[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. I. van Medenbach de Rooij),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: M. van Mourik).
Inleiding
Eiseres is in de zomer van 2022 gaan werken als zelfstandige. Daarnaast heeft eiseres in de maanden september, oktober en december 2022 één dag per maand in de horeca in loondienst gewerkt via een uitzendbureau. Met ingang van 1 februari 2023 is eiseres vervolgens in loondienst gaan werken bij [bedrijf] B.V. voor gemiddeld 35,86 uur per week. Op 21 februari 2023 heeft zij zich vanuit dit werk ziekgemeld in verband met gezondheidsklachten. Na twee jaar ziekte heeft eiseres een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.
Met het besluit van 25 april 2025 heeft het Uwv aan eiseres vanaf 18 februari 2025 een WIA-uitkering toegekend, gebaseerd op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. De hoogte van de uitkering is vastgesteld op € 66,34 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Bij de berekening is uitgegaan van een (geïndexeerd) WIA-dagloon van € 4,70, bepaald op basis van een berekeningsperiode van 65 dagloondagen en het in deze periode totaal ontvangen SV-loon van € 269,76.
Eiseres is het niet eens met de vaststelling van de hoogte van haar WIA-dagloon en heeft bezwaar gemaakt. Met het besluit van 14 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Eiseres was daarbij samen met haar gemachtigde aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Waar gaat deze zaak over?
1. Deze zaak gaat over de vraag of het Uwv de hoogte van de WIA-uitkering juist heeft vastgesteld.
2. Het Uwv vindt van wel en stelt dat het dagloon juist is berekend. Voor de vaststelling van het WIA-maandloon is uitgegaan van loongegevens over de periode van een jaar vóór het aangiftetijdvak waarin eiseres zich heeft ziekgemeld. Deze referteperiode loopt van 1 februari 2022 tot en met 31 januari 2023. Omdat eiseres in een aantal maanden van deze referteperiode geen SV-loon heeft ontvangen, zijn deze maanden overeenkomstig artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (het Dagloonbesluit) niet meegenomen in de berekening van het dagloon. Voor de vaststelling van het aantal dagloondagen is uitgegaan van drie maanden (september, oktober en december 2022) wat neerkomt op 65 dagloondagen. Het Uwv ziet verder geen ruimte om uit te gaan van de loongegevens van het dienstverband waaruit eiseres ziek is geworden, omdat eiseres in de referteperiode wel SV-loon heeft ontvangen.
3. Eiseres is het hier niet mee eens en stelt dat strikte toepassing van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit in haar geval leidt tot een enorme terugval in haar welvaartsniveau. Als zij naast haar structurele werk als zelfstandige niet drie dagen via een uitzendbureau zou hebben gewerkt, dan zou de hoogte van haar WIA-uitkering volgens eiseres heel anders hebben uitgepakt. Eiseres wil dus dat haar incidentele inkomsten in de referteperiode uit het werk via het uitzendbureau buiten beschouwing blijven. Volgens eiseres moet toepassing worden gegeven aan artikel 18, tweede lid, van het Dagloonbesluit en uit worden gegaan van het loon van het dienstverband waaruit zij ziek is geworden.
Wat is het toetsingskader?
4. In het Dagloonbesluit zijn de regels voor de berekening van het dagloon voor (onder meer) de WIA-uitkering uitgewerkt. In artikel 16 van het Dagloonbesluit staat, samengevat, dat het dagloon wordt berekend door het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten te delen door 261 dagloondagen. De referteperiode is blijkens artikel 13 van het Dagloonbesluit de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
5. Voor starters en herintreders op de arbeidsmarkt is een uitzondering op de hoofdregel van artikel 16 van het Dagloonbesluit geregeld in artikel 18 van het Dagloonbesluit, de zogenoemde startersregeling. Als starter en herintreder wordt beschouwd degene die vanaf de aanvang van het refertejaar tot en met de laatste dag van het eerste volledige aangiftetijdvak van dat jaar geen loon heeft genoten. Deze regeling geeft een gunstig dagloon voor degene die nog niet vanaf de aanvang van het refertejaar een dienstbetrekking heeft gehad. Op grond van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt in dat geval het door de starter of herintreder in het refertejaar verdiende loon namelijk niet door 261 gedeeld, maar door het aantal dagloondagen vanaf de dag en met inbegrip van de dag waarop de eerste dienstbetrekking in het refertejaar is begonnen tot en met de laatste dag van het refertejaar. In het geval waarin de starter en herintreder in het refertejaar helemaal geen loon heeft ontvangen en arbeidsongeschikt wordt, wordt op grond van artikel 18, tweede lid, van het Dagloonbesluit het in dat aangiftetijdvak verdiende loon voordat de arbeidsongeschiktheid intrad, gedeeld door het aantal in dat tijdvak gelegen dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot de dag van intreden van de arbeidsongeschiktheid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Niet in geschil is dat het refertejaar voor eiseres loopt van 1 februari 2022 tot en met 31 januari 2023. Ook is niet in geschil dat eiseres in een aantal maanden in dit refertejaar geen loon heeft ontvangen. Om die reden heeft het Uwv met toepassing van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit het dagloon van € 4,70 berekend op basis van het loon dat eiseres in de maanden september, oktober en december 2022 heeft genoten uit het werk in de horeca via een uitzendbureau.
7. Eiseres stelt dat artikel 18, tweede lid, van het Dagloonbesluit in haar geval van toepassing is. Op de zitting heeft zij verwezen naar de Nota van toelichting op dit artikellid, waarin staat dat “een speciale rekenregel geldt voor het geval waarin de (her)intreder in het refertejaar geen loon heeft ontvangen en arbeidsongeschikt wordt. Dit is het geval indien hij op het moment van het intreden van het risico nog geen volledig aangiftetijdvak heeft gewerkt”. Volgens eiseres doet deze situatie zich ook in haar geval voor, omdat zij in de maanden september, oktober en december 2022 steeds slechts één dag via het uitzendbureau heeft gewerkt en daarmee dus geen volledig aangiftetijdvak heeft gewerkt.
8. Voor een dergelijke uitleg ziet de rechtbank in de tekst en toelichting van artikel 18, tweede lid, van het Dagloonbesluit echter geen aanknopingspunten. Met de door eiseres aangehaalde toelichting wordt de situatie bedoeld dat een (her)intreder, die in een refertejaar geen loon had, arbeidsongeschikt wordt vóórdat in de nieuwe dienstbetrekking een volledig aangiftetijdvak is verstreken. Anders dan eiseres kennelijk meent, ziet artikel 18, tweede lid, van het Dagloonbesluit niet op de situatie dat een (her)intreder tijdens het refertejaar niet alle doordeweekse dagen van een aangiftetijdvak heeft gewerkt. Eiseres voldoet dan ook niet aan de aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 18, tweede lid, van het Dagloonbesluit, omdat zij wel loon in een aantal maanden van het refertejaar heeft ontvangen. Het Uwv heeft het dagloon van € 4,70 dan ook terecht vastgesteld volgens de berekeningswijze van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Tegen de berekening van het dagloon als zodanig heeft eiseres geen gronden aangevoerd.
9. Eiseres stelt verder dat strikte toepassing van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit in haar geval onredelijk bezwarend is. Daarbij voert zij aan dat het de bedoeling van de wetgever was om het dagloon een redelijke afspiegeling te laten zijn van het welvaartsniveau in de periode voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid. In het geval van eiseres staat het dagloon volgens haar niet in verhouding tot het gederfde loon bij haar laatste werkgever dat ruim 20 keer zo hoog was als het door het Uwv berekende dagloon. Zij had ten tijde van de arbeid, die zij verrichte toen ze uitviel, een SV-dagloon van € 2.112,75 (inclusief vakantiegeld). Het berekende dagloon houdt volgens eiseres een terugval in van 95% ten opzichte van het gederfde loon. Daarnaast voert eiseres aan dat ook vóór zij in dienst trad bij [bedrijf] B.V., haar welvaartsniveau hoger lag dan het berekende dagloon, doordat zij in die periode – naast haar werkzaamheden via het uitzendbureau – ook als zelfstandige werkte. Dit leidt volgens eiseres tot een zodanige onevenredigheid dat van strikte toepassing van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit moet worden afgeweken. Eiseres verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 9 januari 2025.
10. De rechtbank stelt voorop dat bij een gebonden bevoegdheid die volgt uit een algemeen verbindend voorschrift, zoals hier artikel 18 van het Dagloonbesluit, er op het niveau van het algemeen verbindend voorschrift al een belangenafweging in algemene zin heeft plaatsgevonden. Daarmee is in beginsel ook de evenredigheid van het besluit gegeven. Het te nemen besluit volgt namelijk uit het wel of niet vervuld zijn van de toepassingsvoorwaarden en het bestuursorgaan hoeft daarbij geen belangenafweging te maken. Toch kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de toepassing van het voorschrift in een specifiek geval onevenredig is. Dit is het geval als er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredig nadelige uitkomst leidt. Dat wil zeggen: als het besluit in de gegeven omstandigheden voor betrokkene onredelijk bezwarend is.
11. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank begrijpt dat de strikte toepassing van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit voor eiseres onredelijk en onbillijk voelt, maar dat biedt niet de mogelijkheid om voor haar een ander dagloon vast te stellen. Daarbij betrekt de rechtbank het volgende.
12. Voor de toepassing van artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit moet worden uitgegaan van de eerste dag van de eerste dienstbetrekking in het refertejaar waaruit de werknemer loon heeft genoten. De inkomsten die eiseres in het refertejaar heeft genoten als zelfstandige kunnen voor de werknemersverzekering niet meetellen bij de berekening van het dagloon. Dat is namelijk geen inkomen uit verzekerde arbeid. Voor de berekening van het dagloon is daarentegen het SV-loon bepalend. Voor de vaststelling van het welvaartsniveau is verder het SV-loon bepalend dat daadwerkelijk is ontvangen tijdens de referteperiode die geldt voor de Wet WIA (historisch dagloon). Het gaat dus niet om het welvaartsniveau dat eiseres had op het moment dat zij ziek werd, maar om het welvaartsniveau van eiseres voorafgaand aan de maand waarin zij ziek werd, over een langere periode bezien. Het verdiende SV-loon van eiseres is in feite uitgesmeerd over die referteperiode. Eiseres is in die periode niet aaneengesloten werkzaam geweest. Ook bij [bedrijf] B.V. heeft eiseres minder dan een maand gewerkt. Inherent aan de startersregeling is dat degene die na de start van de werkzaamheden als herintreder deze werkzaamheden staakt en later opnieuw werkzaamheden verricht, nadelige financiële gevolgen ondervindt, omdat bij de dagloonvaststelling ook rekening wordt gehouden met de tussenliggende dagloondagen, ook als daar – zoals in het geval van eiseres – geen loon of minder loon over is genoten. Dat is een omstandigheid waarmee de regelgever bij het opstellen van het Dagloonbesluit rekening heeft gehouden. De rechtbank concludeert daarom dat de uitkomst van de dagloonberekening zoals door het Uwv is uitgevoerd niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Er is dus geen aanleiding om artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit in het geval van eiseres buiten toepassing te laten.
13. De door eiseres aangehaalde uitspraak van de CRvB van 9 januari 2025 leidt niet tot een andere conclusie. In deze uitspraak heeft de CRvB wel aanleiding gezien een bepaling van het Dagloonbesluit buiten toepassing te laten. Echter, deze uitspraak ging over de vaststelling van het dagloon voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Daarbij ging het om een werknemer die in dienst was geweest bij werkgevers die verschillende aangiftetijdvakken hanteerden wat in die situatie leidde tot een onvoorzien dagloonverlagend effect. Daarvan is in dit geval geen sprake.
Wat is de conclusie en gevolgen?
14. De rechtbank concludeert dat het Uwv het WIA-dagloon in het bestreden besluit juist heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Azmi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.