ECLI:NL:RBMNE:2026:1879

ECLI:NL:RBMNE:2026:1879

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer UTR 25/2304
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Wht

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

Dienst Toeslagen,

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2304

(gemachtigde: mr. J. van den Ende),

en

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met deze afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Voor de toeslagjaren 2010, 2012 en 2013 is niet aannemelijk geworden dat eiseres gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang en daarvoor kosten heeft gemaakt. Daarmee ontbreekt een grondslag voor compensatie op grond van artikel 2.1 van de Wht. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Op 16 juni 2021 heeft eiseres zich gemeld als gedupeerde ouder in de kinderopvangtoeslagaffaire en heeft zij Dienst Toeslagen verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag in de jaren 2005 tot en met 2013.

4. Dienst Toeslagen heeft met het besluit van 21 april 2023 deze aanvraag afgewezen, omdat bij de beoordeling van de situatie van eiseres geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel. Daarom komt eiseres niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.

5. Met de beslissing op bezwaar van 24 februari 2025 is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

6. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Uit het beroepschrift blijkt dat alleen de toeslagjaren 2010, 2012 en 2013 nog in geschil zijn.

7. Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

8. De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres (via een videoverbinding), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

9. Eiseres heeft aangevoerd dat de kinderopvangtoeslag in 2010 ten onrechte op nihil is gesteld zonder dat zij voorafgaand daaraan voldoende is uitgevraagd. Zij betwist de ontvangst van twee informatieverzoeken van Dienst Toeslagen. Voor 2012 en 2013 voert zij aan dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd, omdat Dienst Toeslagen zelf erkent dat niet kan worden aangetoond dat voorafgaand aan de nihilstelling voldoende informatie is uitgevraagd.

10. De rechtbank ziet aanleiding om eerst te beoordelen of eiseres in de jaren 2010, 2012 en 2013 recht had op kinderopvangtoeslag en schade heeft geleden als gevolg van de onjuiste handelwijze van Dienst Toeslagen. Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is. Als dat klopt, dan heeft eiseres hoe dan ook geen recht op compensatie. Of er wel of niet voldoende informatie is uitgevraagd maakt daarvoor dan geen verschil.

11. Eiseres stelt dat zij wel recht had op kinderopvangtoeslag. Zij stelt dat haar kinderen doordeweeks naar de kinderopvang gingen en dat in de weekenden aanvullend opvang werd verleend door de oma van de kinderen. Deze opvang was volgens eiseres noodzakelijk omdat zij in die jaren haar zorgopleiding afrondde en daarnaast werkzaam was in de zorg.

12. Uit de door eiseres zelf overgelegde stukken volgt niet dat in 2010 kosten voor geregistreerde kinderopvang zijn gemaakt en betaald. In de beschikbare systemen is geen opvang geregistreerd en eiseres heeft geen betalingsbewijzen of overeenkomsten overgelegd waaruit blijkt dat er wel sprake was van opvang. Gelet hierop acht de rechtbank niet aannemelijk dat eiseres in 2010 recht had op kinderopvangtoeslag. Uit het dossier blijkt ook niet van geregistreerde kinderopvang in 2012 en 2013. In de beschikbare registratiesystemen komt geen opvang voor en eiseres heeft geen objectieve en verifieerbare bewijsstukken overgelegd waaruit volgt dat zij wel kosten voor geregistreerde kinderopvang heeft gemaakt en betaald. De enkele stelling dat de kinderen doordeweeks naar de opvang gingen en dat familieleden aanvullend hebben opgepast, is zonder onderliggende stukken onvoldoende om het recht op kinderopvangtoeslag aannemelijk te achten. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat eiseres in 2012 en 2013 recht had op kinderopvangtoeslag.

13. Omdat niet aannemelijk is dat eiseres in 2010, 2012 en 2013 gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang, heeft zij over die jaren geen recht op compensatie in de zin van artikel 2.1 van de Wht. De rechtbank laat daarom in het midden of voldoende is uitgevraagd voorafgaand aan de nihilstelling.

14. Evenmin is sprake van hardheid van het stelsel als bedoeld in de Wht, nu niet is gebleken dat de toeslag op nihil is gesteld terwijl wel aantoonbaar kosten voor geregistreerde kinderopvang zijn gemaakt en betaald.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Voor de betreffende toeslagjaren is niet aannemelijk geworden dat eiseres gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang en daarvoor kosten heeft gemaakt. Daarmee ontbreekt een grondslag voor compensatie op basis van artikel 2.1 van de Wht. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiseres geen vergoeding voor het griffierecht en haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A. Gomes de Jorge, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.

De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. van der Knijff

Griffier

  • mr. N.A. Gomes de Jorge

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand