ECLI:NL:RBMNE:2026:190

ECLI:NL:RBMNE:2026:190

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 28-01-2026
Zaaknummer 11717568 LC EXPL 25-1173
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Studieovereenkomst, terugbetaling opleidingskosten, uitleg artikel 7:611a BW.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Lelystad

zaaknummer: 11717568 LC EXPL 25-1173 RD/960

Vonnis van 14 januari 2026

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.S. Leenstra,

tegen:

de stichting

STICHTING [gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. W.H. Morselt.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties, van 8 mei 2025;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de akte van [eiser] .

De kantonrechter heeft een mondelinge behandeling bepaald. Deze is op 8 december 2025 in Almere gehouden. [eiser] is verschenen met zijn gemachtigde. Namens [gedaagde] is haar manager [A] verschenen met de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. [gedaagde] heeft stukken overgelegd.

Op verzoek van partijen is de zaak aangehouden om de mogelijkheid tot een minnelijke regeling te onderzoeken. Partijen hebben op 12 december 2025 aan de kantonrechter te kennen gegeven dat het niet is gelukt om tot een regeling te komen. Zij hebben de kantonrechter verzocht om vonnis te wijzen.

Daarna is vonnis bepaald.

2. De feiten

[eiser] is op 3 oktober 2022 voor de duur van een jaar in dienst getreden van [gedaagde] als [functie] .

[eiser] en [gedaagde] hebben een studieovereenkomst gesloten voor de beroepsopleiding [functie] (verder ook te noemen de beroepsopleiding). De opleidingskosten bedragen € 4.500,00. In de overeenkomst is een afbouwregeling voor de terugbetaling van de opleidingskosten opgenomen.

[eiser] heeft de beroepsopleiding in maart 2023 succesvol afgerond.

[eiser] heeft zijn dienstverband met [gedaagde] per 1 augustus 2023 opgezegd.

[eiser] heeft (onder protest) € 3.375,00 aan opleidingskosten aan [gedaagde] voldaan.

3. Het geschil

[eiser] vordert betaling van [gedaagde] van € 3.375,00 aan onverschuldigd betaalde opleidingskosten. Verder vordert [eiser] betaling door [gedaagde] van de kosten voor juridische bijstand.

[eiser] stelt dat de terugbetalingsverplichting uit de studieovereenkomst nietig is. [eiser] was verplicht de onder 2.2 genoemde opleiding te volgen. Op grond van het bepaalde in artikel 7:611a lid 2 en 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moeten de opleidingskosten dan ook voor rekening van [gedaagde] komen. Verder is het beding, aldus [eiser] , nietig omdat het in strijd is met de openbare orde of de goede zeden.

[gedaagde] voert aan dat de beroepsopleiding niet voldoet aan de voorwaarden uit artikel 7:611a lid 2 BW. [eiser] is terecht aan de terugbetalingsverplichting gehouden. Van een onverschuldigde betaling is geen sprake.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

In deze procedure staat de vraag centraal of [gedaagde] de kosten van de door [eiser] gevolgde beroepsopleiding bij hem in rekening mocht brengen op grond van het studiekostenbeding. Partijen verschillen van mening over de vraag of het studiekostenbeding geldig is.

Artikel 7:611a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt, voor zover hier van belang, dat de werkgever de werknemer in staat stelt de scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie. Artikel 7:611a lid 2 BW bepaalt dat wanneer de werkgever op grond van het toepasselijk Unierecht, het toepasselijke nationale recht, een collectieve arbeidsovereenkomst, of een regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan verplicht is zijn werknemers scholing te verstrekken om het werk waarvoor zij zijn aangenomen uit te voeren, de in lid 1 bedoelde scholing kosteloos moet worden aangeboden aan de werknemers. Artikel 7:611a lid 4 BW bepaalt dat een beding waarbij de kosten van scholing als bedoeld in lid 2 worden verhaald op of verrekend met geldelijke inkomsten uit hoofde van de dienstbetrekking van de werknemer, nietig is.

Artikel 7:611a lid 2 en lid 4 BW zijn onderdeel van de Wet implementatie EU-richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden (Hierna: de Wtva). De Wtva is het resultaat van de implementatie van de EU-richtlijn 2019/1152 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden (hierna: de richtlijn).

In artikel 13 van de richtlijn staat – voor zover relevant – dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat wanneer de werkgever op grond van het Unierecht, het nationale recht of collectieve overeenkomst verplicht is zijn werknemers een opleiding te verstrekken om het werk waarvoor zij zijn aangeworven uit te voeren, deze opleiding kosteloos wordt aangeboden aan de werknemers.

Beoordeeld moet worden of iedere opleiding die onder de scholingsverplichting van lid 1 van artikel 7:611a BW valt op grond van lid 2 van dat artikel door de werkgever kosteloos moet worden aangeboden. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, staat lid 4 eraan in de weg dat de kosten van een dergelijke opleiding met een studiekostenbeding voor rekening van de werknemer worden gebracht.

[eiser] voert aan dat de beroepsopleiding noodzakelijk was voor de uitvoering van zijn functie bij [gedaagde] . [gedaagde] was dan ook wettelijk verplicht om hem in staat te stellen deze opleiding te volgen. [gedaagde] was dus op grond van het nationale recht, artikel 7:611a lid 1 BW, verplicht [eiser] de beroepsopleiding kosteloos te laten volgen. Het studiekostenbeding is daarom nietig. [eiser] hangt hiermee de ruime uitleg van artikel 7:611a lid 2 BW aan.

[gedaagde] is van mening dat [eiser] artikel 7:611a lid 2 BW te ruim uitlegt. Er is geen toepasselijk nationaal recht dat [gedaagde] verplicht om de beroepsopleiding aan haar werknemers te verstrekken. De functie [functie] is ook uit te oefenen zonder de beroepsopleiding. De verplichting tot het volgen van de beroepsopleiding volgt uit de arbeidsovereenkomst en niet uit Unierecht, het nationale recht, een CAO of een regeling van een bestuursorgaan. De noodzakelijke scholing uit 7:611a lid 1 BW valt volgens [gedaagde] niet automatisch onder het bepaalde in lid 2 van dat artikel. [gedaagde] hangt hiermee de strikte uitleg van artikel 7:611a lid 2 BW aan.

De kantonrechter stelt vast dat de beroepsopleiding noodzakelijk was voor de werkzaamheden als [functie] . Zij heeft daarvoor de volgende omstandigheden meegewogen.

[gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat zij, evenals de andere aanbieders van [functie] , de beroepsopleiding verplicht stelt. Zonder opleiding kan het werk namelijk niet uitgevoerd worden. De opleiding staat in de vacature genoemd en wordt in de sollicitatiegesprekken aan de orde gesteld. Als de sollicitant niet bereid is om de beroepsopleiding te volgen, wordt de sollicitatieprocedure niet voortgezet. Als de opleiding niet succesvol wordt afgerond, dan wordt de tijdelijke arbeidsovereenkomst niet verlengd, aldus [gedaagde] .

Gelet op deze toelichting is de kantonrechter van oordeel dat de beroepsopleiding noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van [functie] . Immers het niet volgen van de opleiding dan wel het niet succesvol afronden daarvan, betekent dat er geen arbeidsovereenkomst tot stand komt of wel de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd.

Vervolgens moet beoordeeld worden of [gedaagde] de beroepsopleiding, gelet op het bepaalde in artikel 7:611a lid 2 BW, kosteloos aan [eiser] had moeten verstrekken.

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] dit had moeten doen en legt dit hieronder uit.

De Hoge Raad (HR) heeft in zijn prejudiciële beslissing van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1386) uitgesproken dat art.7:611a BW moet worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 13 van de onder 4.3 genoemde richtlijn. Een dergelijke verplichting ligt besloten in art. 7:611a lid 1 BW. Deze bepaling is immers gelijk aan het oude art. 7:611a BW, en die bepaling is mede ingevoerd om werkgevers te verplichten werknemers de opleidingen te laten volgen die noodzakelijk zijn voor hun werk. Zodra een werkgever een bepaalde opleiding op grond van art. 7:611a lid 1 BW aan een werknemer moet aanbieden omdat deze noodzakelijk is voor diens werk, is dus sprake van een verplichting in de zin van art. 13 van de Richtlijn. Volgens de Richtlijn moet een dergelijke opleiding kosteloos worden aangeboden, aldus de HR. Een uitleg van art. 7:611a BW waarin iedere opleiding die onder lid 1 valt op grond van lid 2 kosteloos moet worden aangeboden, bewerkstelligt dat de bepaling in overeenstemming is met de Richtlijn. Dit wordt niet anders doordat de wetgever bij het aanpassen van art. 7:611a BW aan de Richtlijn deze consequentie van lid 1 wellicht niet duidelijk voor ogen heeft gehad.

De kantonrechter neemt het oordeel van de HR over. Omdat de HR heeft gekozen voor de, ook door [eiser] aangehangen, ruime uitleg van artikel 7:611a BW had [gedaagde] de beroepsopleiding kosteloos aan [eiser] moeten aanbieden. Het studiekostenbeding is dus nietig op grond van artikel 7:611a lid 4 BW. Het voorgaande betekent ook dat [gedaagde] de kosten van die scholing dus niet via een studiekostenbeding op [eiser] kon verhalen. [eiser] heeft dan ook onverschuldigd betaald aan [gedaagde] . De gevorderde betaling van € 3.375,00 zal worden toegewezen. De overige gronden van [eiser] hoeven hierdoor niet meer beoordeeld te worden.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten, inclusief de nakosten, worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 148,04

- griffierecht € 257,00

- nakosten € 135,00

- salaris gemachtigde € 595,00 (2,5 punten x tarief € 238,00)

totaal € 1.135,04

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 3.375,00;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.135,04, waarin begrepen € 595,00 aan salaris gemachtigde. De proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.M. van Wegen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?