ECLI:NL:RBMNE:2026:1765

ECLI:NL:RBMNE:2026:1765

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 20-03-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer UTR 24/1750
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Wet WOZ. De hoorplicht is geschonden. Aan deze schending kan niet worden voorbijgegaan, omdat partijen van mening verschillen over de van belang zijnde feiten en eiser daardoor is benadeeld. De rechtbank wijst de zaak terug naar verweerder.

Uitspraak

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.W. Vugts),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] (de heffingsambtenaar), verweerder

(gemachtigde: B. Olieman).

Inleiding

In de beschikking van 18 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 529.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendzaakbelasting en afvalstoffenheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.

Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 14 december 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en is de WOZ-waarde van de woning en de daarop gebaseerde aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingebracht.

De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Namens de heffingsambtenaar was zijn gemachtigde en taxateur [taxateur] aanwezig. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

De hoorplicht

1. De gemachtigde van eiser stelt dat de heffingsambtenaar de hoorplicht heeft geschonden. Daarbij voert hij aan dat de heffingsambtenaar data voor de hoorzitting voorstelt op zeer korte termijn, terwijl is aangegeven dat de hele agenda al vol zit. Volgens de gemachtigde van eiser kan van hem niet worden verwacht dat hij voor heel Nederland in twee maanden tijd alle hoorzittingen en alle (aanvullende) bezwaarschriften kan voltrekken. Daarnaast stelt de gemachtigde van eiser dat de heffingsambtenaar niet is ingegaan op voorgestelde alternatieve data voor de hoorzitting en werd er ook geen telefonisch contact opgenomen. Eiser verzoekt de rechtbank om de zaak terug te wijzen naar de bezwaarfase om alsnog gehoord te worden.

2. Volgens de heffingsambtenaar is de hoorplicht niet geschonden. De gemachtigde van eiser is volgens de heffingsambtenaar voldoende in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Aan de gemachtigde van eiser zijn meerdere data voorgelegd om gehoord te worden. Daarbij voert de heffingsambtenaar aan dat van een professionele gemachtigde verwacht mag worden dat hij zich binnen een redelijke termijn beschikbaar stelt voor een hoorzitting. Dat heeft de gemachtigde van eiser niet gedaan, zo volgt volgens de heffingsambtenaar uit het ingebrachte e-mailverkeer tussen de gemachtigde van eiser en de heffingsambtenaar.

3. Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een bestuursorgaan een belanghebbende in de gelegenheid stellen om te worden gehoord, voordat op het bezwaar wordt beslist. In afwijking daarvan bepaalt artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de AWR) dat slechts een hoorzitting plaatsvindt als een belanghebbende daar om verzoekt. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn bezwaarschrift heeft verzocht om gehoord te worden.

4. Uit het e-mailverkeer tussen de gemachtigde van eiser en de heffingsambtenaar blijkt het volgende. Op 3 april 2023 heeft de heffingsambtenaar een aantal data voor het houden van een hoorzitting voorgesteld. Op 18 april 2023 heeft de gemachtigde van eiser hierop geantwoord dat de voorgestelde data voor hem niet mogelijk waren, waarna hij zelf 29 mei 2023 als datum voor de hoorzitting voorstelde en aangaf dat gezien de drukte een hoorzitting anders pas in juli mogelijk zou zijn. De heffingsambtenaar reageerde op 24 april 2023 en wees de voorgestelde datum af, omdat deze op een feestdag viel en stelde vervolgens twee data in juni voor. Doordat er uiteindelijk geen concrete afspraken zijn gemaakt voor het houden van een hoorzitting, heeft de heffingsambtenaar op 11 oktober 2023 meegedeeld dat de hoorzitting op 31 oktober 2023 zou plaatsvinden. Op 26 oktober 2023 liet de gemachtigde van eiser weten dat deze datum niet schikte en stelde hij voor de hoorzitting medio november te plannen. Op diezelfde dag reageerde de heffingsambtenaar met 7 november 2023 als mogelijke datum. De gemachtigde van eiser gaf daarop aan dat er tot en met 17 november 2023 geen mogelijkheden waren. Toch besloot de heffingsambtenaar vast te houden aan de datum van 7 november 2023 en gaf aan dat, als de gemachtigde van eiser niet aanwezig zou zijn, ervan zou worden uitgegaan dat hij niet gehoord wilde worden.

5. Op 7 november 2023 heeft er vervolgens een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij de gemachtigde van eiser niet aanwezig was. De heffingsambtenaar kon de gemachtigde van eiser telefonisch niet bereiken. De heffingsambtenaar heeft vervolgens uitspraak op bezwaar gedaan.

6. De rechtbank is het op zichzelf eens met het standpunt van de heffingsambtenaar dat van een professioneel gemachtigde als de gemachtigde van eiser mag worden verwacht dat, als hij om een hoorzitting vraagt, hij zich ook voldoende beschikbaar houdt om die hoorzitting daadwerkelijk doorgang te laten vinden. Als de gemachtigde van eiser dat niet doet, kan het de heffingsambtenaar niet worden tegengeworpen dat er uiteindelijk geen hoorzitting is gehouden. In dit geval vindt de rechtbank echter dat dat de heffingsambtenaar wél kan worden tegengeworpen. De gemachtigde van eiser heeft in reactie op de eerste uitnodiging immers duidelijk aangegeven dat – als 29 mei 2023 niet mogelijk was – een hoorzitting pas in juli 2023 mogelijk was. Desondanks heeft de heffingsambtenaar een datum in juni 2023 voorgesteld, ten aanzien waarvan de gemachtigde van eiser dus al had aangegeven dat hij dan niet beschikbaar was. De gemachtigde van eiser heeft in reactie op de tweede uitnodiging voor een hoorzitting duidelijk aangegeven dat een hoorzitting voor hem pas vanaf medio november 2023 mogelijk was. Desondanks heeft de heffingsambtenaar de hoorzitting al daarvóór, namelijk begin november 2023 gepland. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat het vanwege de drukte in die periode niet mogelijk was om de hoorzitting in juli of vanaf medio november 2023 te plannen, omdat er op dat moment onvoldoende medewerkers van de bezwaarschriftencommissie beschikbaar zijn. De rechtbank kan dit op zich volgen, maar stelt vast dat deze informatie niet is vermeld in de voorgaande e-mailberichten. Dat had wel op de weg van de heffingsambtenaar gelegen. Bij gebreke daarvan heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank niet adequaat gereageerd op de voorstellen van de gemachtigde voor een andere datum. Daarmee heeft de heffingsambtenaar eiser in dit geval onvoldoende in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord en is de hoorplicht geschonden.

7. De rechtbank is verder van oordeel dat dit geval zich er niet voor leent om met toepassing van artikel 6:22 van de Awb aan de schending van de hoorplicht voorbij te gaan. Er bestaat tussen partijen verschil van mening over de waardering van de van belang zijnde feiten, zodat het in de bezwaarfase horen van eiser een functie kon hebben naast de mogelijkheid van een (eventueel) onderzoek op de zitting in beroep. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat eiser door het achterwege blijven van de hoorzitting niet is benadeeld. De uitspraak op bezwaar moet daarom worden vernietigd.

8. Het beroep is dus gegrond. Nu eiser heeft verzocht om terugwijzing van de zaak, ziet de rechtbank geen aanleiding hierover anders te beslissen. De rechtbank zal de zaak daarom terugwijzen naar de heffingsambtenaar die opnieuw op het bezwaar moet beslissen, nadat hij eiser alsnog in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Proceskostenvergoeding en griffierecht

9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld.

10. De gemachtigde van eiser verzoekt de rechtbank om de vermenigvuldigingsfactor (0,25 of 0,1) als bedoeld in artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ buiten toepassing te laten, omdat dit in strijd is met de wet.

11. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het eerste en tweede lid worden de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd met de daar bepaalde factor. Op grond van het overgangsrecht blijft deze wettelijke vermenigvuldigingsfactor in deze zaak echter buiten toepassing, omdat de aanslag en de uitspraak op bezwaar van vóór 1 januari 2024 dateren. De rechtbank gaat dus verder niet in op de gronden van de gemachtigde van eiser die hierop zien.

12. De rechtbank stelt de proceskosten voor de beroepsfase vast op € 467,- (1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-). Daarbij hanteert de rechtbank op grond van de Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 de wegingsfactor 0,5, omdat het in beroep alleen gaat over de vraag of de hoorplicht is geschonden en de zaak op die grond voor een nieuwe behandeling in bezwaar wordt teruggewezen naar de heffingsambtenaar. Daarnaast moet de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

13. De rechtbank wijst partijen erop dat de heffingsambtenaar het op grond van deze uitspraak te vergoeden bedrag voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiser. Dat volgt uit artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, waarvoor geen overgangsrecht geldt. De gemachtigde van eiser is het hier niet mee eens en heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de proceskostenvergoeding rechtstreeks aan hem moet worden overgemaakt. De rechtbank is echter niet bevoegd om een oordeel te geven over de vraag of de proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de bankrekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond vanwege schending van de hoorplicht. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en wijst de zaak terug naar de heffingsambtenaar die eiser alsnog in de gelegenheid moet stellen om te worden gehoord en opnieuw uitspraak op het bezwaar moet doen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 14 december 2023;

- wijst de zaak terug naar de heffingsambtenaar en draagt de heffingsambtenaar op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier.

Uitgesproken op 20 maart 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand