RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/607201 / KL ZA 26-48
Vonnis in kort geding van 24 april 2026
in de zaak van
[eisende partij] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. H.A.J.M. van Kaam en mr. P.P.A. Steijvers,
tegen
1. VOLT NEDERLAND,
te Den Haag,
hierna te noemen: Volt,2. [gedaagde partij sub 2],
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde partij sub 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Volt en [gedaagde partij sub 2] ,
advocaat: mr. P. de Leeuwe en mr. J.A. Schaap.
1. De procedure
De rechter beschikt over de volgende processtukken:
- de dagvaarding van [eisende partij] van 2 april 2026 met 17 producties - de conclusie van antwoord van Volt en [gedaagde partij sub 2] met 12 producties
- de aanvullende productie 18 van de zijde van [eisende partij] .
De mondelinge behandeling vond plaats op 13 april 2026. [eisende partij] was daar aanwezig met mr. Van Kaam en mr. Steijvers. Namens Volt was de heer [A] verschenen. Verder was [gedaagde partij sub 2] aanwezig. Volt en [gedaagde partij sub 2] werden bijgestaan door mr. De Leeuwe en mr. Schaap. Beide advocaten hebben de standpunten nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen besproken is tijdens de zitting.
2. De kern van de zaak
[eisende partij] is een ondernemer die al meer dan 25 jaar woonruimten verhuurt in Amsterdam . [gedaagde partij sub 2] is fractievoorzitter van de gemeenteraad in Amsterdam voor de politieke partij Volt. [gedaagde partij sub 2] heeft tijdens de Amsterdamse gemeenteraadsvergadering van 21 januari 2026 uitlatingen gedaan over [eisende partij] . Daarvan zijn fragmenten door haar en Volt herhaald op sociale media. De vraag die in deze procedure centraal staat is of de uitlatingen van [gedaagde partij sub 2] en Volt onrechtmatig zijn tegenover [eisende partij] en of rectificatie aan de orde is. De conclusie is dat dit niet het geval is. Dat maakt dat de vorderingen van [eisende partij] zullen worden afgewezen.
3. De beoordeling
[eisende partij] heeft een spoedeisend belang
In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De voorzieningenrechter in kort geding probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waarbij een spoedeisend belang bij de vorderingen aanwezig is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet.
Uit de aard van de zaak volgt dat [eisende partij] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Als de door hem bestreden publicaties namelijk onrechtmatig zijn heeft hij er een namelijk een groot belang bij dat deze snel gerectificeerd worden.
Het beoordelingskader
Volt en [gedaagde partij sub 2] hebben allereerst aangevoerd dat [gedaagde partij sub 2] immuniteit genieten voor de besproken uitlatingen, op grond van artikel 22 gemeentewet. Op grond van dit artikel heeft een gemeenteraadslid immuniteit voor uitspraken die zij in de vergadering van de raad hebben gezegd. Hoewel deze immuniteit ook geldt voor civielrechtelijke procedures, is deze immuniteit alleen 'plaatselijk', dat wil zeggen alleen tijdens de gemeenteraadsvergadering. Deze geldt in principe niet voor wat een gemeenteraadslid buiten de vergadering heeft gedaan. Omdat het in deze procedure gaat om de publicaties van Volt en [gedaagde partij sub 2] op sociale media, en niet rechtstreeks om wat [gedaagde partij sub 2] tijdens de gemeenteraadsvergadering heeft gezegd, kunnen zij in dit kader geen beroep doen op de immuniteit van artikel 22 Gemeentewet. Dit betekent dat de gewone onrechtmatige daad criteria van toepassing zijn.
Om de vraag te beantwoorden of een publicatie onrechtmatig is (in de zin van artikel 6:162 BW), moet de rechter volgens vaste rechtspraak twee belangrijke en in beginsel gelijkwaardige rechten tegen elkaar afwegen. Aan de ene kant het recht op bescherming van eer, goede naam en reputatie als bedoeld in artikel 8 van het Europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit recht omvat het belang dat individuele burgers niet door publicaties worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. Aan de andere kant het recht op vrijheid van meningsuiting op grond van artikel 7 Grondwet en artikel 10 lid 1 EVRM. Dit recht omvat het belang dat niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan. Welke van deze belangen in een concrete zaak de doorslag moet geven, hangt af van de omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien. De belangenafweging moet in één keer plaatsvinden. Als in één of meer publicaties meerdere uitlatingen worden gedaan, moeten deze niet alleen afzonderlijk, maar ook in hun onderlinge samenhang beoordeeld worden. Het oordeel dat één van beide rechten, gelet op alle relevante omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, brengt mee dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van lid 2 van artikel 8 of 10 EVRM.
Deze zaak wordt gekenmerkt door het bijzondere gegeven dat de betreffende publicaties afkomstig zijn van een politicus. Dat gegeven is van belang voor de beoordeling. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in verschillende uitspraken uitgelegd dat uitlatingen van politici in het kader van maatschappelijk debat niet snel als onrechtmatig moeten worden beoordeeld. De vrijheid van meningsuiting van politici, zoals neergelegd in artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 van het EVRM, is één van de fundamentele pijlers van een democratie, in het bijzonder als het gaat om de vrijheid van meningsuiting van een volksvertegenwoordiger. Deze vergaande vrijheid is van groot belang voor het functioneren van de democratie. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit ook geldt voor uitlatingen van een politicus die buiten het vertegenwoordigend forum zijn gedaan. Maar deze vrijheid is niet onbeperkt; aan de vrijheid van meningsuiting komt ook in het politieke debat niet een absoluut karakter toe.
Om welke uitlatingen gaat het?
Op 17 januari 2026 heeft Het Parool een artikel gepubliceerd over het verhuurbeleid van [eisende partij] . In het artikel zijn een aantal punten aan de orde gesteld. Onder meer dat [eisende partij] alleen aan vrouwen verhuurde en dat [eisende partij] toegevoegd wilde worden op de socialemedia-accounts van zijn huurders voor het sluiten van de huurovereenkomst. [eisende partij] heeft voor dat eerste een boete gekregen van de gemeente Amsterdam.
Naar aanleiding van dit artikel hebben [gedaagde partij sub 2] en de Amsterdamse fractie van Volt aandacht besteed aan het verhuurbeleid van [eisende partij] en de boete die hem is opgelegd tijdens de gemeenteraadsvergadering op 21 januari 2026. Volt heeft vervolgens op 21 en 22 januari 2026 fragmenten hiervan op haar socialemediakanalen (Instagram en Facebook) geplaatst voorzien van zowel Nederlandse als Engelse ondertiteling. [gedaagde partij sub 2] heeft dezelfde video op haar persoonlijke Instagram- en TikTok kanaal geplaatst.
[eisende partij] heeft grote moeite met de uitlatingen die door [gedaagde partij sub 2] en Volt gedaan zijn. Ze geven volgens hem een onterecht totaalbeeld en zijn een harde directe aanval op zijn integriteit. In het bijzonder gaat het [eisende partij] daarbij om de volgende uitlatingen:
“ “ [eisende partij] , ik kreeg een beetje Andrew Tate vibes om heel eerlijk te zijn. Ik zie de burgemeester ook knikken.” Dit fragment is voorzien van de tekst “Ik kreeg een beetje Andrew Tate vibes” en “I got a bit of Andrew Tate vibes”.
“ “Hij stelde de eis aan vrouwen met wie hij verhuurde om hem toe te laten als volger op Instagram en andere social media, een hijgerige huisbaas zoals andere media hem inmiddels noemen. En de huurders moeten dealen met het ongemak en toch wel een soort van viezig gevoel. Dat zou ik er ook zeker van krijgen.”
“ “Vrouwen zijn sowieso vaker de dupe als ik kijk naar met wat voor soort van seksuele intimidatie zij soms te maken krijgen in een stad met zo’n enorme woningnood.”
In de beschrijving bij de filmpjes op de genoemde sociale media van Volt en [gedaagde partij sub 2] staat onder meer het volgende geschreven:
“(…) Verhuurder [eisende partij] verhuurt alleen aan blonde vrouwen en eiste dan hij hen op sociale media mag volgen. Voor huursters is er geen keuze: meegaan met deze inbreuk op privacy, of geen huis.
Het is een ongemakkelijke en intimiderende situatie, zeker als je ziet met welke seksuele intimidatie vrouwelijke huurders soms te maken krijgen in een stad met enorme woningnood. (…)
Wonen is een recht, geen gunst, en iedereen verdient een veilig thuis zonder angst of dwang.”
Standpunten partijen
[eisende partij] vindt dat deze uitlatingen onrechtmatig zijn, en wil – kort gezegd – dat Volt en [gedaagde partij sub 2] deze rectificeren. In het bijzonder verwijt hij Volt en [gedaagde partij sub 2] dat zij hem vergelijken met Andrew Tate, een zeer omstreden influencer die bovendien vervolgd wordt voor verkrachting en mensenhandel. Dit is volgens [eisende partij] des te ernstiger omdat Volt en [gedaagde partij sub 2] in hun uitlatingen ook verwijzen naar ‘seksuele intimidatie’, waardoor het lijkt of [eisende partij] zich daar ook aan schuldig heeft gemaakt. De gevolgen van deze uitlatingen zijn zwaar en schadelijk voor hem. Hij heeft het gevoel zich voortdurend tegen onterechte aantijgingen te moeten verdedigen. In dat kader heeft hij toegelicht dat hij een goede verhuurder is. Zijn beleid om enkel aan vrouwen te verhuren is ingegeven door zijn praktijkervaring dat woongroepen met vrouwen stabieler functioneren wat bijdraagt aan een prettig, veilig en goed huurgenot. De toegang tot sociale media van de huurders vroeg hij alleen om te beoordelen of een kandidaat wel is wie zij zegt te zijn. [eisende partij] heeft zijn verhuurbeleid inmiddels bijgesteld. Hoewel het [gedaagde partij sub 2] en Volt volgens [eisende partij] vrij staat om zijn voormalige verhuurbeleid te bekritiseren, gaan de uitlatingen wat hem betreft veel te ver.
Volt en [gedaagde partij sub 2] vinden dat de voorzieningenrechter de vorderingen van [eisende partij] af moet wijzen, omdat de uitlatingen niet onrechtmatig zijn. De uitlatingen vallen volgens Volt en [gedaagde partij sub 2] binnen de ruime vrijheid van meningsuiting die [gedaagde partij sub 2] als politica heeft. [gedaagde partij sub 2] bracht volgens hen een belangrijk thema onder de aandacht, namelijk de woningnood in Amsterdam, en de onredelijke voorwaarden waarmee huurders soms geconfronteerd worden. Bovendien herhaalde [gedaagde partij sub 2] informatie die al door andere media, waaronder Het Parool en Quote, gepubliceerd was. Voor het overige sprak zij vooral over haar eigen gevoel bij de situatie, en dat was dat het handelen van [eisende partij] vrouwonvriendelijk was. Ze heeft [eisende partij] daarbij niet vergeleken of willen vergelijken met Andrew Tate, maar de situatie die zijn verhuurbeleid voor vrouwen creëerde en zijn uitlatingen op zijn eigen socialemediakanalen riepen bij haar wel “die vibes” (dat gevoel) op.
De voorzieningenrechter vindt de publicaties van Volt en [gedaagde partij sub 2] niet onrechtmatig
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de uitlatingen van Volt en [gedaagde partij sub 2] niet onrechtmatig. De volgende redenen zijn daarvoor doorslaggevend:
Zoals hiervoor in overweging 3.4. al aan de orde gekomen, is het van groot belang in een goed functionerende democratie dat een politica een grote vrijheid heeft om maatschappelijke thema’s te bespreken in de woorden die haar daarvoor het meest geschikt lijken. In dit geval gaat het om een gemeenteraadslid dat een voor Amsterdam belangrijk onderwerp aan de orde stelt, namelijk de woningnood in Amsterdam, en de manier waarop de woningnood Amsterdamse huurders kan dwingen akkoord te gaan met onredelijke voorwaarden. Dit is dusdanig belangrijk dat [gedaagde partij sub 2] een vergaande vrijheid toekomt om dit thema voor het voetlicht te brengen, ook als haar woordkeuze daarbij kwetsend, schokkend of verontrustend is.
Een andere reden is dat [gedaagde partij sub 2] geen feitelijke vergelijking heeft gemaakt tussen [eisende partij] en Andrew Tate, maar dat zij waardeoordelen over het voormalige huurbeleid van [eisende partij] heeft geuit. Uit rechtspraak van EHRM blijkt dat waardeoordelen minder feitelijke basis vereisen dan feitelijke uitspraken. De reden hiervoor is dat waardeoordelen per definitie subjectief zijn, en dus ook als zodanig worden opgevat. [gedaagde partij sub 2] heeft namelijk uitgelegd dat Andrew Tate voor haar symbool staat voor vrouwonvriendelijkheid, en de controle en dwang die vrouwen kunnen ervaren door het gedrag van mannen. Het Parool heeft geschreven dat een aantal voormalige huurders van [eisende partij] hebben verklaard het gevoel te krijgen dat zij gedwongen werden akkoord te gaan met de voorwaarde dat [eisende partij] hen op sociale media mocht volgen, omdat zij anders geen woonruimte van hem mochten huren. Hoewel [eisende partij] heeft aangevoerd dat het accepteren op sociale media voor hem nog nooit een grond is geweest om een huurder te weigeren, doelde [gedaagde partij sub 2] op het gevoel dat sommige huurders, zeker gezien de krapte op de woningmarkt, hebben gekregen. Dat is namelijk het gevoel dat zij niet anders konden dan akkoord gaan met een voorwaarde die zij in principe niet prettig vonden. Daarbij had zij [eisende partij] opgezocht op sociale media voor de gemeenteraadsvergadering, en zijn uitlatingen op zijn eigen kanalen hadden haar gevoel van vrouwonvriendelijkheid versterkt. De eigenschappen van Tate die [gedaagde partij sub 2] genoemd heeft in haar uitlatingen zagen dan ook niet op strafbare feiten of seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Hoewel de bedoeling achter een uitlating niet van doorslaggevende betekenis is voor (de beoordeling van) de onrechtmatigheid ervan, vindt de voorzieningenrechter dat deze bedoeling ook voldoende tot uitdrukking komt in de woorden die [gedaagde partij sub 2] heeft gekozen. Zo vergelijkt ze [eisende partij] namelijk niet met Andrew Tate, maar benoemt ze dat zij “een beetje Andrew Tate vibes” krijgt. Door de toevoegingen van “een beetje” en “vibes”, wordt duidelijk dat ze [eisende partij] niet één op één met Andrew Tate en al zijn gedragingen vergelijkt, maar dat het gaat om haar gevoel bij de situatie. Dit blijkt ook uit de overige uitlatingen, waarin [eisende partij] niet van seksueel grensoverschrijdend gedrag of seksuele intimidatie beschuldigd wordt. Volt en [gedaagde partij sub 2] maken juist een onderscheid tussen het handelen van [eisende partij] en seksuele intimidatie. In de gemeenteraad kaart [gedaagde partij sub 2] namelijk de verschillende problemen aan waar Amsterdamse vrouwelijke huurders mee te maken krijgen, waarvan de volgens [gedaagde partij sub 2] oneerlijke voorwaarden die [eisende partij] eerder stelde één voorbeeld is, en waarvan seksuele intimidatie van huursters in Amsterdam in algemene zin een ander voorbeeld is. Wat [gedaagde partij sub 2] wel zegt over het vroegere verhuurbeleid van [eisende partij] is dat het een “ongemakkelijke en intimiderende situatie voor huurders” opleverde, dat hij in andere media als “hijgerige huurbaas” is neergezet, en dat huurders moesten “dealen met ongemak en toch wel een soort van viezig gevoel”. Deze uitlatingen zijn een weergave van de inhoud van de artikelen in Het Parool en de Quote, en het gevoel van de huurders die in dat artikel worden geciteerd.
[eisende partij] heeft nog aangevoerd dat Volt en [gedaagde partij sub 2] niet een volledige weergave van het verhaal van [gedaagde partij sub 2] in de gemeenteraadsvergadering op sociale media hebben geplaatst, maar daarin hebben geknipt en geplakt. Hierdoor zouden alleen de meest heftige fragmenten op sociale media te zien zijn. Hoewel Volt en [gedaagde partij sub 2] inderdaad slechts delen van de bijdrage van [gedaagde partij sub 2] op hun socialemediakanalen hebben geplaatst, maakt dit het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Er is weliswaar geknipt in de oorspronkelijke beelden van de gemeenteraadsvergadering, maar de boodschap van [gedaagde partij sub 2] over [eisende partij] en zijn voormalige verhuurbeleid op sociale media verschilt daardoor niet wezenlijk van die in de gemeenteraadsvergadering. Bovendien heeft de voorzieningenrechter de uitlatingen zoals deze op sociale media gepubliceerd zijn beoordeeld, en niet onrechtmatig bevonden.
De voorzieningenrechter begrijpt ten slotte dat de uitlatingen voor [eisende partij] zeer ingrijpend zijn geweest. Dat is ook te zien aan de haatreacties waaraan hij gerefereerd heeft. [gedaagde partij sub 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling, en al eerder in een podcast, bevestigd dat zij Andrew Tate niet heeft genoemd om te insinueren dat [eisende partij] zich aan seksuele intimidatie of seksueel grensoverschrijdend gedrag schuldig zou hebben gemaakt. In dat licht had [gedaagde partij sub 2] zich ook meer rekenschap mogen geven van de impact die haar woorden, met name het noemen van de naam Andrew Tate, op [eisende partij] zouden hebben, zeker gelet op de ernstige misdrijven waarvan Tate verdacht wordt. Ondanks het feit dat [gedaagde partij sub 2] haar woorden genuanceerder had kunnen kiezen, heeft zij de ruime vrijheid van meningsuiting die haar, als politica, toekomt, niet overschreden. Daarom waren de uitlatingen van Volt en [gedaagde partij sub 2] naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onrechtmatig.
[eisende partij] moet proceskosten betalen
[eisende partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Volt Nederland en [gedaagde partij sub 2] worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
5827