De last onder dwangsom
Is sprake van een overtreding?
8. Voor beoordeling van de vraag of in deze zaak sprake is van een overtreding is van belang dat uit artikel 5.1 van de Omgevingswet, kort samengevat, volgt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit of een bouwactiviteit te verrichten. Uitzonderingen op deze vergunningplichten zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het omgevingsplan.
9. Het informatiebord bestaat uit 3 palen van 3 m hoogte, met daartussen twee panelen van 2,4 m hoog. Het totale informatiebord is 4,10 m breed. Het informatiebord voldoet daarmee niet aan de uitzondering van het Bbl omdat het bouwwerk hoger is dan 1 meter en de oppervlakte meer is dan 2 m2. Het bord is derhalve vergunningsplichtig. Niet in geschil is dat eiser niet over een vergunning beschikt. Daarmee staat vast dat sprake is van een overtreding.
Valt het strijdige gebruik onder het overgangsrecht?
10. Eiser heeft aangevoerd dat er altijd al (naam)borden op het perceel hebben gestaan. Het informatiebord stond er al bij het vaststellen van het nieuwe bestemmingsplan en valt dus onder het overgangsrecht.
11. Het bestemmingsplan, dat nu deel uitmaakt van het omgevingsplan, is op 16 december 2010 vastgesteld. Het informatiebord stond toen al op het perceel. Het college stelt zich op het standpunt dat het overgangsrecht niet van toepassing is. Uit de overgangsregels van het bestemmingsplan volgt namelijk dat het overgangsrecht niet van toepassing is op ‘bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van het plan’ en ‘het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan’.In het voorheen geldende bestemmingsplan “Kom Muiderberg, herziening 1984” waren de gronden ter plaatse van het informatiebord bestemd voor boomgroepen, waterpartijen, struweel en andere groenvoorzieningen (…). Het informatiebord was dus ook in strijd met dit voorheen geldende bestemmingsplan.
12. De rechtbank kan dit standpunt van het college volgen. Bovendien is van belang dat op eiser de plicht rust om aannemelijk te maken dat het overgangsrecht van toepassing is. Het alleen aangeven dat het informatiebord al op het perceel stond bij het vaststellen van het nieuwe bestemmingplan, is daarvoor niet voldoende. Het bord valt niet onder het overgangsrecht. Er is daarom sprake van een overtreding, waartegen het college handhavend mag optreden.
Heeft het college eiser terecht aangeschreven als (vermeend) overtreder?
13. Eiser heeft aangevoerd dat het college de verkeerde partij heeft aangeschreven. [makelaar 1] B.V. en mr. [makelaar 2] B.V. zijn de rechthebbenden van het informatiebord. Het college had deze B.V.’s aan moeten schrijven.
14. Eiser is eigenaar van het perceel waar het informatiebord op is geplaatst. Het informatiebord wordt gebruikt door de twee B.V.’s. Voor het laten gebruiken van het perceel is niet vereist dat eiser zelf het perceel in strijd met het bestemmingsplan gebruikt. Het is daarvoor voldoende als eiser het perceel laat gebruiken (door anderen) in strijd met het bestemmingsplan. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij niet wist en niet kon weten dat het perceel in strijd met het bestemmingsplan werd gebruikt. Het college heeft eiser terecht als overtreder aangemerkt.
Is sprake van bijzondere omstandigheden?
15. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd niet van zijn handhavingsbevoegdheid gebruik te maken. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.
Zicht op legalisatie?
16. Het college heeft aangegeven dat het bord niet in de op grond van het bestemmingsplan geldende bestemmingen past. Het college is ook niet bereid om het informatiebord op het perceel te legaliseren door het alsnog verlenen van een omgevingsvergunning. Er bestaat dus geen concreet zicht op legalisering.
Strijd met het vertrouwensbeginsel?
17. Eiser heeft aangevoerd dat er in 2010 (met de toenmalige gemeente Muiden) bindende afspraken zijn gemaakt over de aanwezigheid van het informatiebord op het perceel. De wethouder waarmee de gesprekken destijds zijn gevoerd heeft daartoe in 2019 een verklaring overgelegd. In die verklaring staat onder punt 3 ‘het bestaande reclamebord aan de [straat] nabij de kruising [straat] aan het groot toegangshek blijft staan’. Met deze verklaring is volgens eiser het vertrouwen gewekt dat het informatiebord op het perceel mocht blijven staan.
18. Om te beoordelen of het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt, moet de rechtbank drie stappen doorlopen. Dat volgt uit rechtspraak van de Afdeling.
19. Er is sprake van een toezegging als aannemelijk wordt gemaakt dat er een uitlating of gedraging van een ambtenaar is geweest die redelijkerwijs de indruk wekt van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid wel of niet zal worden uitgeoefend. Om een toezegging aan te kunnen nemen, dient de uitlating en/of gedraging in ieder geval toegesneden te zijn op de concrete situatie.
20. Eiser heeft in dit geval de toezegging afgeleid uit de (ongedateerde) verklaring van de wethouder. Dat in 2010 afspraken met eiser zijn gemaakt is tussen partijen niet in geschil.
21. Het college voert het volgende aan. De verklaring van de wethouder is door eiser voor het eerst in de handhavingsprocedure in 2019 overgelegd. De bevoegdheid tot het nemen van besluiten over de aanwezigheid van het informatiebord ligt bij het college, niet bij een individuele wethouder. Het college heeft geen schriftelijke stukken uit 2010 kunnen vinden waarin het college deze afspraken met eiser heeft vastgelegd. Ook eiser heeft geen stukken uit 2010 overgelegd. Omdat de noodzakelijke vergunning voor het informatiebord meermaals is geweigerd acht het college het niet aannemelijk dat dergelijke afspraken zijn gemaakt. Als er al sprake is van een gemaakte afspraak, dan is deze niet door het bevoegde bestuursorgaan genomen en vastgelegd. Er is dus volgens het college geen sprake van een toezegging door een bevoegd bestuursorgaan. Het college verwijst verder naar vaste rechtspraak van de Afdeling. Uit deze rechtspraak volgt dat, mocht er al sprake zijn van enig gerechtvaardigd vertrouwen, dat vertrouwen is uitgewerkt met de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan waarin de strijdige situatie niet is opgenomen. Het bestemmingsplan is vastgesteld op 16 december 2010. Dit is ná de vermeende toezegging waarop eiser zich beroept.
22. De rechtbank kan het standpunt dat geen sprake is van een relevante toezegging, en als die er al zou zijn dat die is komen te vervallen, volgen.
23. Daarnaast heeft het college in 2019, vanwege de verklaring van de wethouder, gemeend dat de aanwezigheid van het informatiebord tijdelijk moest worden toegestaan. Dit heeft geresulteerd in de persoonsgebonden gedoogbeschikking aan eiser. Deze gedoogbeschikking heeft een duidelijke einddatum (31 december 2024). Daarmee heeft het college in 2019 de vermeende afspraken al afgewogen. De rechtbank vindt dit redelijk.
24. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er bij het opleggen van de last onder dwangsom geen sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel.
25. De rechtbank is van oordeel dat het college gelet op het voorgaande in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat handhavend optreden in dit geval niet onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Er is immers niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college af had moeten zien van handhaving.
De invorderingsbeschikking
Is sprake van bijzondere omstandigheden?
26. De rechtbank stelt voorop dat bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend. Een andere opvatting zou namelijk afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
27. Eiser heeft aangevoerd dat de financiële positie qua liquiditeit het niet toelaat om boetes of dwangsommen te betalen, daarbij vraagt hij om opschorting van de betalingsverplichting tot in hoogste instantie is beslist.
28. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om van invordering van de verbeurde dwangsommen af te zien. Uit vaste rechtspraak volgt dat een beroep op geringe draagkracht in de invorderingsfase in beginsel niet voor honorering in aanmerking komt. De draagkracht van de overtreder kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen en indien hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding, indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de te verhalen kosten (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verhaalde kosten zou hebben. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is de te verhalen kosten te betalen. De enkele stelling van eiser dat de financiële positie het niet toelaat, is daarvoor onvoldoende.
Conclusie en gevolgen
29. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.