RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/600168 / FO RK 25-1203
Adoptie duo-moeder
Beschikking van 24 maart 2026
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat mr. K.S.M. Smienk,
met als belanghebbende
[de moeder] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift met bijlage(n), binnengekomen op 22 september 2025;
het bericht van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 6 oktober 2025;
het bericht van verzoekster met bijlage van 23 februari 2026.
2. Waar de procedure over gaat
Verzoekster is met de moeder een geregistreerd partnerschap aangegaan op
[datum] 2022 in [plaats] .
Tijdens dit geregistreerd partnerschap is de moeder bevallen van een dochter:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats 1] .
[minderjarige 1] is geadopteerd door verzoekster.
Vervolgens is de moeder bevallen van een zoon:
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2026 in [geboorteplaats 2] .
De zwangerschappen van de moeder zijn tot stand gekomen door middel van kunstmatige inseminatie. De donor is onbekend.
Deze procedure gaat alleen over [minderjarige 2] .
Verzoekster en de moeder hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
Verzoekster wil [minderjarige 2] adopteren. De moeder staat achter dit verzoek.
3. De beoordeling
Adoptie
De rechtbank zal het verzoek toewijzen en de adoptie van [minderjarige 2] door verzoekster uitspreken. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij deze beslissing neemt.
Het verzoek tot adoptie moet worden getoetst aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de artikelen 1:227 en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank is van oordeel dat hieraan is voldaan.
Volgens de rechtbank is de adoptie in het belang van [minderjarige 2] , want hij wordt door verzoekster en de moeder samen verzorgd en opgevoed. Ook heeft verzoekster de vereiste verklaringen overgelegd, te weten:
de verklaring van 5 augustus 2025 van de heer [A] , MSc, namens het College donorgegevens kunstmatige bevruchting, waaruit blijkt dat de zwangerschap van de moeder tot stand is gekomen door kunstmatige donorbevruchting;
de verklaring van 27 augustus 2025 van de moeder, waaruit blijkt dat zij instemt met de adoptie.
Zoals uit het bericht van de Raad blijkt, heeft de Raad beslist om in deze zaak geen onderzoek te doen omdat er sprake is van een onbekende donor en bij het verzoek een donorverklaring is overgelegd van het College donorgegevens waaruit anoniem donorschap blijkt.
Ingangsdatum
De adoptie werkt terug tot het tijdstip van de geboorte van [minderjarige 2] , omdat de adoptie voor zijn geboorte is verzocht.
Geslachtsnaam
[minderjarige 2] krijgt de geslachtsnaam [geslachtsnaam] want het oudste kind van partijen heeft ook die naam.
4. De beslissing
De rechtbank:
spreekt uit de adoptie van de minderjarige van het mannelijke geslacht:
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2026 in [geboorteplaats 2] ,
door:
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum 3] 1985 in [geboorteplaats 3] ;
bepaalt dat de adoptie terugwerkt tot het tijdstip van de geboorte van [minderjarige 2] ;
stelt vast dat [minderjarige 2] na de adoptie de geslachtsnaam [geslachtsnaam] zal dragen, zodat hij zal blijven heten: [minderjarige 2];
draagt de griffier op om niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en als daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Stichtse Vecht.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.G. van Doorn, kinderrechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.