomen voorwerpen
Volgens een ‘Lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen’ van 2 april 2026 is onder de verdachte beslag gelegd op:
een telefoontoestel, Apple, blauw, voorwerpnummer PL0900-2025288925-3580070;
een jas, zwart, voorwerpnummer PL0900-2025288925-3580433;
een vuurwapen met magazijn, zwart, serienummers niet zichtbaar, voorwerpnummer PL0900-2025288925-3580033;
munitie, drie stuks, voorwerpnummer PL0900-2025288925-3580039.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd:
de telefoon en de jas terug te geven aan de rechthebbende(n);
het vuurwapen en de munitie te onttrekken aan het verkeer.
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft verklaard dat de telefoon en de jas niet van hem zijn en dat hij deze niet terug hoeft. De advocaat heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
Oordeel van de rechtbank
Teruggave aan de rechthebbende(n)
De rechtbank zal bepalen dat de in beslag genomen telefoon en jas worden teruggegeven aan de perso(o)n(en) die redelijkerwijs als rechthebbende(n) kan/kunnen worden aangemerkt.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal gelasten dat het in beslag genomen vuurwapen met magazijn en de munitie worden onttrokken aan het verkeer. De bewezen verklaarde feiten zijn met betrekking tot dan wel met behulp van deze voorwerpen begaan, althans zijn deze voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten aangetroffen en kunnen deze dienen tot het begaan van soortgelijke feiten. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
7 Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf
Eerder opgelegde voorwaardelijke straf
De kinderrechter in deze rechtbank, locatie Lelystad, heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16.151447-24 op 5 september 2024 een jeugddetentie van 2 maanden voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaren.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft in een schriftelijke vordering van 2 oktober 2025 gevorderd dat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde jeugddetentie van 2 maanden geheel ten uitvoer wordt gelegd. Op de zitting heeft de officier van justitie deze vordering gewijzigd, in die zin dat zij heeft geëist dat de vordering gedeeltelijk zal worden toegewezen, in die zin dat een gedeelte van 2 weken van de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde jeugddetentie ten uitvoer wordt gelegd.
Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering van de officier van justitie en laat de beslissing over de vordering tot tenuitvoerlegging aan de rechtbank over.
Oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft zich niet gehouden aan de door de kinderrechter in het vonnis van 5 september 2024 gestelde voorwaarde dat hij zich niet schuldig mag maken aan een (nieuw) strafbaar feit. Immers wordt de verdachte in dit vonnis veroordeeld voor meerdere strafbare feiten die hij heeft gepleegd na het vonnis van de kinderrechter.
Het voorgaande betekent dat de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 2 maanden geheel ten uitvoer kan worden gelegd. Toch zal de rechtbank dit niet doen. Op de zitting heeft een vertegenwoordiger van de jeugdreclassering verklaard dat de tenuitvoerlegging van 2 maanden jeugddetentie (zeer) nadelig zal zijn voor de huidige positieve ontwikkeling van de verdachte, omdat hij daardoor mogelijk zijn diploma niet kan behalen en zijn woonplek zal verliezen. De rechtbank is daarom met de officier van justitie eens dat een gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie passend is.
De rechtbank vindt het passend om de vordering toe te wijzen voor een gedeelte van 1 maand jeugddetentie, maar zal daarbij gelasten dat in plaats van het tenuitvoerleggen van deze maand jeugddetentie de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf dient te verrichten van 60 uren. Van de resterende maand jeugddetentie zal de proeftijd worden verlengd met 1 jaar. De verdachte moet begrijpen dat aan het overtreden van voorwaarden gevolgen zijn verbonden en dat als hij in de toekomst nogmaals een strafbaar feit pleegt, de tweede maand jeugddetentie ook ten uitvoer kan worden gelegd.
8. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en de beslissingen op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
9. Beslissing
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
Strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde;
Straf
- veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie van 200 (tweehonderd) dagen;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 70 (zeventig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarden gelden dat de verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
* begeleiding door de jeugdreclassering:
de verdachte werkt mee aan het toezicht door de jeugdreclassering en blijft zich melden op afspraken met de jeugdreclassering van de William Schrikker Groep, zo vaak de jeugdreclassering dat nodig vindt;
* contactverbod:
de verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met:
- de medeverdachten [medeverdachte 1] , geboren op [2009] , en [medeverdachte 2] , geboren op [2003] ;
- de slachtoffers [slachtoffer 1] , geboren op [1960] , en [slachtoffer 2] , geboren op [1960] ;
zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
* locatieverbod (met elektronisch toezicht):
de verdachte bevindt zich niet in een straal van 1.000 meter van de [adres] te [woonplaats] . De verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod. De elektronische monitoring is van kracht zolang de reclassering dit nodig acht, maar niet langer dan voor de duur van 6 maanden. De verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen;
* locatiegebod (met elektronisch toezicht):
de verdachte verblijft gedurende de periode van het toezicht op het adres [adres] , [woonplaats] . Hij heeft daarbij een aaneengesloten blok van 12 respectievelijk 15 uur ter invulling van zijn activiteiten (sport, hobby’s, school, werk, behandeling), zoals met de gecertificeerde instelling / Reclassering wordt afgesproken. Als de Raad voor de Kinderbescherming, gecertificeerde instelling of reclassering het noodzakelijk vindt om voor een doelmatige uitvoering van het toezicht de periode, tijd of locatie aan te passen, dan zal hierover overleg plaatsvinden met de opdrachtgever. Het locatiegebod wordt gecontroleerd door middel van elektronische monitoring. De elektronische monitoring is van kracht zolang de reclassering dit nodig acht, maar niet langer dan voor de duur van 6 maanden;
* ambulante behandeling:
de verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door Topzorg De Waag of door een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra een plaats beschikbaar is. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
* verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang:
de verdachte verblijft bij [instelling] of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
* volgen van onderwijs:
de verdachte werkt mee aan een positief ingevulde, gestructureerde daginvulling (zoals school, stage) en houdt zich aan de regels / het rooster dat hier geldt. De verdachte werkt mee aan aanvullende hulpverlening, indien de jeugdreclassering dit nodig vindt;
* dagbesteding:
de verdachte werkt mee aan een positief ingevulde vrijetijdsbesteding en/of betaald of onbetaald werk (in de vorm van sport of een bijbaan);
* verbod op andere huisvesting:
de verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van het Openbaar Ministerie;
* deelname ITB Harde Kern:
de verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling, te weten de William Schrikker Groep te Almere, waarbij hij (behoudens verlenging) zes maanden intensieve begeleiding aanvaardt in het kader van ITB Harde Kern;
* meewerken aan diagnostiek:
de verdachte werkt mee aan het opstellen van diagnostiek en aan eventuele daaruit voortvloeiende onderzoeken (zoals een persoonlijkheidsonderzoek) en/of behandelingen;
- waarbij de gecertificeerde instelling William Schrikker Groep opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;
Beslag
- gelast de teruggave aan de rechthebbende(n) van de op de ‘Lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen’ van 2 april 2026 onder 1 en 2 vermelde voorwerpen, te weten:
- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de ‘Lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen’ van 2 april 2026 onder 3 en 4 vermelde voorwerpen, te weten:
3. een vuurwapen met magazijn, zwart, serienummers niet zichtbaar, voorwerpnummer PL0900-2025288925-3580033;
4. munitie, drie stuks, voorwerpnummer PL0900-2025288925-3580039;
Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16.151447-24
- beveelt de tenuitvoerlegging van de door de kinderrechter in de Rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 5 september 2024 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor een gedeelte van 1 maand;
- gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van 1 maand jeugddetentie het verrichten van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht deze werkstraf wordt vervangen door 1 (één) maand jeugddetentie;
- verlengt ten aanzien van het gedeelte van de bij vonnis van de kinderrechter van 5 september 2024 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie waarvan de tenuitvoerlegging en omzetting niet wordt gelast (te weten: 1 maand jeugddetentie) de proeftijd met 1 (één) jaar.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter, tevens kinderrechter, mr.
S.C. Hagedoorn en mr. B.F. Hammerle, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat hij:
1
op of omstreeks 26 augustus 2025 te Bilthoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (naar scherpschietend) omgebouwd alarmrevolver, van het merk BBM (Bruni), model Olympic 38, kaliber .22, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 7 scherpe patronen, van het merk Federal, kaliber .22LR voorhanden heeft gehad;
2
op of omstreeks 26 augustus 2025 te Bilthoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld een of meer onbekend gebleven personen te dwingen tot de afgifte van een of meerdere goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die onbekend gebleven personen en/of een derde toebehoorde(n)
en/of
een of meer goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een of meer onbekend gebleven personen, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer onbekend gebleven personen, te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren
- naar het centrum van Bilthoven is gereden/vervoerd,
- donkere kleding en/of een bivakmuts, althans gezicht bedekkende kleding, heeft aangedaan en/of gedragen,
- een rugzak heeft gedragen,
- een hamer en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, bij zich heeft gedragen, en/of
- met een hamer en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, naar de [straat] , in elk geval een winkelstraat, is gelopen en/of gerend,
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen
leiden:
op of omstreeks 26 augustus 2025 te Bilthoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een afpersing in vereniging of een diefstal met geweld in vereniging, opzettelijk voorwerpen en een vervoermiddel, te weten
- een personenauto (geschikt om te vluchten en/of om de buit te vervoeren),
- donkere kleding en/of een bivakmuts, althans gezicht bedekkende kleding (geschikt om de identiteit te verhullen),
- een rugzak (geschikt om de buit te vervoeren),
- een hamer (geschikt om te dreigen en/of te verwonden), en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (geschikt om te dreigen en/of te verwonden),
3
op of omstreeks 26 augustus 2025 te Bilthoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere anoniem en/of onbekend gebleven personen en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door
4
op of omstreeks 28 augustus 2025 te Almere, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (naar scherpschietend) omgebouwd alarmpistool, van het merk Retay, mode P114, kaliber 9mm P.A.K., zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 3 scherpe patronen, van het merk S&B, kaliber 7.65 Br. voorhanden heeft gehad.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
feit 1:
- het in de wettelijke vorm opgemaakte Proces-verbaal van bevindingen van 26 augustus 2025, genummerd 250826-1206-767 (BVH-nummer MD 2025288925), opgemaakt door een verbalisant van politie Midden-Nederland, met daarin bevindingen van deze verbalisant
(PV VGL: digitale nummering pagina’s 25-26);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict van 30 augustus 2025, genummerd PL0900-2025288925-49, opgemaakt door twee verbalisanten van politie Midden-Nederland, met daarin bevindingen van deze verbalisanten of één van hen
(PV raadkamer 09-10-2025, nazending II: digitale nummering pagina 10);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte Proces-verbaal van bevindingen van 20 oktober 2025, genummerd PL0900-2025288925-86, opgemaakt door een verbalisant van politie Midden-Nederland, met daarin bevindingen van deze verbalisant
(PV pro forma 24-02-2026, nazending V: digitale nummering pagina’s 45-47);
- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 7 april 2026.
feit 4:
- het in de wettelijke vorm opgemaakte Proces-verbaal van bevindingen van 28 augustus 2025, genummerd 16, documentcode JM62, BVH-nummer 2025288925, opgemaakt door twee verbalisanten van politie Midden-Nederland, met daarin bevindingen van deze verbalisanten of één van hen
(PV raadkamer 11-09-2025, nazending I: digitale nummering pagina’s 83-84);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict van 29 augustus 2025, genummerd PL0900-2025288925-69, opgemaakt door twee verbalisanten van politie Midden-Nederland, met daarin bevindingen van deze verbalisanten of één van hen
(PV pro forma 09-12-2025, nazending IV: digitale nummering pagina’s 5-6);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte Proces-verbaal voor-categorisering van 2 september 2025, genummerd PL0900-2025288925-82, opgemaakt door een verbalisant van politie Midden-Nederland, met daarin bevindingen van deze verbalisant
(Nazending II zaaksdossier wapen woning [verdachte] : digitale nummering pagina’s 8-9);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte Proces-verbaal van bevindingen van 20 oktober 2025, genummerd PL0900-2025288925-86, opgemaakt door een verbalisant van politie Midden-Nederland, met daarin bevindingen van deze verbalisant
(PV pro forma 24-02-2026, nazending V: digitale nummering pagina’s 46-47);
- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 7 april 2026.
feiten 2 en 3
Het proces-verbaal aangifte, met daarin een verklaring van aangever [slachtoffer 2] , onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Plaats delict: Bilthoven.
Op 26 augustus 2025 zag ik twee mensen rennen, allebei volledig in het zwart. Ze hadden allebei een zwarte mondkap voor hun mond. Ze renden richting de [straat] . Ze stopten op de hoek. Ik zag ze omkeren en ik zag ze weer richting ons rennen. Ik zag dat de voorste man een klauwhamer pakte uit zijn jas of tas. De jongen die achter hem rende zag mij ook en ik zag dat hij een pistool trok en op me richtte. Ik zag dat deze jongen zwarte handschoenen droeg. Ik hoorde hem schreeuwen naar mij: ”ik waarschuw je.” De beide jongemannen waren echt volledig in het zwart en ik denk dat ze ook zwarte capuchons over hun hoofd hadden of bivakmutsen.
Het proces-verbaal van verhoor getuige, met daarin een verklaring van de getuige [slachtoffer 1] , onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 26 augustus 2025 was ik op de Julianalaan te Bilthoven. Ik zag twee mannen rennen. Ik kan de mannen als volgt omschrijven:
Man 1:
Donkergetinte huidskleur;
Zwarte bivakmuts;
Zwarte jas;
Zwarte broek;
Zwarte schoenen.
Man 2:
Zwarte bivakmuts;
Zwarte jas;
Rugtas op de buik;
Zwarte broek;
Zwarte schoenen.
Man 2 haalde een voorwerp gelijkend aan een hamer uit de rugtas op zijn buik en dat hij deze hamer vasthield. Ik zag dat de twee mannen door renden. Ik zag dat man 1 naar mij keek. Ik zag vervolgens dat man 1 een voorwerp gelijkend aan een pistool ergens vandaan haalde. Er stond nog een man buiten die aan het werk was. Ik zag dat man l het pistool richtte op de bovengenoemde man. Vervolgens zag ik dat man l het pistool richtte op mij. Ik denk dat hij het pistool richtte op mijn borstkas. Ik weet niet precies hoe lang man l het pistool op mij richtte, maar ik denk dat dit ongeveer een seconde was. Ik zag dat man 1 en man 2 verder renden richting de kruising van de Julianalaan en de Prins Bernardlaan.
Op het moment dat man 1 het pistool richtte op mij, was ik overtuigd dat ik dood zou gaan. Ik was doodsbang.
Het proces-verbaal van bevindingen, met daarin bevindingen van een verbalisant van politie Midden-Nederland, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik hoorde een getuige die het volgende verklaarde:
“Op 26 augustus 2025 zag ik op de Prins Bernhardlaan te Bilthoven een grijze Volkswagen stond, volgens mij een Volkswagen Golf. In deze Volkswagen zat een jongen die erg vaak om zich heen keek. Deze jongen zat op de bestuurderstoel zat. Ik zag dat twee jongens mijn richting op renden en in de Volkswagen stapten. Hierna reed de grijze Volkswagen weg.”
Ik hoorde een tweede getuige die verklaarde:
"Op 26 augustus 2025 was ik op de Julianalaan te Bilthoven. Ik stond op het trottoir naast mijn vrachtwagen. Ik zag dat twee jongens renden op het fietspad. Deze jongens renden mijn kant op. Ik zag dat jongen 1 een rugzak op zijn buik had hangen. Toen ik mijn omdraaide zag ik dat hij een klauwhamer uit deze rugzak haalde. Ik zag dat jongen 2 een pistool pakte uit een rugzak die hij op zijn buik had. Ik zag dat hij dit pistool, voor ongeveer drie seconden, op mij richtte, op de bovenkant van mijn borst.
Achteraf had dit ook anders kunnen aflopen, ik had dood kunnen zijn.”
Het proces-verbaal van bevindingen, met daarin bevindingen van een verbalisant van politie Midden-Nederland, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 26 augustus 2025 zagen wij een Volkswagen Golf rijden voorzien van het kenteken [kenteken] . Wij zagen drie jonge mannen in het voertuig.
De bestuurder bleek te zijn: [medeverdachte 2] . De passagier linksachter in het voertuig bleek te zijn: [verdachte] . Ik zag dat tussen de benen van [verdachte] een zwarte tas stond. Ik vroeg aan [verdachte] wat in deze tas zat en ik hoorde [verdachte] zeggen “een vuurwapen.” Ik pakte de tas en zag dat in de tas een hamer zat.
Het voertuig is doorzocht door een collega. Ik hoorde deze collega zeggen dat hij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp had aangetroffen in het voertuig.
De verklaring van de verdachte, onder meer inhoudende:
Op 26 augustus 2025 zijn wij met z’n drieën in een Volkswagen Golf naar Bilthoven gereden. Ik heb door Bilthoven gelopen met een rugtas op mijn buik. Bij de aanhouding zat ik in de Volkswagen Golf met een tas tussen mijn benen en in deze tas zat een klauwhamer. Het klopt dat in de auto ook een revolver is aangetroffen.