RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/610505 / KL ZA 26-108
Vonnis in kort geding van 22 april 2026
in de zaak van
1. [eiser sub 1] BV,
te [vestigingsplaats] ,2. [eiser sub 2] BV,
te [vestigingsplaats] ,3. [eiser sub 3] BV,
te [vestigingsplaats] ,4. [eiseres sub 4] , h.o.d.n. [handelsnaam 1],
te [vestigingsplaats] ,5. [eiseres sub 5] , h.o.d.n. [handelsnaam 2],
te [vestigingsplaats] ,6. [eiseres sub 6] h.o.d.n. [handelsnaam 3],
te [vestigingsplaats] ,7. [eiser sub 7] h.o.d.n. [handelsnaam 4],
te [vestigingsplaats] ,8. [eiseres sub 8] h.o.d.n. [handelsnaam 5],
te [vestigingsplaats] ,9. [eiser sub 9],
te [woonplaats] ,10. [eiser sub 10],
te [woonplaats] ,11. [eiser sub 11],
te [woonplaats] ,12. [eiser sub 12],
te [woonplaats] ,13. [eiser sub 13],
te [woonplaats] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [eisers c.s.] ,
advocaat: mr. R.H.U. Keizer,
tegen
1. de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE WIJDEMEREN,
te Loosdrecht,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
hierna te noemen: Gemeente Wijdemeren,
advocaat mr. L.J. Wildeboer en mr. L.F. Dröge,
2. de publiekrechtelijke rechtspersoon
CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,
te Den Haag,
voegende partij in de hoofdzaak,
verzoekende partij in het incident,
hierna te noemen: COA,
advocaat mr. J. Zweers.
1. De procedure in de hoofdzaak en in het incident
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de voorafgaande aan de mondelinge behandeling ingediende incidentele vordering van COA om zich in de procedure te mogen voegen aan de zijde van Gemeente Wijdemeren
- de reactie van [eisers c.s.] op de incidentele vordering
- de mondelinge behandeling van 22 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De beslissing luidt zoals hieronder is bepaald en deze is ter zitting mondeling aan partijen meegedeeld. Tevens is gezegd dat zij op 23 april 2026 om 10.00 uur contact met de griffie van de rechtbank Midden-Nederland, handelskamer, kunnen opnemen voor de schriftelijke uitwerking van de beslissing.
2. De beoordeling
In het incident
De incidentele vordering tot voeging zal worden toegewezen, nu is voldaan aan de vereisten van artikel 217 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en [eisers c.s.] zich hebben gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter.
Omdat in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij is te beschouwen, zal worden bepaald dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.
In de hoofdzaak
Op zichzelf is het mogelijk voor een gemeente om op korte termijn asielzoekers op te vangen door een besluit te nemen om mee te werken aan de realisatie van noodopvang van asielzoekers en een gedoogbesluit te nemen. Tegen een dergelijk gedoogbesluit staat in de regel geen bestuursrechtelijk middel open. Inwoners van de gemeente die belanghebbende zijn in de zin van de AWB, kunnen echter een verzoek tot preventieve handhaving doen, dat ertoe strekt te voorkomen dat asielzoekers worden opgevangen. Daarmee verzoeken zij om een besluit dat hen een rechtsingang bij de bestuursrechter biedt. Tegen een afwijzend besluit kunnen zij immers bezwaar en beroep instellen en daarbij een voorlopige voorziening indienen, waaronder een verbod om asielzoekers op te vangen. Op het op 21 april 2025 gedane handhavingsverzoek is nog geen besluit genomen, zodat in het onderhavige geval voor de civiele rechter, als restrechter, wel een taak is weggelegd. Dit betekent dat eisers wel ontvankelijk zijn in hun vordering. Daar doet niet aan af dat de gemeente heeft aangegeven op korte termijn wel een beslissing te kunnen nemen op het handhavingsverzoek.
De voorzieningenrechter ziet onder ogen dat sprake is van een crisis in de asielopvang in Nederland. Dit volgt uit de noodoproep van de minister van Asiel en Migratie van 26 maart 2026 aan alle gemeenten, als gevolg van sluiting van diverse (nood)opvang locaties. Uit de gedoogbeschikking tijdelijke noodopvang [adres] volgt dat het College van mening is dat sprake is van een zwaarwegend humanitair en maatschappelijk belang dat noopt tot een tijdelijke gedoogsituatie. De gekozen locatie kan op korte termijn voorzien in de taakstelling van de gemeente op een humane manier, terwijl de gemeente nog niet voldoet aan haar migratieopgave. Dit betekent dat de gemeente een legitiem belang heeft om op korte termijn asielzoekers op te vangen. Vaststaat dat voor de noodopvanglocatie geldt dat de [adres] als tijdelijke noodopvanglocatie voor asielzoekers in strijd is met de bestemming van het geldende Omgevingsplan Wijdemeren en dat strikt genomen daarvoor een omgevingsvergunning is vereist. Daarnaast geldt er een zwaarwegend belang bij inspraak en bestuursrechtelijke bescherming van omwonenden te aanzien van het besluit om voor 6 maanden 110 asielzoekers op te vangen. Door de gedoogbeschikking, waar geen rechtsmiddel tegen openstaat, komt die bestuursrechtelijke bescherming in de knel. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu het hier slechts gaat om een tijdelijke maatregel van zes maanden (van 22 april tot en met 31 oktober 2026), het maatschappelijk belang bij onderhavige opvang voorgaat, boven de belangen van eisers bij strikte handhaving van de toepasselijke regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
Het gevolg is dat de vordering van [eisers c.s.] zal worden afgewezen.
[eisers c.s.] zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, hoofdelijk, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, bestaande uit € 735,00 voor griffierecht en € 1.177,00 aan salaris advocaat, derhalve in totaal € 1.912,00, voor zowel Gemeente Wijdemeren als COA.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter
In het incident
staat COA toe zich te voegen in de procedure in de hoofdzaak aan de zijde van Gemeente Wijdemeren,
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt in het incident,
In de hoofdzaak
wijst de vordering af,
veroordeelt [eisers c.s.] , hoofdelijk, in de proceskosten aan de zijde van Gemeente Wijdemeren begroot op € 1.912,00,
veroordeelt [eisers c.s.] , hoofdelijk, in de proceskosten aan de zijde van COA begroot op € 1.912,00,
verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
4510