[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente], de heffingsambtenaar.
(gemachtigde: mr. M.A.E. van Dop)
Verder heeft als partij deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming).
Inleiding
1. In de beschikking van 28 februari 2022 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] voor het belastingjaar 2022 vastgesteld op € 400.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2021. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser ook één of meer aanslagen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
2. Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 3 mei 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de onroerende zaak gehandhaafd.
3. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend.
4. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
5. In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechtbank de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 Awb indien de rechtbank van oordeel is dat over de uitkomst van dat geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom dat in deze zaak het geval is.
6. De gemachtigde van eiser heeft beroep ingesteld. De gemachtigde van eiser stuurt in elke procedure min of meer hetzelfde beroepschrift. In dat beroepschrift staan geen concrete gronden over de waardevaststelling. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend. De rechtbank heeft vervolgens een brief naar de gemachtigde van eiser gestuurd waarin hij in de gelegenheid wordt gesteld om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. In deze brief staat verder dat indien de rechtbank geen reactie ontvangt, de rechtbank ervan uitgaat dat de gemachtigde van eiser geen behoefte heeft om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. De gemachtigde van eiser heeft hierop gereageerd met een zogenaamde ‘pinpointbrief’. In deze pinpointbrief staat wederom niets concreets over de waardevaststelling in deze zaak.
7. De rechtbank heeft een aangetekende brief naar de gemachtigde van eiser gestuurd, waarin de rechtbank de gemachtigde van eiser verzoekt in een A4 puntsgewijs zijn beroepsgronden zaakspecifiek te concretiseren en zo nodig te voorzien van controleerbaar bewijs. De rechtbank heeft hiervoor een termijn van vier weken gegeven. Daarnaast staat expliciet in deze brief dat als de gemachtigde van eiser hier niet aan voldoet, eiser het risico loopt dat de rechtbank het onderzoek sluit en het beroep afdoet zonder zitting.
8. De gemachtigde van eiser heeft bij brief hierop gereageerd. De inhoud van deze brief is min of meer hetzelfde als de brieven die de gemachtigde van eiser heeft gestuurd in alle andere zaken waarin de rechtbank om zaakspecifieke gronden heeft verzocht. Opnieuw staan er in de brief van de gemachtigde van eiser alleen algemeenheden. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze gronden niet als concrete op de zaak toegespitste gronden kunnen worden aangemerkt. De gemachtigde van eiser heeft immers dezelfde standaardbrief in meerdere zaken tegelijk ingediend. Uit deze brief wordt verder niet duidelijk waarom deze stellingen enige relatie hebben met de waardevaststelling. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser een zogenaamde ‘eerste verbijzonderingsbrief’ gestuurd. Ook in deze brief staan geen concrete op de zaak toegespitste gronden. Dit is dezelfde standaard ‘eerste verbijzonderingsbrief’ die de gemachtigde van eiser in zijn zaken stuurt.
9. Dat de rechtbank niets kan met de algemene stellingen van de gemachtigde van eiser, is voor de gemachtigde niet nieuw. In eerdere uitspraken heeft de rechtbank zich al uitgelaten over de min of meer gelijkluidende beroepschriften en pinpointbrieven in andere zaken. Daarin is regelmatig aangegeven dat de rechtbank hier niets mee kan, omdat ze vol staan met algemene, weinig inhoudelijke, onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de onroerende zaak betrekking hebbende stellingen. Ook alle gerechtshoven hebben de gemachtigde hier op gewezen. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser er bovendien meerdere keren op gewezen dat zijn werkwijze, door pas op zitting met concrete gronden te komen, in strijd is met de goede procesorde.
10. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met het verweerschrift en de taxatiematrix aannemelijk heeft gemaakt dat bij de waardevaststelling niet uit is gegaan van een te hoge waarde. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentieobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met het onderhavige object. De heffingsambtenaar maakt daarnaast aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de waardebepalende verschillen. Verder liggen de gehanteerde huurwaarde per m2 en de kapitalisatiefactor van het onderhavige object onder de huurwaarde per m² en kapitalisatiefactoren van de referentieobjecten. Daarmee heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.
11. Zoals hiervoor overwogen heeft de gemachtigde zich in het beroepschrift en zijn overige brieven beperkt tot opmerkingen met een algemene strekking die (nagenoeg) gelijkluidend zijn aan de opmerkingen in een groot aantal andere zaken van de gemachtigde. Uit die algemene opmerkingen kunnen geen concrete beroepsgronden worden afgeleid aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de waardevaststelling te hoog is. Gemachtigde van eiser heeft in deze zaak, zonder begeleidend schrijven een taxatierapport ingediend. Dit taxatierapport ziet op het gehele object en niet enkel op de objecten zoals vermeld op de aanslag. Daarnaast is dit taxatierapport opgemaakt in het kader van (her)financiering, waardoor dit niet is opgesteld en niet aansluit bij de waardebepaling in het kader van de WOZ-waarde. Nu de gemachtigde van eiser geen concrete op de zaak toegespitste beroepsgronden heeft ingediend, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat eiser de vastgestelde waarde niet gemotiveerd heeft betwist en dat het beroep ongegrond is.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
12. Eiser heeft vóór 14 juni 2024 verzocht om een vergoeding voor immateriële schade vanwege de lange afhandelingsduur van deze zaak. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 wordt een verzoek om vergoeding van immateriële schade, dat voorafgaand aan de datum van dit arrest is gedaan én de redelijke termijn voor de betreffende fase van de procedure op de datum van het arrest is overschreden, afgedaan volgens de richtlijnen zoals deze zijn gegeven in het arrest van 19 februari 2016.
13. Belastinggeschillen moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank ziet geen aanleiding de termijn te verlengen.
14. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift op 25 maart 2022 ontvangen. De totale periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is afgerond drie jaar en elf maanden. De redelijke termijn is aldus met 23 maanden overschreden. De uitspraak op bezwaar is op 3 mei 2023 gedaan. Daarmee heeft de bezwaarfase afgerond een jaar en twee maanden geduurd, dus 7 maanden langer dan de termijn van zes maanden die voor de heffingsambtenaar geldt. Het beroepschrift is ontvangen op 17 mei 2023. Daarmee heeft de beroepsfase afgerond twee jaar en 10 maanden geduurd, dus 16 maanden langer dan de termijn van 18 maanden die voor de rechtbank geldt. De rechtbank zal de heffingsambtenaar daarom veroordelen om een bedrag van € 608,70 aan eiser te vergoeden en veroordeelt de Staat om een bedrag van € 1.391,30 aan eiser te vergoeden.
Proceskostenvergoeding en griffierecht
15. Omdat het verzoek om een immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt eiser in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van eiser, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934,- en wegingsfactor 0,25, derhalve € 233,50. Tevens krijgt eiseres het griffierecht vergoed omdat het verzoek om een immateriële schadevergoeding is gedaan vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 en de redelijke termijn vóór 31 mei 2024 is volgelopen. De proceskosten komen voor 16/23 voor rekening van de Staat. Dit leidt tot de slotsom dat de heffingsambtenaar € 71,- aan proceskosten moet vergoeden en de Staat € 162,50.
16. Voor de vergoeding van het griffierecht sluit de rechtbank aan bij het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024. Nu het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan vóór de datum van dit arrest, zal de rechtbank de heffingsambtenaar opdragen het griffierecht tot een bedrag van € 15,22 te vergoeden aan eiser en de Staat het griffierecht tot een bedrag van € 34,78 te vergoeden aan eiser.
Conclusie en gevolgen
17. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld. Nu eiser geen concrete beroepsgronden heeft ingediend, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde. Het beroep is kennelijk ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Daarom heeft eiser ook recht op een proceskostenvergoeding en vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van € 608,70 schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van € 1.391,30 schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 71,- aan proceskosten aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot een betaling van € 162,50 aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht tot een bedrag van € 15,22 aan eiser moet vergoeden;
- bepaalt dat de Staat het griffierecht tot een bedrag van € 34,78 aan eiser moet vergoeden
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.