RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16/251560-24 en 16/221216-22 (vord. tul)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 april 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2003] in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] , [woonplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [woonplaats] ,hierna: de verdachte.
1. ZITTING
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 3 april 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. TENLASTELEGGING
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 2 juni 2024 in [woonplaats] samen met (een) ander(en) een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht bij een woning aan de [adres] , waarbij gevaar voor personen en goederen te duchten was;
feit 2
op 21 augustus 2024 in Lelystad zich met (bedreiging met) geweld heeft verzet tegen ambtenaren [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] door die [benadeelde 2] omver te lopen en/of te duwen en/of zich met kracht van die [benadeelde 1] los te trekken, met letsel tot gevolg;
feit 3
op 18 november 2024 in Lelystad opzettelijk 54,66 gram heroïne en/of 100,18 gram cocaïne, aanwezig heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. BEWIJS
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle feiten heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1 en 2. De advocaat voert geen verweer over het bewijs met betrekking tot feit 3.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat alle feiten zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Bewijsoverweging feit 1
Wat is er gebeurd?
In de nacht van 2 juni 2024 heeft een ontploffing voor de deur van de woning aan de [adres] plaatsgevonden, waarna er brand is ontstaan aan de voorzijde van de woning. Er waren meerdere personen aan het slapen in de woning, waaronder jonge kinderen. Zij konden ontkomen en de brand is snel geblust door een oplettende buurman. Gelijk hierna heeft de politie forensisch onderzoek verricht. In de buurt van de woning zijn blauwe doppen, delen van flessen, stukken tape en snippers vuurwerk aangetroffen. De snippers vuurwerk zijn als restanten van een super cobra 6 herkend. Verder is er voor de woning aan de [adres] onder een auto een fles met gele vloeistof aangetroffen. Deze sporendragers zijn vervolgens door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) onderzocht.
DNA-onderzoek
Van de blauwe dop die bij [adres] lag, werd een bemonstering genomen. Uit deze bemonstering (SIN: AARL6 106NL#01) is een DNA-profiel verkregen van (minimaal) één persoon. Het DNA-profiel uit de bemonstering is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – de verdachte de donor is dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat de verdachte donor is van het celmateriaal op de blauwe dop.
Van het restant flessenhals schroefdraad werd een bemonstering genomen. Uit deze bemonstering (SIN AARL6106NL#01) is een DNA-profiel verkregen van (minimaal) één persoon. Het DNA-profiel uit de bemonstering is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – de verdachte de donor is dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat de verdachte donor is van het celmateriaal op de restant flessenhals schroefdraad.
Onderzoek telefoon en medeplegen
Naar aanleiding van de uitkomsten van de DNA-onderzoeken is onder andere een telefoon (iPhone 11) onder de verdachte in beslag genomen. Op deze telefoon, waarvan de politie onderbouwd aangeeft dat het zeer aannemelijk is dat het de telefoon van de verdachte betreft, zijn meerdere gegevens aangetroffen die de verdachte aan deze ontploffing linken:
Op 2 juni 2024 om 14:28 uur heeft Snapchat contact ‘ [Snapchat contact 1] ’ een foto aan de verdachte verstuurd van een persoon die volgens de politie ‘veel kenmerken’ heeft van de verdachte en waarvan de politie op pagina 145 van het dossier concludeert dat dit de verdachte is. Op deze foto is te zien dat deze persoon een explosief vasthoudt van vier flessen met blauwe doppen waarop met zwarte tape vijf stuks cobra 6 vuurwerk zijn geplakt. Dit betreft een soortgelijk explosief als die bij de woning aan de [adres] is gebruikt;
Er is een notitie aangetroffen met het adres waar de ontploffing heeft plaatsgevonden, namelijk [adres] . Deze notitie is op 2 juni 2024 om 00:05 uur gewijzigd. De ontploffing heeft kort na de wijziging plaatsgevonden;
er is een screenshot van Omroep Flevoland van 2 juni 2024 om 10:40 uur inhoudende een nieuwsbericht van een explosie op de [straat] aangetroffen;
Er is een chatgesprek met een persoon genaamd [A] aangetroffen. Dit betreft vermoedelijk de vriendin van de verdachte. Uit dit gesprek volgt dat op 2 juni 2024 om 00:58 uur vanaf de telefoon van de verdachte een bericht aan [A] is verstuurd waarin staat dat hij moet wachten om nog iets te doen. De volgende ochtend stuurt [A] een bericht bij een afbeelding van een explosie op de [straat] met de tekst “dese toch”.
Beoordeling rol verdachte
De rechtbank oordeelt dat het gelet op deze bewijsmiddelen in samenhang bezien niet anders kan dan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde ontploffing. De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring tegenover de uitkomsten van de DNA-onderzoeken en de uitkomsten van het onderzoek naar de telefoon gesteld. De verdachte heeft slechts – kort – ontkend er iets mee te maken hebben gehad en zich veelal op zijn zwijgrecht beroepen, ondanks herhaaldelijke vragen van de rechtbank hierover. Uit de hierboven genoemde foto die de verdachte op 2 juni 2024 heeft ontvangen van [Snapchat contact 1] , blijkt bovendien dat de verdachte niet alleen te werk is gegaan. Een ander heeft de foto immers gemaakt en aan de verdachte gestuurd. De verdachte ontkent weliswaar dat hij degene is die is te zien op deze foto, maar de rechtbank gaat er op basis van de bevindingen van de politie en het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte dat het anders zit van uit dat dit weldegelijk de verdachte is. De rechtbank oordeelt dat daaruit volgt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een onbekende derde, en dus van medeplegen. De rechtbank is gesterkt in haar overtuiging door de chats met [Snapchat contact 1] uit mei 2024 over samenwerking bij het teweegbrengen van ontploffingen.
Gemeen gevaar voor goederen en personen
Uit het forensisch onderzoek volgt dat sprake is van gemeen gevaar voor goederen als gevolg van de ontploffing, gezien het schadebeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is ook levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten geweest. De politie heeft namelijk geconstateerd dat de brand bij de voordeur zich naar de binnenzijde van de woning of woningen had uitgebreid als deze niet door snel ingrijpen van de buurman was geblust. De brand is ontstaan in de nachtelijke uren, terwijl de bewoners thuis waren en lagen te slapen. Hieruit volgt dat levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voorzienbaar waren als gevolg van de ontploffing en de daarop volgende brand.
De rechtbank acht feit 1 dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Conclusie
De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
Feit 1 op 2 juni 2024 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderenopzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht (aan de woning gelegen aan de [adres] ) door een of meer stukken vuurwerk (Cobra), flessen met brandbaar en/of explosief materiaal, althans een vuurwerk-brandstofcombinatie, tegen/bij voornoemde woning te plakken/plaatsen en aan te steken, waardoor het vuurwerk tot ontploffing is gebracht, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en - levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van voornoemde woning, te duchten was;
Feit 2 op omstreeks 21 augustus 2024 te Lelystad zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [benadeelde 2] (brigadier Eenheid Midden-Nederland) en [benadeelde 1] (hoofdagent Eenheid Midden-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten de staandehouding en de inbeslagname van de telefoon verdachte, door - die [benadeelde 2] omver te lopen en te duwen waardoor die [benadeelde 2] op de grond viel en - zich met kracht van die [benadeelde 1] los te trekken en weg te rennen, terwijl die [benadeelde 1] hem, verdachte, nog bij zijn schoudertasje vast hield terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten - een gebroken middelvinger bij die [benadeelde 1] en- schaafwonden op de hand bij die [benadeelde 2] ten gevolge heeft gehad;
Feit 3 op 18 november 2024 te Lelystad opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 54,66 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en ongeveer 100,18 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. KWALIFICATIE EN STRAFBAARHEID
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
Feit 2
wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben, meermalen gepleegd;
Feit 3
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid feiten en de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. STRAF
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals beschreven in het reclasseringsrapport van 26 september 2025, met uitzondering van het contact- en locatieverbod met betrekking tot de slachtoffers.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de omstandigheid dat de verdachte bezig is met een behandeling en het op dit moment goed met hem gaat. Bij een bewezenverklaring heeft de advocaat bepleit om een gevangenisstraf op te leggen met aftrek gelijk aan de duur van het voorarrest in combinatie met een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals van één en ander op de zitting is gebleken. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Bij de strafbepaling neemt de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft drie ernstige strafbare feiten gepleegd. Om te beginnen heeft hij samen met een ander in de nacht van 2 juni 2024 bij een woning een ontploffing veroorzaakt. Hierbij is gebruik gemaakt van explosieven, namelijk flessen met brandbaar vloeistof en Cobra 6 vuurwerk. De ontploffing heeft bij de voordeur van de woning plaatsgevonden en heeft daar voor een brand gezorgd. Naast het feit dat de woning hierdoor is beschadigd, is door deze actie een bijzonder gevaarlijke situatie ontstaan. Het is niet aan de verdachte te danken dat de ontploffing ‘slechts’ tot materiële schade en niet ook tot gewonden of zelfs doden heeft geleid. Deze brand is namelijk door snel ingrijpen van een overbuurman met een brandblusser geblust. In de woning verbleef een gezin met kinderen, waarvan de jongste nog geen twee jaar oud was. Een dergelijke explosie is allereerst uiterst bedreigend en beangstigend geweest voor de bewoners van de woning, een plek waar men zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. Ook leidt zo'n ontploffing voor omwonenden en in algemene zin in de samenleving tot onrust en gevoelens van angst en onveiligheid. Dit blijkt ook uit het handelen van de omwonenden. De buurtbewoners hebben deze ontploffing ook gehoord en zijn midden in de nacht de straat op gegaan.
Vervolgens heeft de verdachte zich bij zijn staandehouding in verband met dit incident verzet tegen twee verbalisanten. De verdachte heeft door zijn handelen niet alleen letsel toegebracht aan de verbalisanten, maar ook het werk van de politie bemoeilijkt en geen respect getoond voor het openbaar gezag.
Tot slot is er in de woning van de verdachte een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs (cocaïne en heroïne) aangetroffen. Er zijn aanwijzingen in het dossier dat de verdachte betrokken was bij dealen in harddrugs. Harddrugs veroorzaken overlast en schade voor de maatschappij, en vormen een bedreiging voor de volksgezondheid.
De rechtbank rekent de verdachte zijn betrokkenheid bij de ontploffing zwaar aan. Uit het handelen van de verdachte blijkt verder dat hij lak heeft aan geldende regels en openbaar gezag. De verdachte liep ten tijde van deze feiten al in een proeftijd, maar dat heeft hem niet er niet van weerhouden om wederom strafbare feiten te plegen. Het baart de rechtbank dan ook zorgen dat de verdachte geen openheid van zaken en inzicht in zijn handelen heeft gegeven, terwijl hij wel zegt zijn leven te willen beteren.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennisgenomen van:
het strafblad van de verdachte van 24 februari 2026, waaruit blijkt dat hij in 2022 voor het voorhanden hebben van wapens en softdrugs is veroordeeld;
een rapport van de psycholoog van 16 mei 2025;
een rapport van de psychiater van 7 mei 2025;
een reclasseringsrapport ten behoeve van de rechtszitting van 26 september 2025, opgemaakt door de reclasseringswerker van Reclassering Nederland;
een e-mail van 1 april 2026 van de reclasseringswerker van Reclassering Nederland met een update over het verloop van het schorsingstoezicht;
Rapporten psycholoog en psychiater
De psycholoog en psychiater concluderen in hun rapporten dat bij de verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid. De psycholoog concludeert in aanvulling daarop dat ook sprake is van een ongespecificeerde cannabisstoornis. De stoornissen waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde, maar of dit de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloedden, kan niet worden aangetoond. De psycholoog verklaart enkel over feit 3, het voorhanden hebben van harddrugs, dat dit past binnen het kader van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, maar dat er geen reden is aan te nemen dat er sprake zou zijn van verminderde toerekeningsvatbaarheid. De verdachte wist namelijk waar hij mee bezig was en wat dit betekende. Zowel de psycholoog als de psychiater adviseren om het tenlastegelegde volledig aan de verdachte toe te rekenen. De psycholoog en psychiater hebben geen suggesties ten aanzien van een behandeling die onderbouwd bij zou kunnen dragen aan het terugdringen van het recidiverisico en/of een juridisch kader waarbinnen mogelijke interventies plaats zouden kunnen vinden. Zij achten echter praktische hulpverlening, zoals door de reclassering, wel zinvol. De verdachte loopt namelijk vast op verschillende levensgebieden.
Reclasseringsrapport
De reclassering sluit zich aan bij de bevindingen van de psycholoog en psychiater. De reclassering adviseert om bij een bewezenverklaring een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling door ForFact, begeleid wonen of maatschappelijk opvang, contact- en locatieverbod (indien gewenst), dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverlening en inzicht geven in zijn sociale netwerk. Uit de update van de reclassering blijkt dat de verdachte inmiddels is gestart met behandeling door ForFACT en hulpvragen heeft geformuleerd. Mede door de betrokkenheid van Kwintes heeft de verdachte een uitkering, postadres en is hij schuldenvrij. De verdachte komt zijn behandelafspraken en de afspraken met de reclassering na.
Conclusie over de toerekenbaarheid
De rechtbank is met de psycholoog en psychiater van oordeel dat het bewezenverklaarde volledig aan de verdachte kan worden toegerekend.
Straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezen verklaarde feiten, mede vanuit een oogpunt van normbevestiging en generale preventie in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Naar het oordeel van de rechtbank zal dit een aanzienlijk langere gevangenisstraf moeten zijn dan de 246 dagen die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Dit zeker gelet op de ernst van feit 1 en het feit dat de verdachte reeds eerder voor een soortgelijk feit als feit 3 is veroordeeld. De rechtbank ziet echter in het licht van de speciale preventie en gelet op de over de verdachte opgemaakte rapportages aanleiding de gevangenisstraf deels in voorwaardelijke vorm op te leggen. Het doel van de voorwaardelijke gevangenisstraf en de daaraan te verbinden bijzondere voorwaarden is om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank weegt hierbij mee dat de schorsing goed is verlopen en de verdachte al bezig is met de ambulante behandeling bij ForFact en dit goed lijkt te gaan.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van 30 maanden op, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank legt gelet op het voorgaande, naast de geldende algemene voorwaarden, de bijzondere voorwaarden op zoals door de reclassering geadviseerd in de rapportage van 26 september 2025 (met uitzondering van het contact- en locatieverbod met slachtoffers, omdat niet is gebleken dat dit noodzakelijk is) en zoals hieronder vermeld.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.
6. IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen iPhone 11 verbeurd te verklaren. Verder heeft zij gevorderd om de iPhone SE aan de rechthebbende terug te geven. Met betrekking tot het kladblok met getekend plan voor ram/plofkraak, het papiertje met gegevens 80 jarige en de verdovende middelen heeft zij gevorderd om deze te onttrekken aan het verkeer.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen standpunt ingenomen over de in beslag genomen voorwerpen.
Oordeel van de rechtbank
Teruggave rechthebbende
De rechtbank zal teruggave gelasten van het in beslag genomen voorwerp, te weten een telefoontoestel (omschrijving: PL0900-2024173087-3392424, wit, merk: Apple), aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende van dit voorwerp kan worden aangemerkt.
Verbeurdverklaring
De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten een telefoontoestel (omschrijving: PL0900-2024173087-G3392420, groen, merk: Apple) verbeurd verklaren. Met behulp van deze telefoon is het onder 1 bewezen verklaarde feit voorbereid.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal de volgende in beslag genomen voorwerpen onttrekken aan het verkeer:
1 STK papier (omschrijving: PL0900-2024173087-G3438419 kladblok met getekend plan voor ram/plofkraak);
1 STK papier (omschrijving: PL0900-2024173087-G3438434 los papiertje met gegevens van 80 jarige);
3 STK cocaïne (omschrijving: PL0900-2024173087-G3438411 3x zak waarvan 1x groot brok wit, 1x70 bolletje, 1x 33 bolletje);
3 STK heroïne (omschrijving: PL0900-2024173087-G3438407 3 zak waarvan 1 met groot blok, 1 met 27 bol, 1 met 65 bol).
Met behulp van de verdovende middelen is het onder 3 bewezen verklaarde feit begaan terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Met betrekking tot het kladblok en papier met gegevens is het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd met de wet of het algemeen belang, terwijl deze spullen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane feit zijn aangetroffen. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.
7. VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJEN
Vordering van de benadeelde partijen
[benadeelde 2]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.020,-, bestaande uit € 770,- aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade, ten gevolge van de wederspannigheid.
[benadeelde 1]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 2.357,-, bestaande uit € 657,- aan materiële schade en € 1.700,- aan immateriële schade, ten gevolge van de wederspannigheid.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] , met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zij aangevoerd dat de immateriële schade dient te worden verminderd naar € 1.400,- en de immateriële schade geheel moet worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] bepleit dat de materiële schade dient te worden afgewezen, omdat de bijgevoegde bon onleesbaar is. Wat betreft de immateriële schade heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de advocaat bepleit dat de materiële schade dient te worden afgewezen, omdat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de advocaat bepleit dat het verzochte bedrag moet worden verminderd.
Oordeel van de rechtbank
[benadeelde 2]
Materiële schade
De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezen verklaarde feit. De rechtbank acht de schade aan het horloge een rechtstreeks gevolg van het incident. Er is een voldoende duidelijke bon van de reparatie van het horloge bij de vordering gevoegd. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van de materiële schade van € 770,- daarom toe. De verdachte wordt veroordeeld tot betaling van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente gerekend vanaf 13 september 2024 tot aan de dag van volledige betaling.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte onder feit 2 gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding van € 250,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe. De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe gerekend vanaf 21 augustus 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor de betaling van de vordering zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.020,-. De vergoeding van de schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf de data zoals hierboven vermeld, tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 20 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
Proceskosten
De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
[benadeelde 1]
Materiële schade
De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezen verklaarde feit. De rechtbank acht de schade wegens behoefte aan huishoudelijke hulp een rechtstreeks gevolg van het incident. Door het letsel dat de benadeelde partij door het incident heeft opgelopen was hij voor een periode voor een groot deel beperkt in het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden. De benadeelde partij en zijn partner hadden een verdeling van de huishoudelijke taken. Echter kon de benadeelde partij hier vanwege zijn letsel niet meer aan bijdragen, waardoor de last volledig op de partner kwam te rusten. Op basis van de geïndexeerde Richtlijn Huishoudelijke hulp van de Letselschade Raad gelden hiervoor normbedragen per week. De rechtbank acht het gevorderde bedrag voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade van € 657,- daarom toe. De verdachte wordt veroordeeld tot betaling van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente gerekend vanaf 21 augustus 2024 tot aan de dag van volledige betaling.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte onder feit 2 gepleegde strafbare feit. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.
In deze zaak heeft de benadeelde partij letsel aan zijn middelvinger opgelopen. De benadeelde partij kampt op dit moment nog steeds met de gevolgen. De rechtbank zal gelet op de omschrijving van het letsel aansluiting zoeken bij categorie i (smartengeld vanwege gering letsel aan de hand, vinger of duim). De rechtbank acht de verzochte vergoeding van € 1.700,- aan immateriële schade passend. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag daarom geheel toe en veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke gerekend vanaf 21 augustus 2024 tot aan de dag van volledige betaling.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor de betaling van de vordering zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.357,-. De vergoeding van de schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf de data zoals hieronder vermeld, tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 33 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
Proceskosten
De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
8. VORDERING TOT TENUITVOERLEGGING VAN EEN EERDER OPGELEGDE VOORWAARDELIJKE STRAF
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/221216-22 op 20 december 2022 een gevangenisstraf van vier maanden voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaren.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoek primair om de proeftijd te verlengen en subsidiair om de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een soortgelijk strafbaar feit. Dit betekent dat de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging zal toewijzen en de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier maanden alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
9. TOEGEPASTE WETSARTIKELEN
De opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
10. DE BESLISSING
Strafbaarheid verdachte
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4 is vermeld;
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
Straf
o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
o medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
o zich binnen drie dagen nadat hij in vrijheid is gesteld meldt bij Reclassering Nederland op het adres Middendreef 293 Lelystad. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
o zich laat behandelen door ForFACT of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De verdachte is voor de behandeling in het kader van het schorsingstoezicht aangemeld en in het voorwaardelijk deel kan een de tweede intake worden gepland. De behandeling duurt de gehele
proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de
behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
o meewerkt aan begeleiding van Kwintes of een andere instelling, ook als dat inhoudt beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De begeleiding is in het kader van het schorsingstoezicht reeds start. De begeleiding/het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
o zich inspant voor het vinden en behouden van zinvolle dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
o meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
o inzicht geeft in zijn sociale contacten, zowel online als offline, en daaruit ontstane (on)veiligheid;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden
Beslag (feiten 1 en 3)
- gelast de teruggave aan de rechthebbende van het volgende voorwerp:
o een telefoontoestel (omschrijving: PL0900-2024173087-3392424, wit, merk: Apple);
- verklaart het volgende voorwerp verbeurd:
o een telefoontoestel (omschrijving: PL0900-2024173087-G3392420, groen, merk: Apple);
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
o 1 STK papier (omschrijving: PL0900-2024173087-G3438419 kladblok met getekend plan voor ram/plofkraak);
o 1 STK papier (omschrijving: PL0900-2024173087-G3438434 los papiertje met gegevens van 80 jarige);
o 3 STK cocaïne (omschrijving: PL0900-2024173087-G3438411 3x zak waarvan 1x groot brok wit, 1x70 bolletje, 1x 33 bolletje);
o 3 STK heroïne (omschrijving: PL0900-2024173087-G3438407 3 zak waarvan 1 met groot blok, 1 met 27 bol, 1 met 65 bol);
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 2)
o over een bedrag van € 770,- met ingang van 13 september 2024 tot de dag van volledige betaling;
o over een bedrag van € 250,- met ingang van 21 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;
o over een bedrag van € 770,- met ingang van 13 september 2024 tot de dag van volledige betaling;
o over een bedrag van € 250,- met ingang van 21 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;
- indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 20 dagen gijzeling;
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 2)
Vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (16/221216-22)
Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Piet, voorzitter, mrs. A.J. Reitsma en
J.A. Koorevaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.Z. Turan als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.
De oudste rechter en de griffier zijn niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: de tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1 hij op of omstreeks 2 juni 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht (aan/nabij de woning gelegen aan de [adres] ) door een of meer stukken vuurwerk (Cobra) en/of een of meer flessen met brandbaar en/of explosief materiaal, althans een vuurwerk-brandstofcombinatie, tegen/bij voornoemde woning te plakken/plaatsen en/of aan te steken, waardoor die/dat stuk(ken) vuurwerk tot ontploffing is gekomen/gebracht, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van voornoemde woning, te duchten was;
Feit 2 hij op of omstreeks 21 augustus 2024 te Lelystad, althans in Nederland zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [benadeelde 2] (brigadier Eenheid Midden-Nederland) [benadeelde 1] (hoofdagent Eenheid Midden-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten de staandehouding en/of de inbeslagname van de telefoon van hem, verdachte, door - die [benadeelde 2] omver te lopen en/of te duwen/beuken waardoor die [benadeelde 2] op de grond viel en/of - zich met kracht van die [benadeelde 1] los te rukken/trekken en/of weg te rennen, terwijl die [benadeelde 1] hem, verdachte, nog bij zijn schoudertasje vast hield terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten - een gebroken middelvinger bij die [benadeelde 1] en/of - schaafwonden op de hand bij die [benadeelde 2] ten gevolge heeft gehad;
Feit 3 hij op of omstreeks 18 november 2024 te Lelystad, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 54,66 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 100,18 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Bijlage II: bewijsmiddelen
Feit 1
1. In een proces-verbaal van bevindingen van 3 juni 2024 is – zakelijk weergegeven – het volgende beschreven:
Op 2 juni 2024 omstreeks 1.41 uur bevond ik mij, zonder dienstopdracht, in privétijd, in de omgeving van de [straat] te [woonplaats] . Aldaar hoorde ik rond de genoemde tijd twee zeer harde knallen/explosies kort achter elkaar. De tweede knal was zachter dan de eerste. Kort daarna rook ik een sterke lucht van vermoedelijk brandend rubber.
Nadat bleek dat er geen gewonden waren en geen personen meer binnen waren verklaarde de man in het kort dat er een explosie had plaatsgevonden voor hun voordeur terwijl zij in bed lagen. Hierna zijn zij met de hele familie via de achterzijde de woning uit gevlucht. Hij wees mij de kennelijke plek van de explosie waarbij ik zag dat er op het toegangspad naar de woning van de [adres] een vermoedelijke rubberen mat lag met een groot gat er in. Ik zag dat de grond rondom de mat vochtig was. Ik zag dat de voordeur "los" was dus niet helemaal dicht zat.
Er meldde zich een buurtbewoner bij mij die kort het volgende verklaarde: "Ik woon hier tegenover, ik heb in de beveiliging gewerkt, ik hoorde twee knallen en zag dat er hier ook brand was. Ik ben hier naartoe gegaan en heb met mijn brandblusser de brand geblust." of woorden van gelijke strekking.
Buiten de plaats delict werd ik aangesproken door een man die ik ken als [getuige] , wonende [adres] te [woonplaats] . Hij toonde mij op zijn mobiele telefoon camerabeelden. De volgende dag heeft genoemde Hoogeveen uit eigen beweging een deel van de beelden digitaal aan mij ter beschikking gesteld. Ik zag dat op deze beelden de explosie is vastgelegd exact om 1.41.00 uur volgens de tijdinstelling van de beelden..
2. In een proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] [woonplaats] ) met fotobijlage van 10 juli 2024 is – zakelijk weergegeven – het volgende beschreven:
Voorzijde woning nummer [huisnummer]
Ik zag een transparant flesje van 0,5 liter liggen (foto 6). Ik zag dat het flesje een blauw etiket en dop had. Ik zag dat het flesje voor circa twee-derde gevuld was met een gele vloeistof (foto 7 en 8). Aan het flesje zag ik een stuk zwart tape geplakt. Ik zag dat deze tape aan de
andere zijde zilverkleurig was.
Voorzijde woning nummer [huisnummer]
Ik zag een restant van een blauwe dop liggen (foto 17). Mij is ambtshalve bekend dat dit soort restanten vaak achterblijven na een ontploffing van onder andere een stuk vuurwerk, genaamd "Super Cobra 6".
Voorzijde woning nummer [huisnummer]
Op de gevel zag ik vanaf beneden naar boven een zwarte zweem van roetaanslag over de woning (foto 18). Op de voordeur en het kozijn daaromheen zag ik een zwarte roetaanslag en een witte aanslag van de brandblusser (foto 19). Aan de linkerzijde van de deur zag ik dat de haag deels was weggebrand en deels was zwartgekleurd door roetaanslag (foto 20). Op het betegelde pad, recht voor de voordeur zag ik een zwarte rubberen mat liggen (foto 22). In het midden van de mat zag ik een gat van circa 25 centimeter (foto 23 en 24). Ik zag dat de
randen van het gat waren aangetast door hitte. Op het pad tussen de ingang van de
voortuin en de voordeur zag ik meerdere restanten zwarte tape liggen (foto 25 en 26)
Ik zag dat de tape aan de andere zijde zilverkleurig was. In het begroeide deel van de
voortuin zag ik meerdere restanten tape en vuurwerk liggen. Ik herkende de snippers
vuurwerk als restant van het stuk vuurwerk genaamd "super cobra 6". In dit deel van de
voortuin zag ik een deel, de hals met schroefgedeelte, van een drinkflesje liggen. Ik
zag dat het schroefgedeelte van de hals niet aangetast en intact was. Ik zag dat de
andere zijde zwart gekleurd en aangetast door hitte was.
In het midden van de voortuin zag ik een blauwe dop liggen (foto 27 t/m 30). Ik zag
dat deze dop lichtblauw van kleur was. Ik zag dat deze dop vermoedelijk van een
drinkflesje was.
Interpretatie van bevindingen
De door mij aangetroffen snippers en restanten blauwe dop geven een indicatie van het
gebruik van minimaal één stuk vuurwerk "super cobra 6". Gezien de schade aan de haag, zwart geblakerde geven van de woning en de getuigen wie een brand in de voortuin heeft geblust met een brandblusser is er met zekerheid te zeggen dat er een brand is geweest aan de voorzijde van de woningen. in de flesjes en restanten hiervan zal zeer waarschijnlijk een brandbare vloeistof hebben gezeten welke als brandstof voor de brand heeft gediend. Als deze flesjes met brandbare vloeistof aan het stuk vuurwerk wordt getapet spreek je van een zogenaamde vuurwerk-brandstofcombinatie (VBC). Gezien het aantreffen van de restanten tape op de PD en een stuk tape aan een intact flesje is het zeer waarschijnlijk dat de flesjes aan het stuk vuurwerk vastzaten. Gezien de schade aan de deurmat en het brandbeeld op de voordeur en het kozijn zal de VBC vlak voor de voordeur tot ontploffing zijn gekomen.
Gevaarzetting
Gezien het schadebeeld aan de woningen, voertuig voor woning met huisnummer [huisnummer] en de
voortuinen is er zeker sprake van gemeen gevaar voor goederen zoals bedoeld in
artikel 157 onder 1e lid wetboek van strafrecht.
Gezien de roetaanslag op de gevel over de gehele hoogte van de woning en de
brandschade in de haag is er alleen door snel ingrijpen met een brandblusser
voorkomen dat de brand snel heeft kunnen uitbreiden. Mocht de brand zich hebben
uitgebreid is er niet te voorkomen dat de brand zich naar de binnenzijde van de
woning of woningen uitbreid. Hierom is er na deze explosie tevens levensgevaar of
gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was geweest als
bedoeld in artikel 157 onder 2e lid wetboek van strafrecht.
Sporendragers
Goednummer: PL0900-2024173087-3353496
SIN: AARL6112NL
Relatie met SIN: AARL 6106NL
Object: Fles
Aantal/eenheid: 1 stuk
Verpakking: Breathable bag
Inhoud/specificatie: Blauwe dop, vermoedelijk van drinkfles
Bijzonderheden: Aangetroffen op perceel 142 voortuin
Goednummer: PL0900-2024173087-3353498
SIN: AARL6108NL
Relatie met SIN: AARL6114NL
Object: Fles
Aantal/eenheid: 1 stuk
Verpakking: Breathable bag
Inhoud/specificatie: Restant flessenhals plastic met schroefdraad
3. Een deskundigenrapport van het NFI: “DNA-onderzoek naar aanleiding van
een explosie in Lelystad op 2 juni 2024” van 22 juli 2024 opgesteld door drs. T.A. Hopman, NFI-deskundige forensisch DNA-onderzoek, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde deskundige:
4. Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek
5. Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek
AARL6106NL#01 (blauwe dop perceel 142) en AARL6114NL#01 (restant flessenhals schroefdraad)
Voor deze bemonsteringen is de bewijskracht ten aanzien van [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonsteringen DNA bevatten van één persoon.
DNA-profiel AARL6106NL#0l is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.
DNA-profiel AARL6114NL#0l is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.
4. In een proces-verbaal van bevindingen van 30 september 2024 is – zakelijk weergegeven – het volgende beschreven:
Omschrijving gegevensdrager
Soort: Gsm-telefoon
Merk: Apple
Type: iPhone 11
Wie is de gebruiker van de telefoon?
Het toestel is in beslag genomen onder [verdachte] . Op het toestel zijn meerdere chats
aangetroffen waarbij de gebruiker werd aangesproken als [verdachte] . Ook zijn er meerdere
afbeeldingen van [verdachte] op het toestel aanwezig. Voor het onderzoeksteam is het zeer
aannemelijk dat [verdachte] de gebruiker betreft.
Welke informatie staat er op de telefoon omtrent de explosie aan de [adres] te [woonplaats] op 2 juni 2024?
Ik zag een chat op Snapchat tussen [Snapchat contact 2] de gebruiker van de telefoon, met [Snapchat contact 1] . Het is mij onbekend wie [Snapchat contact 1] betreft. In het politiesysteem is deze naam ook niet te koppelen aan een persoon. In de chat werd door [Snapchat contact 1] een afbeelding gestuurd op 2 juni 2024 om 14:28:51 uur. Dit is een dag na de explosie. Op de afbeelding is een persoon te zien welke veel kenmerken heeft van [verdachte] , zoals huidskleur en soort baard. Deze persoon heeft een explosief in zijn handen van 4 flessen met zwart tape en 5 cobra 6 stukken vuurwerk. Bij de explosie op de [adres] is een explosief gebruikt waarbij flessen zijn gebruikt met blauwe dop en cobra 6 vuurwerk.
Ik zag een notitie welke was gemaakt op 18-5-2024 om 09:21 uur. Ik zag dat deze notitie gewijzigd was op 2-6-2024 om 00:05 uur. Ik zag dat de inhoud van de notitie [adres] betrof. Gezien dit het adres is geweest waar de explosie is geweest en 1:35 uur voor de explosie werd gewijzigd is het aannemelijk dat het adres er toen is ingezet.
Ik zag een screenshot van omroep Flevoland van 2 juni 2024 om 10:40 uur dit betreft het
nieuwsbericht van een explosie op de [straat] te [woonplaats] . Ik zag dat de naam van de afbeelding [bestandsnaam] PNG betrof. Ik zag dat deze afbeelding in de DCIM map stond van de telefoon waar veelal gemaakte foto's of screenshots in komen te staan.
Ik zag een Whatsapp gesprek tussen de gebruiker van het toestel en [A] . Hierin is [A] een vrouw vermoedelijk de vriendin/vrouw van de gebruiker gezien het taalgebruik. Ik zag dat het eerste berichten werd gestuurd op 5 maart 2024. Het laatste bericht werd gestuurd op 21 augustus 2024. Hieronder slechts een deel van het gesprek. Wat opviel is dat de gebruiker op 2 juni 2024 om 00:58 uur een bericht stuurt dat hij moet wachten om nog iets te doen. De volgende ochtend stuurde [A] een afbeelding van een explosie op de [straat] met de tekst "dese toch?"
Op de telefoon werd ook een chat aangetroffen waarbij [verdachte] lijkt aan te sturen en benzine aanlevert voor een explosie aan de [adres] te [woonplaats] op 1 mei 202 (de rechtbank begrijpt: 2024) en 4 mei 2024. In die chat werden ook filmpjes doorgestuurd van de explosie. (…)
Voor het onderzoeksteam is het zeer waarschijnlijk dat [verdachte] betrokken is bij de explosie aan de [adres] te [woonplaats] gezien de vele informatie in de telefoon.
5. In een proces-verbaal van bevindingen van 24 november 2024 is – zakelijk weergegeven – het volgende beschreven:
In het voorgeleidingsdossier waren de chatgesprekken uit documentcode: MD2R024111-21 onderzoek Iphone 11 niet goed leesbaar. Ik heb deze chatgesprekken welke gevoegd zijn hieronder opnieuw bijgevoegd zonder kleur waardoor deze nu leesbaar zijn. Voor het verhaal achter de chats verwijs ik naar het oorspronkelijke document.
Chatgesprek via Whatsapp tussen gebruiker en [A] .
Feit 2
1. In een proces-verbaal van bevindingen van 22 augustus 2024 is – zakelijk weergegeven – het volgende beschreven:
Dit betreft een aanvullend proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van de actie op 21 augustus 2024 op genoemde locatie ( [adres] [woonplaats] ).
Ik zag ik [verdachte] staan op straat.
Collega [benadeelde 2] en ik besloten om ons voertuig te verlaten en op te lopen richting het subject, met als doel hem staande te houden en zijn telefoon(s) in beslag te nemen, zoals de opdracht was. Het subject staat bekend als vuurwapengevaarlijk', 'vluchtgevaarlijk' en hij zou zich bezig houden met explosieven. Ten behoeve van deze informatie vooraf droeg ik, samen met collega [benadeelde 2] , een veiligheidsvest onder onze burgerkleding en droegen wij herkenbaar onze 'gele band met opdruk POLITIE'.
Ik liep vervolgens op, samen met collega [benadeelde 2] . Wij staken tegelijkertijd in een v-vorm de straat over en riepen [verdachte] aan: "Politie, staan blijven". Ik zag op het moment dat wij opliepen dat hij ons aankeek en het direct op een rennen zetten. Ik zag dat hij in de richting van collega [benadeelde 2] rende. Ik zag dat [verdachte] collega [benadeelde 2] omver liep, waardoor collega [benadeelde 2] op de grond viel. Op dat moment reikte ik uit met mijn linkerarm om [verdachte] te kunnen pakken en staande te kunnen houden.
Op het moment dat ik [verdachte] met mijn linkerhand vastgreep aan zijn bovenkleding, voelde ik dat hij zich probeerde los te rukken van mijn en voelde ik dat hij zijn volledige lichaam inzette om te kunnen ontkomen. Ik kon geen grip houden op zijn bovenkleding, omdat het allemaal supersnel ging. Ik merkte dat hij zich los trok en ik kon op dat moment, al rennend, nog net zijn schoudertasje die hij droeg vastpakken waardoor hij op de grond viel. Echter, doordat ik nog net aan zijn schoudertasje vast kon pakken, bleef mijn middelvinger van mijn linkerhand hangen aan zijn schoudertasje. Ik merkte en voelde dat hij nog steeds zijn gehele lichaam inzette om te kunnen ontkomen. Ik voelde op dat moment een enorme pijnscheut in mijn middelvinger en merkte op dat deze volledig naar achteren schoot.
.
Ik merkte op dat de pijn in mijn linker middelvinger steeds heftiger werd. Hierop heb ik vervolgens de Huisartsenpost in Lelystad gebeld en daar kon ik al vrij snel terecht (19.00 uur). Aldaar vertelde de arts mij dat zij een foto wilde laten maken voor de zekerheid, omdat het er niet goed uit zag. Ik ben vervolgens doorgestuurd naar het ziekenhuis in Harderwijk.
Aldaar kwam ik even later aan en heb ik een foto laten maken van mijn middelvinger, met als resultaat: een breuk in mijn middelvinger, welke vervolgens gespalkt is en betekend, zes (6) weken hersteltijd.
2. In een proces-verbaal van bevindingen van 18 september 2024 is – zakelijk weergegeven – het volgende beschreven:
Actie van 21 augustus 2024, locatie [adres] te [woonplaats] .
Wij droegen wij onder onze burgerkleding een veiligheidsvest en droegen een gele band met daarop het opdruk "POLITIE". Tevens droeg ik een T-shirt met het opdruk ''POLITIE".
Ik liep vervolgens samen op met verbalisant [benadeelde 1] in de richting van subject [verdachte] . Bij dit oplopen riepen wij subject [verdachte] aan met het bevel: "Politie, staan blijven". Tijdens het oplopen in de richting van subject [verdachte] zag ik dat hij ons aankeek en direct ging wegrennen en in de richting van mij rende. Teneinde zijn vlucht te voorkomen, spreidde ik, mijn armen en trachtte subject [verdachte] te stoppen. Ik, probeerde de vluchtroute van subject [verdachte] te blokkeren, doch door zijn zig-zag rennende beweging liep hij mij omver terwijl ik hem trachtte te stoppen. Ik voelde dat subject [verdachte] tegen mij aanliep. Op dat moment pakte ik subject [verdachte] vast. Ik zag en voelde dat subject [verdachte] zich al lopend trachtte te onttrekken aan zijn staande houding, door te rukken en te trekken waardoor ik ten val kwam. Op het moment dat ik ten val kwam zag ik dat verbalisant [benadeelde 1] met zijn linkerhand subject [verdachte] vastgreep, ten einde zijn vlucht te stoppen.
Op het moment dat ik omver was gelopen door subject [verdachte] , voelde ik onmiddellijk hevige pijn in mijn linkerknie en linkerhand. Direct nadat het subject [verdachte] was staande gehouden zag ik dat ik letsel en schade had ten gevolge van deze ambtsverrichting.
Ik zag namelijk dat mijn linker broekspijp ter hoogte van de linkerknie gescheurd was, een schaafwond was ontstaan op mijn linkerknie te grootte van ongeveer 5 bij 5 centimeter, dat de knokkels van mijn linkerhand geschaafd waren en dat mijn horloge was beschadigd.
Feit 3
De verdachte bekent dat hij het feit, namelijk het voorhanden hebben van harddrugs heeft gepleegd, zoals dit bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
- een kennisgeving van inbeslagneming van 18 november 2024;
- een kennisgeving van inbeslagneming van 18 november 2024;
- een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 6 januari 2025 met de rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut als bijlagen.