RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16.102436.25, 16.197760.25 (gevoegd), 16.272453.25 (gevoegd).
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 27 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboortedatum] ,
wonende op [adres 1] , [postcode] in [woonplaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 13 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
16.102436.25, feit 1: (30 maart 2025 in IJsselstein):
primair: [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar heeft mishandeld; subsidiair: heeft geprobeerd [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar te mishandelen;
meer subsidiair: [slachtoffer 4] heeft mishandeld, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel en/of ander hoofdletsel als gevolg had;
16.102436.25, feit 2: ( 30 maart 2025 in IJsselstein):
primair: samen met anderen [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar heeft mishandeld;
subsidiair: samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar te mishandelen;
meer subsidiair: samen met anderen [slachtoffer 2] heeft mishandeld, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel als gevolg had;
16.102436.25, feit 3: (30 maart 2025 in IJsselstein):
openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] ;
16.197760.25 (1 maart 2025 in IJsselstein):
[slachtoffer 1] heeft mishandeld;
16.272453.25 ( 15 juni 2025 in IJsselstein): primair: [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar heeft mishandeld; subsidiair: heeft geprobeerd [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar te mishandelen; meer subsidiair: [slachtoffer 3] heeft mishandeld.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle tenlastegelegde geweldshandelingen heeft gepleegd. In de zaak met parketnummer 16.102436.25 (het geweld tegen [slachtoffer 4] ) vindt zij dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, zware mishandeling. Wel acht de officier van justitie de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling te bewijzen. In de andere zaken (het geweld tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ) is volgens haar de primair ten laste gelegde zware mishandeling te bewijzen. De openlijke geweldpleging richting [slachtoffer 2] is ook volgens haar te bewijzen. De standpunten van de officier van justitie worden - voor zover van belang voor de beoordeling - verder besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft in de zaak met parketnummer 16.197760.25 (het geweld tegen [slachtoffer 1] ) vrijspraak bepleit en in de andere zaken kwalificatieverweren gevoerd, inhoudende dat een lichtere verweten geweldsvariant moet worden bewezen. Deze verweren worden - voor zover van belang voor de beoordeling - verder besproken in paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt voor alle feiten tot een bewezenverklaring en baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan. De rechtbank zal hieronder in een aantal bewijsoverwegingen uitleggen waarom zij tot een bewezenverklaring komt. Deze overwegingen gaan met name over hoe het geweld gekwalificeerd moet worden, omdat de verdachte (met uitzondering van geweld tegen [slachtoffer 1] ) het plegen van het geweld zelf niet ontkent.
Bewijsoverwegingen
16.102436.25, feit 1 (geweld tegen [slachtoffer 4] )
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte [slachtoffer 4] met een voetveeg/trap tegen de benen onderuit heeft getrapt en hem daarmee op de grond heeft gegooid. De rechtbank moet beoordelen hoe deze geweldshandelingen en het letsel juridisch moeten worden geduid.
Zwaar lichamelijk letsel? De eerste vraag die de rechtbank hiervoor moet beantwoorden is of de verdachte met zijn gedragingen zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 4] heeft toegebracht, zoals hem primair wordt verweten. De rechtbank komt, net als de officier van justitie en de advocaat, tot de conclusie dat daarvan geen sprake is. Er is namelijk onvoldoende (medische) informatie beschikbaar over de aard en de ernst van het letsel van [slachtoffer 4] , de aard van het medisch ingrijpen en uitzicht op (volledig) herstel om dit letsel te kunnen kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Daarom zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de primaire beschuldiging.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of er sprake is geweest van een poging tot zware mishandeling (zoals subsidiair ten laste is gelegd). Daarbij moet worden vastgesteld of de verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Opzet
De rechtbank is met de advocaat van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van vol opzet, nu op basis van het dossier en wat op de zitting besproken is, niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de bewuste bedoeling had om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Nu vol opzet niet kan worden bewezen, moet de rechtbank beoordelen of sprake is van voorwaardelijk opzet. Daarbij is het criterium of de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
De verdachte heeft tegen een vriend gezegd dat hij het slachtoffer zou gaan pakken. Na deze aankondiging heeft hij volledig uit het niets het slachtoffer achterlangs onderuit geschopt. Volgens een getuigenverklaring werden beide benen in één keer weggetrapt. Hierdoor is [slachtoffer 4] met zijn hoofd op de stenen straat gevallen en bewusteloos geraakt. In navolging van de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij zwaar lichamelijk letsel zou veroorzaken. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. Daarmee is sprake van voorwaardelijk opzet en komt de rechtbank tot een bewezenverklaring voor een poging tot zware mishandeling van slachtoffer [slachtoffer 4] .
16.102436.25, feit 2, feit 3 (geweld tegen [slachtoffer 2] )
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte samen met een ander [slachtoffer 2] meermalen in het gezicht en tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt. Slachtoffer [slachtoffer 2] heeft een open hoofdwond boven zijn linkeroog opgelopen. De verdachte wordt verweten dat hij en zijn mededader [slachtoffer 2] samen zwaar lichamelijk letsel hebben toegebracht, zoals primair ten laste is gelegd. De rechtbank vindt dat hiervan sprake is en legt dit als volgt uit.
Zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank komt, met de officier van justitie en anders dan de advocaat, tot de conclusie dat er in dit geval inderdaad sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij slachtoffer [slachtoffer 2] . De verdachte heeft slachtoffer [slachtoffer 2] namelijk zo hard op zijn hoofd geslagen dat er een flinke hoofdwond is ontstaan. Het slachtoffer heeft aan deze hoofdwond een litteken op zijn voorhoofd overgehouden. De rechtbank heeft het litteken op de zitting bekeken. Hoewel het litteken met laserbehandelingen is behandeld, stelt de rechtbank vast dat het nog steeds goed zichtbaar is. Deze schade is dus blijvend. Bovendien is een litteken in het gezicht ontsierend. In navolging van de jurisprudentie van de Hoge Raad, is de rechtbank daarom van oordeel dat het litteken naar algemeen spraakgebruik kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
Opzet op zware mishandeling
De rechtbank moet vervolgens vaststellen of de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van dit zware lichamelijke letsel. De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten om van vol opzet uit te gaan, maar beantwoordt de vraag of er sprake is van voorwaardelijk opzet, anders dan de advocaat, bevestigend. Door het slachtoffer zo hard in het gezicht en op het hoofd te slaan dat het slachtoffer op de grond is gevallen en bewusteloos is geraakt, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zwaar letsel zou toebrengen. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.
De advocaat heeft nog naar voren gebracht dat het goed mogelijk is dat de verdachte niet verantwoordelijk is voor het letsel, omdat de medeverdachte ook heeft geslagen. De rechtbank gaat daar niet in mee. Getuige [getuige 1] beschrijft in haar verklaring de hevigheid van het geweld van de verdachte. Ook beschrijft zij dat zij bloed zag bij het slachtoffer zodra de verdachte hem op zijn hoofd sloeg. Op dat moment had de medeverdachte nog geen geweld gebruikt, waardoor de rechtbank de overtuiging heeft dat het weldegelijk de verdachte is geweest die het zwaar lichamelijke letsel bij het slachtoffer heeft veroorzaakt. Uit de foto’s van het letsel blijkt namelijk dat de wond boven het oog van het slachtoffer de bron is van het bloed. Aangezien deze wond uiteindelijk heeft geleid tot zwaar lichamelijk letsel in de vorm van een litteken, is de rechtbank van oordeel dat het niet (alleen) aan de medeverdachte toe te schrijven is.
Medeplegen van zware mishandeling
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of ook de medeverdachte als medepleger schuldig is aan de in ieder geval door de verdachte gepleegde poging tot zware mishandeling.
De geweldshandelingen van de verdachte kunnen ook aan de medeverdachte worden toegerekend. Ondanks dat het slachtoffer in het gezicht bloedde, maakte de medeverdachte eveneens slaande bewegingen richting het slachtoffer. Ze hebben elkaars aanwezigheid versterkt en zijn over en weer verantwoordelijk voor elkaars handelingen. Er was dan ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte, gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Daarnaast gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte opzet op het medeplegen heeft gehad. Uit de verklaring van getuige [getuige 2] (bij wie de verdachte en de medeverdachte in de auto zaten) blijkt namelijk dat de verdachte en de medeverdachte tegen elkaar zeiden: "kom we stappen uit, we gaan hem pakken". Deze uitspraak kan volgens de rechtbank moeilijk anders worden begrepen dan dat de verdachte en de medeverdachte daarmee de bedoeling hadden om samen de confrontatie met het slachtoffer aan te gaan en geweld uit te oefenen.
Het voorgaande brengt met zich dat ook het aan de verdachte ten laste gelegde medeplegen kan worden bewezen.
Openlijke geweldpleging
Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat niet alleen sprake is van het medeplegen van zware mishandeling, maar ook van (eendaadse samenloop met) openlijke geweldpleging, zoals de verdachte onder feit 3 wordt verweten. De verdachte en de medeverdachte hebben immers samen, op de openbare weg, [slachtoffer 2] geslagen.
16.197760.25 (geweld tegen [slachtoffer 1] )
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring voor de mishandeling van slachtoffer [slachtoffer 1] .
De advocaat heeft vrijspraak bepleit, omdat de aangifte van [slachtoffer 1] en de bevindingen van de politie ter plaatse niet met elkaar zouden stroken. Volgens de advocaat is niet duidelijk of [slachtoffer 1] zelf de dader aanwees of dat de beveiliger de dader aanwees. Bovendien is de verdachte volgens het proces-verbaal om 23.00 uur weggestuurd, terwijl hij om 23.20 uur nog is aangewezen door de beveiliging. De advocaat heeft daarbij benadrukt dat carnaval in IJsselstein een drukbezocht evenement is waarbij iedereen verkleed is, waardoor niet kan worden uitgesloten dat iemand anders dan de verdachte verantwoordelijk is geweest voor het geweld tegen [slachtoffer 1] .
De rechtbank verwerpt dit verweer. In zijn aangifte heeft het slachtoffer aangegeven dat een beveiliger hem heeft gewezen op de persoon die hem heeft geslagen. Uit het proces-verbaal van de politie ter plaatse blijkt dat het slachtoffer de verdachte heeft aangewezen als degene die hem heeft geslagen. De politie heeft deze man toen om zijn identiteitsbewijs gevraagd en deze man bleek de verdachte te zijn. De vriendin van het slachtoffer heeft verklaard dat de man die [slachtoffer 1] heeft geslagen met de politie sprak. Om 23.20 uur heeft de beveiliging de verdachte aangewezen en aan de politie verteld dat hij al heel de avond ruzie aan het zoeken was. Anders dan de advocaat, vindt de rechtbank dat de gang van zaken uit de aangifte en uit het proces-verbaal elkaar niet uitsluiten of dat zij het aanwijzen van de verdachte onbetrouwbaar maken. Het is namelijk goed mogelijk dat het slachtoffer eerst van de beveiliging heeft vernomen dat hij geslagen was door de verdachte, en dat hij daarna zelf ook nog de politie heeft aangewezen wie hem had geslagen. Ook kan het meer dan twintig minuten hebben geduurd voordat de verdachte het centrum heeft verlaten, zodat aanwijzen nog mogelijk was. De rechtbank heeft dan ook geen twijfel dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer 1] met kracht met zijn vuist tegen de kaak heeft geslagen.
16.272453.25 (geweld tegen [slachtoffer 3] )
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 3] éénmaal met kracht in het gezicht heeft gestompt/geslagen waardoor [slachtoffer 3] op de grond is gevallen. De vraag is ook hier hoe deze gedraging juridisch moet worden geduid.
Zwaar lichamelijk letsel? De rechtbank moet wederom eerst vaststellen of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zoals de verdachte primair wordt verweten. De rechtbank is, met de advocaat en anders dan de officier van justitie, van oordeel dat daarvan geen sprake is. Daarvoor is namelijk onvoldoende (medische) informatie beschikbaar over de aard en de ernst van het opgelopen letsel, de aard van het medisch ingrijpen en uitzicht op (volledig) herstel van [slachtoffer 3] als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Zo volgt uit de CT-scan in het dossier niet dat een zware hersenschudding is opgelopen. De rechtbank heeft verder het opgelopen litteken op de kin op zitting bekeken. Deze was klein en niet heel goed zichtbaar en daarom niet aan te merken als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Daarom zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de primaire beschuldiging.
Poging tot zware mishandeling
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiaire beschuldiging, te weten een poging tot zware mishandeling. De rechtbank vindt dat hiervan sprake is en legt dit als volgt uit.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de poging om slachtoffer [slachtoffer 3] zwaar te mishandelen. De rechtbank ziet op de camerabeelden dat de verdachte aangever [slachtoffer 3] met een enorme kracht slaat, waardoor [slachtoffer 3] direct neervalt en bewusteloos blijft liggen. Gelet op de eerdere geweldsincidenten (tegen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) wist de verdachte inmiddels hoeveel schade hij aanricht en hoe hard zijn klappen aankomen. Hij is namelijk op 2 en 4 april 2025 verhoord door de politie en is daarbij gewezen op het letsel dat hij bij de aangevers heeft aangericht met zijn geweld. Met deze kennis heeft hij kort daarop (op 15 juni 2025) [slachtoffer 3] een zodanig harde klap op zijn hoofd gegeven dat [slachtoffer 3] op de grond viel en bleef liggen.
Door ondanks deze wetenschap iemand zo hard tegen de grond te slaan dat diegene bewusteloos raakt, heeft de verdachte naar oordeel van de rechtbank niet meer slechts voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het kan niet anders dan dat hij de bewuste bedoeling (en dus vol opzet) heeft gehad om het slachtoffer zwaar te mishandelen. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring voor een poging tot zware mishandeling.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
16.102436.25 1op 30 maart 2025 te IJsselstein ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 4] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 4] , met een voetveeg/trap tegen zijn benen op de grond heeft gegooid en die [slachtoffer 4] onderuit heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2op 30 maart 2025 te IJsselstein tezamen en in vereniging met een ander aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten een ontsierend litteken in het gezicht, door die [slachtoffer 2] meermalen in het gezicht en tegen het hoofd te slaan en stompen;
3op 30 maart 2025 te IJsselstein openlijk, te weten, aan de Touwlaan, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] , door die [slachtoffer 2] meermalen in het gezicht en tegen het hoofd te slaan en stompen;
16.197760.25 op 1 maart 2025 te IJsselstein [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] met kracht tegen de kaak te slaan;
16.272453.25 op 15 juni 2025 te IJsselstein ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 3] éénmaal met kracht in het gezicht heeft gestompt/geslagen waardoor die [slachtoffer 3] op de grond is gevallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
16.102436.25, feit 1 (subsidiair): poging tot zware mishandeling;
16.102436.25, feit 2 (primair), feit 3: eendaadse samenloop van het medeplegen van zware mishandeling en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
16.197760.25: mishandeling;
16.272453.25 (subsidiair): poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid feit en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door Reclassering Nederland.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft benadrukt dat de verdachte nog jong is, zich inmiddels realiseert wat hij heeft aangericht, daar veel spijt van heeft en bereid is om de verzoeken tot schadevergoeding (grotendeels) te betalen. De advocaat heeft verzocht te volstaan met een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest en om daarnaast een flinke taakstraf op te leggen, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Er is geen verweer gevoerd tegen de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft onder invloed van alcohol in een paar maanden tijd in het uitgaansleven meerdere slachtoffers het ziekenhuis in geslagen/gestompt of getrapt. De verdachte was kennelijk uit op geweld. Daarbij heeft hij willekeurige slachtoffers uitgezocht die hij zonder enige kenbare aanleiding (ernstig) heeft toegetakeld. Vervolgens heeft hij hen bewusteloos achtergelaten en zich op geen enkele manier om hen bekommerd. De verdachte heeft één van de slachtoffers samen met een medeverdachte geprobeerd zwaar te mishandelen. Tussen de geweldplegingen door is hij verhoord door de politie en is hij gewezen op de enorme schade die hij heeft aangericht. Ondanks deze kennis en na voorgeleiding hiervoor bij de rechter-commissaris, heeft hij in het uitgaansleven een jongen een dusdanig harde klap/stomp in het gezicht gegeven, dat deze jongen op de grond viel en bewusteloos bleef liggen. Eén van de slachtoffers heeft aan het handelen van de verdachte een blijvend ontsierend litteken op zijn voorhoofd overgehouden. De verdachte heeft met zijn handelen - naast (fors) letsel - veel pijn, angst en verdriet bij de slachtoffers veroorzaakt, zoals ook volgt uit de op de zitting voorgelezen slachtofferverklaringen. Er was geen enkele rechtvaardiging voor het door hem gepleegde geweld. De rechtbank vindt het heel kwalijk en zorgelijk dat de verdachte zich zo heeft laten gaan. Daarbij heeft de rechtbank ook meegewogen dat het geweld heeft plaatsgevonden op openbare locaties, wat maakt dat - naast de enorme impact die dat heeft op het slachtoffers - ook omstanders zijn geconfronteerd met gevoelens van onveiligheid.
Strafblad
Daarnaast heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het uittreksel uit het justitiële documentatieregister (het strafblad) van de verdachte van 2 maart 2026. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke (gewelds)feiten.
Persoonlijke omstandigheden
Er is over de verdachte op 9 maart 2026 een rapport opgemaakt door Reclassering Nederland. In dit rapport komt het beeld naar voren van een jongen die zijn leven op de rit lijkt te hebben. Er is sprake van stabiliteit op alle levensgebieden: hij heeft huisvesting, zijn financiën zijn op orde en hij heeft een vaste baan. Daarom is het nog zorgelijker dat deze beschermende factoren niet hebben kunnen voorkomen dat de verdachte in korte tijd meermalen met politie en justitie in aanraking is gekomen en dat alle geweldsfeiten hebben plaatsgevonden onder invloed van alcohol.
In de aanloop naar de inhoudelijke behandeling van deze strafzaak zijn (in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis) meerdere voorwaarden aan de verdachte opgelegd. De voortzetting van de interventies die daarin waren opgenomen (onder andere gericht op agressieregulatie) wordt als wenselijk gezien door de reclassering, omdat daarmee het recidiverisico (verder) kan worden ingeperkt. De reclassering heeft daarom een (deels) voorwaardelijke straf met een aantal bijzondere voorwaarden geadviseerd: een meldplicht bij Reclassering Nederland, meewerken aan de gedragsinterventies ‘cognitieve vaardigheden’ en ‘agressiebeheersing’, meewerken aan ambulante behandeling en meewerken aan de beheersing van middelengebruik.
Strafoplegging
De rechtbank komt, alles afwegende, tot de volgende strafoplegging. De rechtbank ziet aan de ene kant dat de verdachte nog jong is, niet eerder veroordeeld is voor geweld en zijn leven op orde lijkt te hebben. Maar aan de andere kant maken de ernst van de feiten en de gevolgen voor de slachtoffers dat een gevangenisstraf de enige passende reactie is. Anders dan de advocaat van de verdachte heeft bepleit, kan niet worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest in combinatie met een taakstraf en eventueel daarbij een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Dit doet onvoldoende recht aan de zwaarte en de hoeveelheid geweldsfeiten, waar de verdachte voor verantwoordelijk is. Ook wordt dan onvoldoende recht gedaan aan het leed dat hij de slachtoffers heeft aangedaan.
Daarom zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden (met aftrek van het voorarrest) opleggen waarvan 3 maanden voorwaardelijk met proeftijd van twee jaar. Met het voorwaardelijk deel wordt geprobeerd de verdachte in de toekomst ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel een aantal bijzondere voorwaarden verbinden, zoals geadviseerd door de Reclassering. Uit het rapport volgt niet dat er problemen zijn met drugsgebruik, zodat het meewerken aan de beheersing van middelengebruik beperkt wordt tot alcoholgebruik. Deze bijzondere voorwaarden zijn (verder) gespecificeerd in het dictum van dit vonnis.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, tot de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
6. Vorderingen benadeelde partijen
Vorderingen van de benadeelde partijen
Schadevergoeding [slachtoffer 2] [slachtoffer 2] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van 3.138,01 euro. Dit bedrag bestaat uit 1.388,01 euro aan materiële schade en 1.750,00 euro aan immateriële schade als gevolg van feit 2 en feit 3 in de zaak met parketnummer 16.102436.25. De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
kosten laserbehandeling litteken: 737,98 euro;
tegemoetkoming opname verlofuren: 95,34 euro (6,81 euro per uur), bestaande uit:
o bezoek huisarts 2 uur;
o bezoek intake laserbehandeling 1 uur;
o bezoek laserbehandelingen 6 uur;
o bezoek Slachtofferhulp 1 uur;
o bezoek rechtszitting 4 uur;
kosten eigen risico: 267,11 euro;
kosten jas: 199,99 euro;
kosten overhemd: 80,00 euro;
parkeerkosten Slachtofferhulp: 7,59 euro.
De benadeelde partij verzoekt de gevorderde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en om daarnaast ook de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op te leggen.
Schadevergoeding [slachtoffer 1]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van 1.115,12 euro, bestaande uit materiële schade als gevolg van het feit in de zaak met parketnummer 16.197760.25. Deze materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
spoedtandarts: 866,83 euro;
infomedics na controle beugel: 52,14 euro;
infomedics beoordelen trauma: 10,43 euro;
infomedics spalk plaatsen: 139,14 euro;
infomedics reiniging gebit: 25,51 euro;
vervoer en parkeerkosten naar (nood)tandarts: 21,07 euro.
De benadeelde partij verzoekt de gevorderde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en om daarnaast ook de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op te leggen.
Schadevergoeding [slachtoffer 3]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van 15.013,75 euro. Dit bedrag bestaat uit 12.513,75 euro aan materiële schade en 2.500,00 euro aan immateriële schade als gevolg van het feit in de zaak met parketnummer 16.272453.25. De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
eigen risico zorgverzekering 2025: 385,00 euro;
kapot shirt: 50,00 euro;
gederfd inkomen: 610,00 euro;
studievertraging: 11.468,75 euro.
De benadeelde partij verzoekt de gevorderde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en om daarnaast ook de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle gevorderde schadeposten kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] geen verweer gevoerd tegen de materiële schade. Bij de immateriële schade heeft de advocaat de rechtbank verzocht om deze, met gebruikmaking van haar schattingsbevoegdheid, gematigd toe te wijzen.
Bij de vordering van [slachtoffer 1] heeft de advocaat primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering vanwege de bepleite vrijspraak voor dit feit. Mocht de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van dit feit komen, dan heeft de advocaat geen verweer tegen de gevorderde schade gevoerd.
Tenslotte heeft de advocaat bij de vordering van [slachtoffer 3] verzocht om de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schadepost die betrekking heeft op de studievertraging niet-ontvankelijk te verklaren (primair omdat de beoordeling van deze post te ingewikkeld is voor het strafrecht en subsidiair omdat de hoogte van deze post onvoldoende onderbouwd is). Bij de gevorderde immateriële schade heeft de advocaat om een gematigde toewijzing verzocht.
Oordeel van de rechtbank
Schadevergoeding [slachtoffer 2]
Materiële schade
De vordering tot vergoeding van de materiële schade is voldoende onderbouwd, de posten betreffen redelijke bedragen en er is namens de verdachte geen verweer tegen (de hoogte van) de posten gevoerd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de onder 2 en 3 in de zaak met parketnummer 16.102436.25 bewezenverklaarde feiten. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom toe tot een hoogte van 3.110,77 euro.
De overige door de benadeelde partij gevorderde materiële schade ter hoogte van € 27,24 ziet op kosten voor het opnemen van verlof om de zitting bij te wonen (ter hoogte van 4 uren verlof van 6,81 euro). Nu de benadeelde partij in persoon heeft geprocedeerd, zijn deze kosten als proceskosten toewijsbaar, zoals hieronder is opgenomen.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek is vergoeding van immateriële schade onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten. De benadeelde partij heeft namelijk niet alleen nog steeds veel angst en verdriet van deze gebeurtenis, maar heeft ook een litteken in zijn gezicht overgehouden aan het geweld en zal er dus zijn leven lang aan herinnerd worden. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is en zal dit bedrag daarom geheel toewijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst, zowel ten aanzien van de materiële als de immateriële schade, ook de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 30 maart 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding integraal wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten op 27,24 euro (het bijwonen van een zitting).
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van 3.110,77 euro aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 31 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en proceskosten niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen Schadevergoeding [slachtoffer 1]
Materiële schade
De vordering tot vergoeding van de materiële schade is voldoende onderbouwd, betreft redelijke bedragen en is namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 16.197760.25 bewezenverklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe, te weten voor een bedrag van 1.115,12 euro.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 1 maart 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding integraal wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van 1.115,12 euro aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 11 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Schadevergoeding [slachtoffer 3]
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 16.272453.25 bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel het merendeel van de schadeposten voldoende is onderbouwd en voor vergoeding in aanmerking komt, maar is het met de advocaat eens dat dat niet geldt voor de schadepost die ziet op de studievertraging.
De rechtbank ziet dat in de onderbouwing van de vordering een e-mail van een docent van de benadeelde partij is bijgevoegd. Daaruit blijkt dat de benadeelde partij zich in de periode van 3 februari 2025 tot en met 11 juli 2025 een aantal keer heeft ziekgemeld vanwege een hersenschudding en de gevolgen daarvan. Maar deze mail maakt onvoldoende inzichtelijk en onvoldoende concreet hoeveel uren, dagen of vakken de benadeelde partij uiteindelijk heeft gemist en precies waardoor.
De rechtbank zal de benadeelde partij daarom ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk verklaren zodat de benadeelde partij deze post (desgewenst) nader onderbouwd bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen. De overige materiële schade wijst de rechtbank toe, te weten voor een bedrag van in totaal 2.795,00 euro.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek is vergoeding van immateriële schade onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Daarnaast is duidelijk geworden dat de benadeelde partij ook nog steeds veel angst en verdriet heeft overgehouden aan deze gebeurtenis. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een bedrag van 1.750,00 euro billijk is, zal de vordering daarom tot dat bedrag toewijzen en de benadeelde partij ten aanzien van de meer gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst, zowel ten aanzien van de materiële als de immateriële schade, de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 15 juni 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van 2.795,00 euro aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 27 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 55, 57, 141, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het ten laste gelegde in de zaak 16.102436.25 (onder 1 primair) en het ten laste gelegde in de zaak 16.272453.25 (primair) niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Strafoplegging
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 3 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna genoemde algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;
- als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte:
- stelt daarnaast de volgende bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij Reclassering Inforsa
Dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met GGZ Reclassering Inforsa Utrecht (Wittevrouwenkade 6 in Utrecht), zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.
Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
Dat de verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa-plus van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer. Deze training is ter overbrugging van de wachtlijsten voor de ambulante behandeling. Mocht behandeling reeds aanvangen alvorens de training is afgerond, dan is er geen noodzaak de training af te ronden. Het is enkel ter overbrugging.
Gedragsinterventie agressiebeheersing
Dat de verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie Alcohol & Geweld van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op agressiebeheersing, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer. De verdachte is reeds aan deze training begonnen en de reclassering ziet graag dat hij deze training afmaakt.
Ambulante behandeling
Dat de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Beheersing middelengebruik
Dat de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, of ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
- waarbij aan GGZ Reclassering Inforsa Utrecht de opdracht wordt gegeven om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte daarbij te begeleiden.
Vorderingen tot schadevergoeding van benadeelde partijen
[slachtoffer 2] (16.102436.25, feit 2, feit 3)
[slachtoffer 1] (16.197760.25)
[slachtoffer 3] (16.272453.25)
Voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Wambeke, voorzitter, mr. L.R.H. Koekoek en mr. N.M.H. van Ek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Besselink als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.
Bijlage I: de tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
16.102436.25 1hij op of omstreeks 30 maart 2025 te IJsselstein aan een ander, te weten [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer 4] met een voetveeg/traptegen zijn benen op de grond te gooien, duwen en/of die [slachtoffer 4] onderuit te trappen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te IJsselstein ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 4] , met een voetveeg/trap tegen zijn benen op de grond heeft gegooid, geduwd en/of die [slachtoffer 4] onderuit heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te IJsselstein [slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] , met een voetveeg/trap tegen zijn benen op de grond te gooien, duwen en/of die [slachtoffer 4] onderuit te trappen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad;
2hij op of omstreeks 30 maart 2025 te IJsselstein tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere ontsierende littekens in het gezicht, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 2] een of meermalen in het gezicht en/of tegen het hoofd te slaan en/of stompen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te IJsselstein tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 2] een of meermalen in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te IJsselstein tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] een of meermalen in het gezicht en/of tegen het hoofd te slaan en/of stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere ontsierende littekens in het gezicht ten gevolge had;3hij op of omstreeks 30 maart 2025 te IJsselstein openlijk, te weten, aan de Touwlaan, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] , door die [slachtoffer 2] een of meermalen in het gezicht en/of tegen het hoofd te slaan en/of stompen;
16.197760.25 hij op of omstreeks 1 maart 2025 te IJsselstein [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] met kracht met zijn vuist tegen de kaak, althans tegen het gezicht te slaan;
16.272453.25 hij op of omstreeks 15 juni 2025 te IJsselstein aan een ander, te weten [slachtoffer 3] opzettelijkzwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer 3] één of meermalen met kracht in het gezicht te stompen/slaan waardoor die [slachtoffer 3] op de grond is gevallen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 15 juni 2025 te IJsselstein ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 3] één of meermalen met kracht in het gezicht heeft gestompt/geslagen waardoor die [slachtoffer 3] op de grond is gevallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 15 juni 2025 te IJsselstein [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door hem één of meermalen met kracht in het gezicht te stompen/slaan.
Bijlage II: bewijsmiddelen
16.102436.25, feit 1 (geweld tegen [slachtoffer 4] )
De verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 13 maart 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik was op 30 maart 2025 in IJsselstein op de Voorstraat. Ik liep op een jongen (de rechtbank begrijpt: slachtoffer [slachtoffer 4] ) af. Ik trapte hem onderuit.
Proces-verbaal van bevindingen (uitkijken camerabeelden Voorstraat in IJsselstein ) d.d. 3 april 2025 (p. 122 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik, verbalisant [verbalisant] , deed onderzoek naar geweldpleging, gepleegd op 30 maart 2025, ter hoogte van de [adres 2] te [plaats] . Ik, verbalisant, heb de beelden bekeken en zag het volgende:Ik zag dat P4 (de rechtbank begrijpt: de verdachte) zijn rechterarm om de nek van P6 (de rechtbank begrijpt: slachtoffer [slachtoffer 4] ) sloeg. Ik zag dat P4 zijn rechterbeen naar achter haalt en met snelheid naar voren haalt tegen de achterkant van de benen van P6. Ik zag dat P6 hierdoor rechtstandig naar achteren viel. Ik zag dat P6 stil op de grond bleef liggen.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 3 april 2025 (p. 33 e.v.) over de geweldpleging in de Voorstraat op 30 maart 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik hoorde [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) zeggen: "Ik ga hem pakken". Ik zag dat hij hierop naar [slachtoffer 4] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 4] ) wees.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 3 april 2025 (p. 119 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 30 maart 2025 om 04:30 uur liep ik met [slachtoffer 4] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 4] ) over de Voorstraat. Ineens werd [slachtoffer 4] getrapt. De trap leek op een soort veeg waarbij beide benen van [slachtoffer 4] onder hem vandaan getrapt werden. [slachtoffer 4] viel hierdoor achterover op zijn hoofd.
16.102436.25, feit 2, feit 3 (geweld tegen [slachtoffer 2] )
De hieronder genoemde bewijsmiddelen worden, ook in hun onderdelen, slechts gebruikt tot bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.
De verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 13 maart 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik was op 30 maart 2025 op de Touwstraat in IJsselstein . Ik stapte uit de auto en toen sloeg ik als eerste de jongen (de rechtbank begrijpt: slachtoffer [slachtoffer 2] ).
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 30 maart 2025 (p. 24 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik was op 30 maart 2025 samen met [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) in IJsselstein omstreeks 04:30 uur. Ik zag dat twee jongens [slachtoffer 2] op zijn hoofd sloegen. Ik kon van één jongen zien dat hij op [slachtoffer 2] zijn hoofd sloeg. Ik zag dat hij met zijn vuist sloeg op de linkerzijde van zijn hoofd. Ik zag dat hij [slachtoffer 2] meerdere keren op dezelfde plek op zijn hoofd sloeg. Ik zag dat er bloed vanaf het gezicht van [slachtoffer 2] kwam. Bij de andere jongen zag ik dat hij slaande bewegingen maakte naar [slachtoffer 2] . Nadat de jongens waren gestopt, zag ik dat [slachtoffer 2] op de grond lag. Er lag een bloedplas.
Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 30 maart 2025 (p. 19 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 30 maart 2025 hebben twee personen op de Touwlaan in IJsselstein mij geslagen. Ik had een hoofdwond boven mijn linkeroog.
Een schriftelijk bescheid, zijnde een behandelplan littekenbehandeling, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De littekenbehandeling van [slachtoffer 2] is gericht op het verbeteren van het uiterlijk van een litteken op het voorhoofd. Belangrijk om te weten is dat het litteken altijd zichtbaar zal blijven. Door middel van laserbehandelingen kan het litteken aanzienlijk verfraaid worden, maar volledige verdwijning is niet mogelijk.
Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] d.d. 2 april 2025 (p. 187 e.v.):
V: Wat kan je verklaren wat er gebeurd was op de Touwlaan te IJsselstein op de nacht
van zaterdag 29 maart en 30 maart 2025?
A: Wij zaten in de auto (de rechtbank begrijpt: de auto van [getuige 2] ). Wij reden in de richting van de rotonde wat grenst aan de Lage Biezen en de Touwlaan. Op de rotonde zijn ik en een maatje (de rechtbank begrijpt: de verdachte) uitgestapt en naar de fietser toegerend. Op een gegeven moment werd er een klap uitgedeeld.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 31 maart 2025 (p. 28 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
U hoort mij als getuige in een onderzoek naar openlijke geweldpleging op 30 maart 2025 in IJsselstein . Ik reed op Touwlaan. De twee jongens bij mij in de auto (de rechtbank begrijpt: verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ) hoorde ik tegen elkaar zeggen: "Kom we stappen uit, we gaan hem pakken". Ik heb vervolgens de auto stil gezet midden op de rotonde waarna de jongens de auto uit sprongen.
16.197760.25 (geweld tegen [slachtoffer 1] )
Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 6 maart 2025 (p. 5 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 1 maart 2025 was ik in IJsselstein . Ik zag dat er een jongen op mij afkwam. Ik zag dat de jongen met zijn rechterarm een zwaaiende beweging maakte richting mijn hoofd. Ik zag dat hij dit met kracht deed. Ik voelde dat hij mij raakte op mijn linker kaak. Ik zakte meteen naar de grond. Ik voelde een tinteling aan de linkerkant van mijn kaak, mijn lip en boven mijn lip. Ik voelde en zag dat er bloed uit mijn mond kwam. Ik voelde meteen dat er iets mis was met mijn tanden. Ik hoorde dat een beveiliger zei dat hij wist wie mij had geslagen. Ik zag dat de beveiliger een jongen aanwees. Ik herkende die jongen als de jongen die mij net had geslagen. Ik zag dat de politie naar de jongen ging om zijn identiteit vast te stellen. De tandarts heeft aan de linkerkant twee voortanden en een hoektand rechtgezet en twee hechtingen gezet linksboven op mijn tandvlees.
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 16 april 2025 (p. 19), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 1 maart 2025 was ik samen met [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) in IJsselstein . Ik zag een jongen aan komen lopen en die sloeg [slachtoffer 1] op de zijkant van zijn gezicht. Ik zag later dat de jongen die [slachtoffer 1] had geslagen met de politie aan het praten was.
Proces-verbaal van bevindingen (te plaatse) d.d. 6 maart 2025 (p. 25), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 1 maart 2025 omstreeks 23.00 uur kwam er een persoon (de rechtbank begrijpt: slachtoffer [slachtoffer 1] ) naar mij, verbalisant, toe. [slachtoffer 1] vertelde dat hij geslagen was door een man. Ik heb gevraagd wie die man betrof en ik zag hem wijzen naar een man. Ik ben naar de man toegelopen en ik heb zijn identiteitsbewijs gevraagd. De man gaf op te zijn: [verdachte] .
16.272453.25 (geweld tegen [slachtoffer 3] )
De verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 13 maart 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 15 juni 2025 was ik in IJsselstein op de Molenstraat. Ik sloeg een persoon in het gezicht, die later bleek te zijn [slachtoffer 3] .
Proces-verbaal van bevindingen (uitkijken camerabeelden terras) d.d. 29 juli 2025 (p. 52 e.v.), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik was belast met het onderzoek van een geweldpleging, die plaatsvond op 15 juni 2025 omstreeks 00:56 uur op de Molenstraat te IJsselstein . Ik zie dat persoon 3 (de rechtbank begrijpt: de verdachte) zijn arm naar achter haalt en uithaalt met zijn rechterarm op het gezicht van persoon 6 (de rechtbank begrijpt: slachtoffer [slachtoffer 3] ). Hierbij hoor ik op de camerabeelden ook een harde doffe klap. Ik zag dat op 01:48 persoon 6 in elkaar zakt en achterover viel. Ik zag dat op tijdsduur 02:08 uur het slachtoffer nog op de grond ligt.